Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/2.2
2.2 Verbintenissen en rechtsplichten
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692170:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
PG boek 3, p. 895.
Hierover nader Asser/Sieburgh 6-I 2020/11. Overigens vond Drion in 1962 al dat er sprake was van een ‘overschatting’ van het verschil tussen enerzijds verbintenissen en anderzijds verplichtingen die geen verbintenis zijn, zie Drion 1962, p. 225.
PG 6, p. 38.
Asser/Sieburgh 6-1 2020/6. Van Nispen formuleert het in vergelijkbare bewoordingen. Zie Van Nispen 1978, p. 8/9.
De Jong, Krans en Wissink 2018/10. Zie ook Haas 2009, p. 70.
Aldus De Jong, Krans en Wissink 2018/10.
Van der Wiel 2004/9.
Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, titel 11 Boek 3 BW, aant. 5. Valk spreekt van ‘kale rechtsplichten’ hetgeen iets zuiverder is. Zie Valk, in: T&C Burgerlijk Wetboek 2017, art. 6:1 BW, aant. 1. De voorbeelden zijn ontleend aan Asser/Sieburgh 6-I 2020/8 en Van Nispen, 1978, p. 9.
Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:296 BW, aant. 2.
HR 18 mei 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6585, NJ 1980/213, m.nt. W.H. Heemskerk. Dit geldt overigens niet voor partij-getuigen, zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3403, NJ 2012/363, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Karadzic).
Hierover: Van Heeswijck 2014 en paragraaf 5.7 van dit boek.
Zie Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, art. 3:296 BW, aant. 2, waar hij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7204, NJ 2001/647, m.nt. J.E. de Boer (DNA-test). De Hoge Raad aanvaardde al in het arrest Lindenbaum/Cohen de schending van ongeschreven rechtsplichten als grondslag voor een onrechtmatige daad-vordering. HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919/161, m.nt. W.L.P.A. Molengraaff.
Van Nispen 2018/1.
Asser/ Sieburgh 6-I 2020/11 en Deurvorst, in: GS onrechtmatige daad, Rechtsvorderingen, aant. II.2.1.1.5.
33.Art. 3:296 BW brengt tot uitdrukking dat hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe wordt veroordeeld. Art. 3:296 BW bestrijkt niet alleen het verbintenissenrecht: ‘Ook uit bepalingen van het zakenrecht of uit die betreffende de rechten op voortbrengselen van de geest kan een dergelijke rechtsplicht voortvloeien.’1
34. Voor een goed begrip van de mogelijkheden die art. 3:296 BW biedt, en daarmee voor een goed begrip van de effectiviteit van de remedie, is het onderscheid tussen rechtsplichten enerzijds en verbintenissen anderzijds van belang. Niet alle rechtsplichten zijn verbintenissen. Het begrip rechtsplicht is een overkoepelend begrip waarbinnen de verbintenissen een bijzondere categorie vormen. Het belang van het onderscheid tussen verbintenissen en rechtsplichten is dat op de zuivere rechtsplichten de bepalingen van boek 6 BW met betrekking tot de (niet-) nakoming van verbintenissen, de overdraagbaarheid ervan en de verjaring en stuiting niet van toepassing zijn. De rechtsplichten kunnen bovendien uit het ongeschreven recht voortvloeien, terwijl de verbintenissen volgens art. 6:1 BW slechts kunnen ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit.2
35. Een algemene definitie van het begrip verbintenis ontbreekt in de wet. Wel is in de toelichting het volgende te lezen: ‘Het ontwerp neemt tot uitgangspunt, dat alleen bij die rechtsplichten, waarmee een subjectief vermogensrecht correspondeert van degene jegens wie een rechtsplicht bestaat, wordt gesproken van verbintenissen.’3
36. In meer algemene zin wordt een verbintenis gedefinieerd als een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens diegene tot die prestatie verplicht is.4 Verbintenissen vallen uiteen in verbintenissen om te doen, verbintenissen om te geven en verbintenissen om niet te doen.5 Kenmerkend voor verbintenissen is dat enerzijds sprake is van een gerechtigdheid tot een prestatie en dat daar anderzijds een verplichting van een ander tegenover staat.
37. Het begrip rechtsplicht is (veel) ruimer en laat zich omschrijven als een verplichting die door het recht in het leven is geroepen, zonder dat van een rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar sprake behoeft te zijn.6 Van der Wiel omschrijft het begrip rechtsplicht, onder verwijzing naar eerdere auteurs, als ‘een uit het objectieve recht volgend bevel aan een rechtssubject, zich (niet) op een bepaalde wijze te gedragen’.7 Er zijn in het dagelijks leven vele verplichtingen – ook wel omschreven als ‘kale verplichtingen’ – die als rechtsplicht kwalificeren, zoals de verplichting zich aan de verkeersregels te houden, de verplichting niet te stelen of de verplichting niet door andermans tuin te lopen en daarin geen schuur te bouwen.8 Dergelijke algemene rechtsplichten, die veelal jegens eenieder gelden, zijn geen verbintenissen. Eerst na schending ervan ontstaat een verbintenis tot schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW. Die algemene verplichtingen vinden hun grondslag veelal in het publiekrecht. Gedacht kan worden aan het Wetboek van Strafrecht, maar dat is, hoewel een voorname, niet de enige publiekrechtelijke bron waaruit rechtsplichten voortvloeien.9 De uit art. 165 Rv voortvloeiende verplichting om te getuigen is een ander publiekrechtelijk voorbeeld dat, behalve met de dwangmiddelen die uit het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgen, ook met een bevel (en een dwangsom) kan worden versterkt.10 Er zijn ook rechtsplichten te bedenken die op het grensvlak van het publiek- en het privaatrecht liggen. Te denken is aan verplichtingen voor aanbestedende diensten uit bijvoorbeeld de Aanbestedingswet 2012 (en de Europeesrechtelijke bronnen waarop die wet is geënt) en ten aanzien waarvan een bevel of een verbod kan worden uitgesproken.11 Opgemerkt zij tot slot dat de rechtsplichten ook uit het ongeschreven recht kunnen voortvloeien.12 Ik wijs er daarbij volledigheidshalve op dat de (kale) rechtsplichten niet in art. 6:162 BW zelf liggen. Art. 6:162 BW kwalificeert slechts de schending van een rechtsplicht als een onrechtmatige daad en verbindt daaraan de verbintenis tot schadevergoeding, maar de rechtsplicht zelf is ergens anders neergelegd.
38. Omdat die algemene rechtsplichten geen rechtsbetrekking tussen twee of meer bepaalde personen in het leven roepen, zijn zij geen verbintenissen in de hierboven bedoelde zin. Overtreding ervan leidt tot een onrechtmatige daad, terwijl niet-nakoming van een verbintenis tot wanprestatie leidt.13
39. Het onderscheid tussen verbintenissen en rechtsplichten heeft een belangrijke implicatie. Een schuldeiser uit een verbintenis heeft een subjectief vermogensrecht dat vatbaar is voor overdracht en executie. Een schuldeiser uit andere rechtsplichten heeft dat in principe niet. Als hij een bevel of verbod krijgt, is dat ook persoonsgebonden.14 Bij de keuze tussen een rechterlijk bevel en verbod enerzijds en schadevergoeding anderzijds, is dat een gegeven dat in het oog moet worden gehouden omdat de vordering tot schadevergoeding in principe overdraagbaar wordt geacht.