NJ 2020/338
Wet Bopz. Machtiging voortzetting inbewaringstelling. Klacht dat mondelinge uitspraak is gedaan in strijd met art. 30p Rv grond voor doorbreking rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz?
HR 04-05-2018, ECLI:NL:HR:2018:684, m.nt. H.B. Krans
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
4 mei 2018
- Magistraten
Mrs. E.J. Numann, G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff
- Zaaknummer
17/05836
- Conclusie
plv. P-G mr. F.F. Langemeijer
- Noot
H.B. Krans
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS233221:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Bescherming meerderjarige
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2018:684, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 04‑05‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:300, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑03‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑12‑2017
- Wetingang
Samenvatting
Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen de beschikking van de rechtbank waarbij een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend. Indien wordt geklaagd over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.