Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.5:3.5 Derde kernelement: de termijn voor het betalen van het verschuldigde belastingbedrag
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.5
3.5 Derde kernelement: de termijn voor het betalen van het verschuldigde belastingbedrag
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443543:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bekkers & Klemm, 2016.
De betalingsverplichting vloeit zodoende automatisch voort uit de wet. In sommige gevallen – bijvoorbeeld bij startende ondernemers die zich te laat melden bij de Belastingdienst – kan dit er zelfs toe leiden dat de betalingsverplichting eerder ontstaat dan de aangifteverplichting die in principe in het leven wordt geroepen door een actie van de inspecteur via het versturen van een uitnodiging tot het doen van aangifte.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor aanslagbelastingen wordt de betalingstermijn bepaald door het moment waarop het aanslagbiljet is gedagtekend. Vanaf dat moment heeft de belastingplichtige een termijn van zes weken om het verschuldigde bedrag te voldoen (artikel 9, lid 1, Invorderingswet 1990). In het geval van een navorderingsaanslag geldt een termijn van een maand (artikel 9, lid 2, Invorderingswet 1990). Ten tijde van de invoering van de AWR waren de betalingstermijnen voor belastingaanslagen van directe belastingen geregeld in artikel 8 van de Wet op de Invordering van 's Rijks Directe Belastingen 1845. Aanslagen waren in tien gelijke termijnen invorderbaar. De eerste termijn verviel op de laatste dag van de tweede maand van het dienstjaar, de tweede termijn verviel op de laatste dag van de derde maand, enzovoort. Bij aangiftebelastingen bepaalt artikel 10 AWR de termijn voor het indienen van een aangifte en artikel 19 AWR regelt de termijn van de daarbij behorende betaling.1 In dat laatste artikel is bepaald dat binnen een maand na afloop van het tijdvak c.q. na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, het verschuldigde bedrag moet worden voldaan of afgedragen (artikel 19, leden 1 en 3, AWR).2 Deze termijn geldt al sinds de invoering van de AWR. Als er een naheffingsaanslag is opgelegd dan geldt er een betalingstermijn van veertien dagen (artikel 9, lid 2, Invorderingswet 1990).
De verschillen tussen de heffingsmethoden zijn op het punt van de betalingstermijnen zodoende klein. In reguliere gevallen gaat het bij aanslagbelastingen om een termijn van zes weken, terwijl dat een maand is bij aangiftebelastingen; een verschil van circa twee weken.