Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.5.3
6.5.3 Noodtoestand naar Engels recht
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346116:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Goudkamp 2014, p. 115.
Seavey v Preble 64 Me. 120 (1874).
Cf Burmah Oil co (Burma Trading) Ltd v Lord Advocate [1965] A.C. 75, 164 (HL). ‘For the commonwealth, a man shall suffer damage; as, for saving a city or town, a house shall be plucked down if the next be on fire… and a thing for the commonwealth every man may do without being liable in action’, aldus de Engelse rechter in Saltpetre Case (1606) 12 Co. Rep. 12, 13.
De in de literatuur aangereikte voorbeelden doen vermoeden van niet. Zie Goudkamp 2013, p. 115.
Waarvan uit historisch oogpunt kan worden gezegd dat zij ontegenzeggelijk een rol speelt bij het bewaren van de algemene maatschappelijke orde (de verstoring waarvan wel degelijk de volksgezondheid en private eigendommen kan bedreigen).
Fletcher 1997, p. 393.
Illustratief zijn de woorden van rechter Millet in Re Barlow Clowes Gilt Managers Limited (1991) B.C. L.C. 750 (bij nr. 760): ‘The liquidation of an insolvent company can affect many thousands, of innocent people… it can affect people’s savings. In the case of a major trading company it can affect its customers and suppliers and the livelihood of many thousands of persons employed by other companies whose viability is threatened by the collapse of the company in liquidation’.
Cork-rapport, paragraaf 1734. Zie ook paragraaf 198.
Zie bijvoorbeeld Cork-rapport, paragraaf 1980 onder 2.
Naar Engels recht bestaat een gelijkaardige rechtvaardigingsgrond genaamd ‘necessity’. Het strafrecht en het civiele recht zijn bij de invulling van de voorwaarden min of meer gelijkluidend. Indien het hoogwaardige belang dat met de strafbare of een ‘tort’-uitmakende gedraging wordt gediend het algemeen belang is, dan wordt gesproken van ‘public necessity’. Deze rechtvaardigingsgrond ‘allows defendants to commit torts against innocent people free from the obligation to pay compensation where it is reasonably necessary to do so to protect an important public interest from an imminent peril’.1 Voorbeelden in de literatuur worden afgeleid uit de rechtspraak en hebben grotendeels betrekking op algemene belangen die te herleiden zijn tot gevaar voor het leven en de gezondheid van de mens en grootschalig (onbepaald) gevaar voor eigendommen. Zo wordt verwezen naar het vernietigen van eens anders kleding ten behoeve van het algemeen belang van de volksgezondheid indien deze gevaarlijke ziektedragers bevat.2 Een ander voorbeeld is het afbreken van een huis dat in brand staat ten behoeve van het algemeen belang dat de aangrenzende huizen geen vlam vatten.3 De van oudsher bestaande geneigdheid in het Engelse recht om het recht op lichamelijke integriteit en de bescherming van eigendommen (‘property’) hoger te waarderen dan andere belangen, weerspiegelt zich ook in de aard van de algemene belangen die een inbreuk op individuele belangen kunnen rechtvaardigen.
Het Engelse recht stelt voor ‘public necessity’ als vereiste dat er een acuut dreigend gevaar is voor het tenietgaan van het hogere belang. Het is de vraag of de dreiging van de teloorgang van de onderneming naar Engelse begrippen voldoende acuut is om normschendend gedrag te rechtvaardigen.4 Afgezien hiervan dringt zich de vraag op of maatschappelijke belangen die niet rechtstreeks zijn terug te voeren op de volksgezondheid of het eigendomsrecht, als zodanig meer gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling van gedragingen die een strafrechtelijke of civielrechtelijke norm schenden en daarmee schade veroorzaken aan een derde. Zowel het behoud van werkgelegenheid als het behoud van onderneming (ofwel het voorkomen van onnodige kapitaalvernietiging) is een belang dat primair ziet op de instandhouding van een gezonde economie.5 Die belangen hebben daarmee prima facie een financieel karakter. Het Engelse recht staat, het zij nogmaals gememoreerd, traditioneel terughoudend tegenover de bescherming van zuiver financiële belangen.
Daarnaast geldt het hiervoor reeds genoemde ‘public morality’ als een hoogwaardig, maatschappelijk belang waaraan zwaar wordt getild in het Engelse recht. Zo wordt ten aanzien van kredietverlening gesteld dat zij onderdeel is van het handelsverkeer ‘which relies on assumptions, expectations and beliefs such as that the parties are acting in good faith and debts will be repaid’.6 Dat het vertrouwen van de contracterende schuldeiser met betrekking tot de solventie van de vennootschap wordt beschermd, is op zichzelf ook een maatschappelijk belang. Anderzijds wordt algemeen erkend dat de insolventie (en liquidatie) van een handelsonderneming, wat de gevolgen betreft niet op zichzelf staat en de maatschappij in haar geheel kan treffen. De ontwrichtende werking die het verlies van banen en bedrijvigheid kan hebben op gemeenschappen wordt onderkend.7 In het gezaghebbende Cork-rapport dat in 1981 verscheen en als ondergrond diende voor de grootschalige herziening van het Engelse insolventierecht in 1986 wordt met betrekking tot de vraag of belangen van maatschappelijke aard een rol hebben te spelen in het insolventierecht, bovendien opgemerkt dat insolventie ‘Never (has) been treated in English law as an exclusively private matter between the debtor and his creditors; the community itself has always been recognised as having an important interest in them’.8 De nadruk die bij de herziening van het insolventierecht in 1986 werd gelegd op de redding van ondernemingen kan voor een deel tegen de achtergrond hiervan worden verklaard.9 De omstandigheid dat bij de normen die voortvloeien uit de ‘tort of deceit’ en de delicten van ‘fraudulent misrepresentation’ het financiële belangen van de benadeelde zijn die worden beschermd, schept wellicht wat ruimte voor de toepassing van ‘public necessity’ als rechtvaardigingsgrond, maar de bestaande rechtspraak over deze rechtvaardigingsgrond doet vermoeden dat economisch-maatschappelijke belangen niet snel civielrechtelijk ‘deceitful’ en strafbaar handelen zullen rechtvaardigen. In paragraaf 6.8.2 zal blijken dat binnen de regeling van ‘wrongful trading’ wel enige ruimte bestaat om gewicht toe te kennen aan het belang van behoud van levensvatbare ondernemingsactiviteiten.