Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/7.1
7.1 Inleiding
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248525:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Coalitieakkoord Leefbaar Rotterdam, D66 en CDA 2014-2018, p. 2; Collegeprogramma Rotterdam 2014-2018, p. 3.
Coalitieakkoord Leefbaar Rotterdam, D66 en CDA 2014-2018, p. 3.
Coalitieakkoord Leefbaar Rotterdam, D66 en CDA 2014-2018, p. 6-7.
Collegeprogramma Rotterdam 2014-2018, p. 4.
‘Volgend voorjaar zal, naast de gemeenteraad, ook voor het eerst een burgerjury onze vorderingen in het collegeprogramma mogen [cursief JW] jureren’, collegeprogramma Rotterdam 2014-2018, p. 4.
www.capelleaandenijssel.nl/bestuur-organisatie/burgerparticipatie_42548, geraadpleegd op 28 september 2019.
www.rotterdam.nl/bestuur-organisatie/burgerjury, geraadpleegd op 24 januari 2018 [bij een latere controle bleek de pagina offline te zijn gehaald].
Tussen het voorjaar van 2015 en het voorjaar van 2018 is er in de gemeente Rotterdam een burgerjury actief geweest die het beleid van het college van burgemeester en wethouders beoordeelde. Het initiatief daartoe werd door het college genomen na de gemeenteraadsverkiezingen van 2014. In Rotterdam werd toen een coalitie gevormd door Leefbaar Rotterdam (veertien raadszetels), D66 (zes zetels) en het CDA (drie zetels). Het college bestond naast burgemeester Aboutaleb uit drie wethouders van Leefbaar Rotterdam, twee van D66 en een van het CDA. Het thema bestuurlijke vernieuwing kwam als onderdeel van de portefeuilles veiligheid, handhaving en buitenruimte terecht bij wethouder Eerdmans van Leefbaar Rotterdam. Hoewel het thema geen zelfstandige portefeuille kreeg, blijkt duidelijk uit het coalitieakkoord en collegeprogramma dat het ook geen ondergeschoven kindje was. De coalitie wilde meer zeggenschap voor Rotterdammers en wilde meer ruimte bieden voor initiatieven van buurtbewoners in hun wijken.1 Vernieuwen en experimenteren waren daarbij sleutelwoorden. In de woorden van de coalitie: ‘Rotterdam is van de Rotterdammers. Dus beslissen zij in verschillende vormen direct mee. Over de problemen die we moeten oplossen, over kansen die we niet mogen laten lopen. Wij en onze ambtenaren zoeken de ideeën in de stad op en helpen, indien nodig, bij de realisatie van die ideeën.’2 In het coalitieakkoord leidde deze doelstelling tot drie interessante afspraken:
‘Binnen alle beleidsvelden reserveren we, waar mogelijk, 1% van het totale budget om initiatieven uit de stad (eenmalig) te ondersteunen die daarna zoveel mogelijk op eigen benen kunnen staan. Op deze manier geven we concreet invulling aan onze wens om van Rotterdam het laboratorium te maken voor maatschappelijke innovaties en te groeien naar een nieuwe samenwerking tussen stad en stadhuis. De verschillende vakwethouders komen met voorstellen hoe zij die 1% binnen het eigen budget gaan reserveren en in samenwerking met de vakwethouder stedelijke innovatie wordt de stad uitgenodigd met initiatieven te komen en vindt grondige en zorgvuldige beoordeling en afweging van plannen plaats.
Nieuwe vormen van directe democratie worden ingezet: de burgerjury, de mogelijkheid van referenda in de gebieden, het inzetten van panels, het houden van een enquête of digitale raadplegingen.
Right to challenge: analoog aan de Britse wet. Een buurt of wijk krijgt het recht om lokale voorzieningen over te nemen wanneer zij denken het zelf anders en beter te kunnen organiseren.’3
Het college vertaalde de ambities uit het coalitieakkoord naar zes vragen die leidend waren bij het te verrichten werk:
‘Krijgen Rotterdammers meer te zeggen en nemen ze meer verantwoordelijkheid?
Experimenteren en vernieuwen we en geven we elkaar daar de ruimte voor?
Neemt de veiligheid in de Rotterdamse buurten toe en worden ze gezelliger en groener, met meer duurzaam vervoer en een schonere lucht?
Draagt het bij aan de verbinding tussen stad en haven, groeit onze economie én levert dat banen op?
Ontstaan er voldoende kansen voor Rotterdammers en worden die ook gepakt?
En kijken wij in onze omgeving meer naar elkaar om?’4
Er werd in het collegeprogramma benadrukt dat het aan de gemeenteraad was én aan de Rotterdammers om aan de hand van deze vragen te beoordelen of de inspanningen van het college voldoende opleverden. Om aan dit streven handen en voeten te geven, heeft het college onder andere de Burgerjury ingesteld.5 Dat er gekozen werd voor een burgerjury valt te verklaren vanuit de achtergrond van wethouder Eerdmans. In de periode 2009-2014 was hij namelijk wethouder in de gemeente Capelle aan den IJssel, waar in september 2011 de eerste burgerjury werd georganiseerd.6
Voor het college was de Burgerjury een van de manieren om te proberen een directere relatie te creëren tussen Rotterdammers en bestuurders (en de politiek).7 Net als de overige experimenten die in dit onderzoek besproken worden, was de Burgerjury bedoeld om de kloof tussen politiek en de burger te verkleinen door direct en uit andere kanalen informatie en ervaringen op te halen uit de samenleving. Wat de Burgerjury in vergelijking met die andere experimenten uniek maakt, is dat het nog een extra taak kreeg, namelijk het controleren en beoordelen van het beleid van het college. In dit hoofdstuk behandel ik specifiek de rol van de Burgerjury als controleur. In paragraaf 7.2 wordt eerst de doelstelling van de Burgerjury toegelicht. In paragraaf 7.3 wordt vervolgens de concrete opzet van het experiment uiteengezet. Daarna worden in paragraaf 7.4 de gehouden bijeenkomsten besproken. Paragraaf 7.5 sluit af met een conclusie.