Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.2.3.1
6.2.3.1 Levering bouwterreinen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291140:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Report drawn up on behalf of the Comittee on Budgets on the proposal from the Commission of the European Communities to the Council (Doc. 144/73) for a sixth directive on the harmonization of the legislations of the Member States concerning turnover taxes - common system of value added tax: uniform basis of assessment -, European Parlement, Working Documents 1973-1974, document 360/73, p. 48.
Raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belastingen over de toegevoegde waarde: Uniforme belastinggrondslag, PbEG 1974, C 139/17.
Wijzigingen in het Voorstel voor een zesde richtlijn, PbEG 1974, C 121/34.
Duitsland wenste de levering van onbebouwde (bouw)terreinen vrij te (blijven) stellen met het recht van optie voor btw-heffing voor de belastingplichtige.
Ontwerpverslag van de Groep financiële vraagstukken aan het Comité van permanente vertegenwoordigers van 1 augustus 1974, nr. T/395/74 (FIN), p. 2-3 en tweede ontwerpverslag van de Groep financiële vraagstukken aan het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 1 oktober 1974, nr. T/481/74 (FIN), p. 4-5.
Ontwerpverslag van de Groep financiële vraagstukken aan het Comité van permanente vertegenwoordigers van 1 augustus 1974, nr. T/395/74 (FIN), p. 2 en tweede ontwerpverslag van de Groep financiële vraagstukken aan het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 1 oktober 1974, nr. T/481/74 (FIN), p. 4.
Samenvattende nota over de werkzaamheden van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 4 mei 1976, nr. T/378/76 (FIN), p. 8.
Bijlage II, punt III bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN).
Bijlage II, punt III bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN) en nota van 25 maart 1977, nr. R/716/77 (FIN 151), p. 4. In laatstgenoemde nota staat niet van wie deze afkomstig is. In de nota van 25 maart 1977, nr. R/733/77 (FIN 156/ASS 137) wordt onder verwijzing naar voormelde nota aangegeven ‘dat de Raad onder de A-punten van zijn voorlopige agenda van één zijn volgende zittingen de herziene tekst van het ontwerp van een zesde BTW-richtlijn zou kunnen goedkeuren en zou kunnen besluiten om de verklaringen in het document van 25 maart 1977, nr. R/716/77 (FIN 151) op te nemen in de notulen van de Raadszitting tijdens welke de richtlijn wordt aangenomen. Hieruit is af te leiden dat de nota afkomstig is van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers, aangezien dit comité aangeeft wat als een A-punt op de agenda van de Raad komt te staan. Zie: https://www.europa-nu.nl/id/vh7ej5swwyye/comite_van_permanente_vertegenwoordigers, geraadpleegd op 29 december 2020.
Het Europees Parlement heeft geadviseerd om maagdelijke grond waarbij de verkrijger bij het verwerven ervan zich heeft verplicht hierop binnen een termijn van vier jaar een gebouw op te richten, niet als bouwterreinen te beschouwen en deze terreinen uit de definitie van het begrip ‘bouwterreinen’ te schrappen. Het onderscheid tussen de terreinen in art. 4 lid 3, onderdeel c Voorstel voor een zesde richtlijn was volgens het Europees Parlement te kunstmatig.1 In het advies van het Economisch en Sociaal Comité is te lezen dat in dit comité langdurig is gediscussieerd over de vraag of bouwterreinen al dan niet in de btw-heffing betrokken moeten worden. Het comité constateerde dat zowel het in de btw-heffing betrekken als het niet in de btw-heffing betrekken van bouwterreinen in de EG naar tevredenheid van de lidstaten wordt toegepast. Om die reden adviseerde het Economisch en Sociaal Comité om de lidstaten de keuze te laten om bouwterreinen al dan niet in de btw-heffing te betrekken.2 Over de voorgestelde definitie van het begrip bouwterrein heeft het comité zich (daarom?) niet uitgelaten. Naar aanleiding van de reacties van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité heeft de Europese Commissie erkend dat het in de btw-heffing betrekken van de levering van bouwterreinen een zeer omstreden punt vormt. Toch heeft de Europese Commissie hierin geen aanleiding gezien om, zoals door het Economisch en Sociaal Comité was voorgesteld, af te zien van een uniforme regeling voor de btw-heffing ter zake van de levering van bouwterreinen. Wel heeft de Europese Commissie conform het advies van het Europees Parlement het begrip ‘bouwterreinen’ beperkt tot: “bouwrijp gemaakte terreinen, dan wel terreinen met gebouwen in aanbouw of met gebouwen die voor de sloop bestemd zijn”.3
Dat het in de btw-heffing betrekken van de levering van bouwterreinen een zeer omstreden punt is geweest, blijkt ook uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn. Duitsland en Luxemburg hebben zich van meet af aan verzet tegen de voorgestelde (verplichte)4 btw-heffing over de levering van bouwterreinen. Btw-heffing over de levering van bouwterreinen zou volgens deze lidstaten aanzienlijke politieke, fiscale, sociale en bestuursrechtelijke problemen doen rijzen, zoals de noodzaak om bepaalde belastingen ten bate van de deelstaten en de gemeenten respectievelijk van de lokale bestuurseenheden te vervangen door de btw en de opheffing van de fiscale voordelen voor de sociale woningbouw.5 Ook België, Denemarken en Italië waren van mening dat de levering van bouwterreinen niet belast zou moeten worden.6 De Raad heeft tijdens de raadzitting van 24 november 1975 beslist dat de lidstaten de vrijheid krijgen om de levering van bouwterreinen uit te sluiten van btw-heffing onder de voorwaarde dat ‘deze kwestie op gezette tijden opnieuw wordt bezien’.7 Dit besluit ligt ten grondslag aan (thans) art. 371 jo. bijlage X, deel B, punt 9 Btw-richtlijn op grond waarvan lidstaten de levering van bouwterreinen in afwijking van (thans) art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn mogen blijven vrijstellen.
De lidstaten waren het erover eens dat de voorgestelde definitie van het begrip ‘bouwterreinen’ geschrapt moest worden en dat als bouwterreinen worden beschouwd: “al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen die door de lidstaten als bouwterreinen worden gedefinieerd”.8 In overeenstemming hiermee is in art. 4 lid 3, onderdeel b van het door de voorzitter ingediende herzien ontwerp van het Voorstel voor een zesde richtlijn opgenomen: “als bouwterreinen worden beschouwd de door de Lid-Staten te omschrijven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen”. Dit voorstel is blijkens art. 4 lid 3, onderdeel b Zesde Richtlijn door de lidstaten met een kleine terminologische wijziging aanvaard: “als bouwterreinen worden beschouwd de door de Lid-Staten als zodanig omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen”. De lidstaten zijn tevens overeengekomen om in de notulen van de raadszitting waarin de Zesde Richtlijn wordt aanvaard de volgende verklaring op te nemen: “De Raad en de Commissie verklaren dat de rechten tot het hoger optrekken van een reeds bestaand gebouw eveneens moeten worden beschouwd als bouwterreinen”.9 Met deze verklaring lijkt te zijn bedoeld dat een reeds bestaand gebouw bij een recht tot het hoger optrekken van dit gebouw niet aan de kwalificatie als bouwterrein – dit veronderstelt een onbebouwd terrein – in de weg mag staan. Bij de inwerkingtreding van de Btw-richtlijn is art. 4 lid 3, onderdeel b Zesde Richtlijn vervangen door art. 12 lid 3 Btw-richtlijn: “voor de toepassing van [art. 12; MvdW] lid 1, onder b) [Btw-richtlijn; MvdW] wordt als “bouwterrein” beschouwd, de door de lidstaten als zodanig omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen”. Met de terminologische wijzigingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.10