Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.2.1
7.2.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589797:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens in het geval waarin de aanspraak tot schadevergoeding een andere (verhaals)regeling onaanvaardbaar zou doorkruisen (hoofdstuk 13) en in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde of schade in een niet-rechtmatig belang (hoofdstuk 14) en behoudens in andere leerstukken tot uitdrukking gebrachte grenzen aan aansprakelijkheid, zoals bijvoorbeeld eigen schuld van de gelaedeerde, voordeelstoerekening, matiging of een overeengekomen aansprakelijkheidsbeperking.
Dat om bijzondere in hoofdstuk 13 en 14 te bespreken redenen, die los staan van het vereiste verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade, in deze gevallen toch niet voldaan kan zijn aan het relativiteitsvereiste en/of aan het toerekeningsvereiste laat ik in dit hoofdstuk verder buiten beschouwing om mijns inziens onnodige omhaal van woorden te voorkomen.
Vooral in de Engelstalige literatuur is veel geschreven over deze vraag in het algemeen, zie bijvoorbeeld Friedmann 2005, p. 3 t/m 17; Weinrib 2012, p. 81 t/m 116; en Smith 2004, p. 387 t/m 398.
HR 29 juni 2007,NJ 2007/353 (Waterschappen/Milieutech Beheer); HR 6 april 2012,NJ 2012/233 (Duka/Achmea); HR 12 juni 2015,NJ 2016/380 m.nt. H.B. Krans (K./Rabobank) en HR 15 september 2017,NJ 2018/164 m.nt. S.D. Lindenbergh (De Alternatieve/Van Eendenburg). Het uitgangspunt dat daadwerkelijk gemaakte proceskosten niet als schade voor vergoeding in aanmerking komen, en de uitzondering ingeval met de geschonden norm juist tegen deze kosten beoogd is te beschermen, zijn (uiteraard) slechts dan van belang wanneer tussen een normschending en het maken van de proceskosten condicio-sine-qua-non-verband bestaat. Zie nader nr. 715.
In bijvoorbeeld HR 2 februari 1962,NJ 1964/329 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Ove Skou/De Jonge) en HR 6 september 2013,NJ 2014/176 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Van Uden/NBG Finance). Zie hierover ook advocaat-generaal Hartlief in zijn conclusie vóór HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2385 (Rabobank/X), § 3.16 e.v.
Bloembergen 1993, p. 144, 145.
In Nederland: Lankhorst 1992a, p. 163 t/m 168 vs. Bloembergen 1965, nr. 124 en Bloembergen 1993, p. 144, 145; in Duitsland: Von Caemmerer 1956, p. 12 vs. Stoll 1968, p. 27; en in de Engelstalige literatuur Bingham 1909, p. 34 t/m 37 en 136 e.v. en Green 1927, p. 23, 44 t/m 47 vs. Hart & Honoré 1985, p. L, 109, 476 en 477 en Moore 2009, p. 217 t/m 225.
Köster 1963, p. 14.
Brunner 1981a, p. 214.
Zie nader nr. 230.
Drion 1987, p. 32.
Nieuwenhuis 1982, p. 480 e.v. Vgl. ook Nieuwenhuis 2013, p. 128 e.v.
Lankhorst 1992a p. 165.
Lindenbergh 2007a, p. 11, 12, 22.
340. Het eenvoudige uitgangspunt van dit hoofdstuk is dat indien door een normschendende gedraging schade wordt veroorzaakt, terwijl het doel van de geschonden norm juist is de gelaedeerde te beschermen tegen deze soort schade en de wijze waarop zij is ontstaan, een toereikend normatief verband bestaat tussen de normschendende gedraging en de schade. De laedens dient dan in beginsel1 voor deze schade aansprakelijk te zijn. Deze schade is daarom toerekenbaar, terwijl ten aanzien van deze schade ook aan het relativiteitsvereiste, voor zover dat geldt, wordt voldaan.2 Het zou in het algemeen namelijk onbegrijpelijk en inconsistent zijn wanneer in ons rechtsstelsel enerzijds een norm in het leven is geroepen met het oogmerk bepaalde personen tegen een bepaalde soort schade en een bepaalde ontstaanswijze van die schade te beschermen, maar anderzijds wanneer juist dergelijke schade als gevolg van de schending van deze norm ontstaat, deze schade niet door de laedens vergoed zou behoeven worden. Alleen als daarvoor een bijzondere reden bestaat, bijvoorbeeld omdat de gelaedeerde eigen schuld aan de schade heeft of geschaad is in een niet-rechtmatig belang, laat zich onder deze omstandigheden begrijpen om de laedens niet (volledig) voor de schade aansprakelijk te laten zijn. Voor aansprakelijkheid uit kwaliteit geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Met het uitgangspunt dat voor de door een normschendende gedraging veroorzaakte schade in beginsel aansprakelijkheid dient te bestaan indien met de norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, is een verband gelegd tussen enerzijds het doel van een norm en anderzijds de inhoud van de door het recht bij de schending van een norm geboden schadevergoedingsremedie.3 Meer in het algemeen laat zich de vraag stellen hoe het doel van een norm de inhoud van de door een rechtssysteem geboden remedies beïnvloedt. Ter zake van de schadevergoedingsremedie, die in dit boek centraal staat, verdient opmerking dat het doel van de geschonden norm op verschillende fronten invloed uitoefent. In § 6.2.5 bleek dat de door de geschonden norm beoogde bescherming kan beïnvloeden welk causaal verband verlangd wordt en op welke wijze een hypothetische vergelijkingssituatie geconstrueerd dient te worden. Het doel van de geschonden norm kan voorts maken dat het causaliteitsvereiste in verband met bewijskwesties wordt gemitigeerd. Dat is het geval waar de ‘omkeringsregel’ en de leerstukken van proportionele aansprakelijkheid en alternatieve aansprakelijkheid worden toegepast.4 Het doel van de geschonden norm kan ook maken dat door de gelaedeerde geleden schade die normaliter rechtens niet voor vergoeding in aanmerking komt, toch door de laedens vergoed dient te worden. Dit is bijvoorbeeld het geval waar een onrechtmatige daad jegens een ander wordt gepleegd met het oogmerk immateriële schade aan een derde toe te brengen,5 en waar door onrechtmatig procederen de gelaedeerde tot het maken van proceskosten wordt gedwongen.6 Tot slot kan het doel van de geschonden norm maken dat bepaald onredelijk gedrag van de gelaedeerde, dat de schade van de gelaedeerde mede doet ontstaan of vergroot, niet op grond van eigen schuld van de gelaedeerde (art. 6:101 BW) tot een beperking van de schadevergoedingsverplichting van de laedens leidt. Dit is het geval wanneer de geschonden norm mede tot doel heeft de gelaedeerde te beschermen tegen de schade die het gevolg is van diens eigen fouten.7
341. De gedachte dat het doel van de geschonden norm of van de kwalitatieve aansprakelijkheid deze funderende betekenis heeft bij de beoordeling of een toereikend normatief verband aanwezig is, ligt voor de hand, maar is niet zonder meer toepasbaar. Steeds is slechts in abstracto gegeven tegen welke schade met een norm beoogd is te beschermen, terwijl steeds naar aanleiding van concrete casus – met alle daarin spelende bijzonderheden – de vraag rijst of de geleden schade aan het doel van de geschonden norm beantwoordt. Tussen het doel in abstracto en de geleden schade in concreto kan een zodanige kloof gapen dat het niet eenvoudig valt te zeggen of het doel óók is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Deze kloof tussen de beoogde bescherming in abstracto en de geleden schade in concreto wordt in het algemeen groter naarmate de norm een meer algemeen karakter heeft en naarmate de causale keten tussen de normschendende gedraging en de schade langer wordt. Onder omstandigheden kan het antwoord op de vraag of met de geschonden norm ook beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, evident niet aan die norm zelf worden ontleend.
Bloembergen heeft het volgende treffende voorbeeld gegeven. A snoeit zijn heg en daarbij komen takken op de oprit van buurman B terecht. A pleegt aldus inbreuk op een subjectief recht van B. Wanneer B ‘s avonds laat thuiskomt parkeert hij vanwege de takken op zijn oprit zijn auto op straat in plaats van in zijn garage. De volgende dag is de auto gestolen. Mogelijk is dat B als gevolg daarvan te laat op zijn werk komt en een lucratieve transactie mist, mogelijk is ook dat B, omdat zijn auto gestolen is, met de trein naar zijn werk gaat en bij een spoorwegongeval letsel oploopt. Bloembergen was – mijns inziens terecht – van oordeel dat B’s geschonden eigendomsrecht geen informatie geeft over de vraag of de schade uit de gemiste transactie of de schade ten gevolge van het letsel voor vergoeding in aanmerking komt. Bloembergen was tevens – mijns inziens eveneens terecht – van oordeel dat als de takken in strijd met de gemeenteverordening voor de oprit op het trottoir zijn gedeponeerd, zich uit de strekking van deze norm niet laat afleiden of voor de schade aansprakelijkheid dient te bestaan.8
Met de hiervoor weergegeven funderende betekenis van het doel van de geschonden norm of van de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid, is het vraagstuk van het normatieve verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade dus niet nog opgelost.
In zowel de Nederlandse, Duitse als Engelse literatuur is dat gesignaleerd. Auteurs die betoogden dat het bij de toerekening van schade aankomt op het (uit te leggen) doel van de geschonden norm zijn steeds – terecht, en zonder dat zij daarop serieus weerwoord hebben gegeven – bestreden door auteurs die betoogden dat uit de norm niet altijd valt af te leiden of beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.9
Diverse auteurs hebben gewezen op een verband tussen het doel van de geschonden norm en de toerekening van de door de schending van die norm veroorzaakte schade. Köster stelde de factor de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust voorop in zijn toerekeningsbepaling (waarmee hij het ontwerp voor zowel art. 6:98 als 6:163 BW beoogde te vervangen), maar maakte weinig duidelijk wat hij hiermee precies bedoelde.10 Brunner betoogde dat steeds onderzocht dient te worden of het doel waarmee de norm is opgesteld de toerekening van de ontstane schade rechtvaardigt,11 maar werkte dat ongelukkig uit door slechts vier soorten beschermingsdoelen van normen te onderscheiden.12 H. Drion schreef dat de maatstaf die bij de toerekening dient te worden aangelegd, niet los kan worden gezien van de aard van de onrechtmatige daad en de geschonden rechtsnorm.13 Nieuwenhuis heeft betoogd dat, naast het feitelijk causale verband tussen normschending en schade, sprake dient te zijn van een “teleologisch verband” tussen norm en schade. Beslissend voor de vraag of schade redelijkerwijs kan worden toegerekend was volgens hem of de schade viel binnen de beschermingsomvang van de norm waarop aansprakelijkheid berust. In het licht van de ratio, de strekking van de regeling waarop de aansprakelijkheid is gegrond, diende volgens Nieuwenhuis te worden beoordeeld of de schade te uitzonderlijk of te ver verwijderd is.14 Lankhorst kwam in zijn dissertatie, kennelijk mede geïnspireerd door zijn promotor Nieuwenhuis, tot de conclusie dat: “[c]iviele aansprakelijkheid [voor de door de schending van een gedragsnorm veroorzaakte schade] moet ontstaan wanneer de strekking van de door de dader overtreden gedragsnorm dat redelijkerwijs met zich meebrengt.”15 Lindenbergh heeft in zijn Rotterdamse intreerede betoogd dat het niet voor de hand ligt om veroorzaakte schade in een belang waarvan vaststaat dat het door de geschonden norm beschermd wordt, niet toe te rekenen. Ook heeft Lindenbergh de vraag gesteld welke rol er na beantwoording van de relativiteitsvraag, in al zijn facetten, nog is weggelegd voor art. 6:98 BW.16
342. Het doel van de geschonden norm of van de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid kan naar mijn mening op twee manieren bijdragen aan de conclusie dat tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade een toereikend normatief verband bestaat. In de eerste plaats laat zich in allerlei gevallen wél vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de in concreto geleden schade. In die gevallen is het vereiste normatieve verband aanwezig. Dit is de eerste funderende functie van het beschermingsdoel. Uitgaande van een bepaalde norm kan, verder, het geheel van situaties worden bepaald waarin door een normschendende gedraging schade wordt veroorzaakt die, gezien het doel van de norm, in voldoende verband staat met de normschendende gedraging. Het geheel van deze bij een norm behorende schadesituaties zal ik aanduiden als de harde kern van het beschermingsbereik van die norm. Deze harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm biedt een, vooral bij moeilijker liggende gevallen, onmisbaar oriëntatiepunt bij de beoordeling of voor een andere door schending van die norm veroorzaakte schadesituatie in voldoende verband staat met de normschendende gedraging. Dit is de tweede funderende functie van het beschermingsdoel. Voor het doel van de kwalitatieve aansprakelijkheden geldt hetzelfde. Deze twee manieren waarop het doel van de geschonden norm of van de toepasselijke kwalitatieve kan bijdragen aan de conclusie dat sprake is van een voldoende normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade, werk ik uit in § 7.2.2 en 7.2.3.