Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947, NJ 2019/8 m.nt. Reijntjes; HR 10 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:657, en HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:895.
HR, 22-10-2024, nr. 23/01858 P
ECLI:NL:HR:2024:1412
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
23/01858 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1412, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1445
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:891
ECLI:NL:PHR:2024:891, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1412
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0260
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Berust niet-ontvankelijkverklaring van OM in ontnemingsvordering (o.g.v. ontbreken van veroordeling voor strafbaar feit in strafzaak) op onjuiste gronden, als middel OM in samenhangende strafzaak tot vernietiging leidt? HR heeft ‘s hofs arrest in samenhangende strafzaak vernietigd wat betreft onder meer beslissingen over het onder 1 (gedeeltelijk), 2 en 6 tenlastegelegde. Dat brengt mee dat aan beslissing in deze ontnemingszaak de grondslag is komen te ontvallen (vgl. HR:2018:1947). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01859 (strafzaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01858 P
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 mei 2023, nummer 20-002485-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsman van de betrokkene J.H.L. Antonides, advocaat in Roermond, heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel berust op onjuiste gronden. Daartoe wordt aangevoerd dat, als het cassatiemiddel van het openbaar ministerie in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt doel treft en de Hoge Raad het arrest van het hof in de strafzaak vernietigt, aan de beslissing in de ontnemingszaak de grondslag komt te ontvallen.
2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. De motivering van die beslissing houdt in:
“Het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-002484-20), kort gezegd het opzettelijk telen, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van 14.374 gram hennep (feit 1), het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van 604 hennepplanten (feit 2) en witwassen (feit 6), ligt ten grondslag aan de ontnemingsvordering.
Het hof heeft bij arrest van heden in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Nu een veroordeling ter zake het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde ontbreekt kan het Openbaar Ministerie niet in de ontnemingsvordering worden ontvangen en zal - onder vernietiging van het vonnis - daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.3
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/01859, vernietigd wat betreft onder meer de beslissingen over het onder 1 (gedeeltelijk), 2 en 6 tenlastegelegde. Dat brengt mee dat aan de beslissing in deze ontnemingszaak de grondslag is komen te ontvallen (vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947).
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-Cassatie. Profijtontneming. Houdt verband met samenhangende strafzaak tegen verdachte, waarin OM gedeeltelijk n-o is verklaard, als gevolg waarvan OM ook n-o is verklaard in ontnemingsvordering. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01859.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01858 P
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 mei 2023 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Bij schriftuur heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (23/01859). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
De strafzaak
4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde en de verdachte vrijgesproken van de feiten 4 en 5.
Het middel
5. Het middel bevat de klacht dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op onjuiste gronden berust.
De bespreking van het middel
6. Het hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering als volgt gemotiveerd:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-002484-20), kort gezegd het opzettelijk telen, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van 14.374 gram hennep (feit 1), het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van 604 hennepplanten (feit 2) en witwassen (feit 6), ligt ten grondslag aan de ontnemingsvordering.
Het hof heeft bij arrest van heden in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Nu een veroordeling ter zake het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde ontbreekt kan het Openbaar Ministerie niet in de ontnemingsvordering worden ontvangen en zal – onder vernietiging van het vonnis – daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
7. In de schriftuur is toegelicht dat het middel is voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het in ’s hofs overwegingen bedoelde strafarrest van het hof (zie 23/01859) op het daartegen ingestelde cassatieberoep zal vernietigen. Ik heb in die zaak geconcludeerd dat het middel slaagt. Als de Hoge Raad mij hierin volgt, is de genoemde voorwaarde vervuld.
8. Een en ander brengt in dat geval ook met zich dat in de onderhavige ontnemingszaak de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering op onjuiste gronden berust. Daarmee komt aan deze beslissing (in zoverre) de grondslag te ontvallen, waardoor de uitspraak niet in stand kan blijven.1.
9. Kortom, als de Hoge Raad mij volgt in mijn conclusie in de zaak met zaaknummer 23/01859, treft het middel doel.
Slotsom
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024