Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.2.1
6.2.1 Onderzoeksopzet
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443549:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een rijksbegroting (voorheen: staatsbegroting) bevat jaarlijks een raming van de afzonderlijke belastingen die op dat moment ten behoeve van het rijk worden geheven. Allereerst heb ik een overzicht opgesteld van alle begrotingen van 1815 tot en met heden. Daarbij heb ik vanuit een oogpunt van doelmatigheid intervallen toegepast. De eerste begroting is die van 1815 (het begin van het Koninkrijk der Nederlanden), gevolgd door die van 1820 (het jaar voorafgaand aan de Stelselwet van 1821). Van 1820 tot en met 1959(invoering van de AWR) heb ik gewerkt met intervallen tien jaar en van 1960 tot en met 1999 met intervallen van vijf jaar. Van 2000 tot heden heb ik geen intervallen meer toegepast. Door te werken met intervallen bestaat het risico dat bepaalde belastingen (en hun parlementaire stukken) buiten beeld blijven. Dit risico acht ik aanvaardbaar omdat het dan belastingen betreft die een ‘levensduur’ hebben gehad van minder dan tien en later vijf jaar. Aan de hand van die begroting ben ik vervolgens nagegaan welke belastingen werden geheven. Vervolgens heb ik daar de betreffende belastingwetten bij gezocht, om ten slotte een overzicht te kunnen opstellen van een de voor dit onderzoek belangrijkste kenmerken.
In dit deelonderzoek richt ik me primair op de keuzes die in Nederland zijn gemaakt op het vlak van de rijksbelastingen. Om na te kunnen gaan hoe de wetgever bij invoering voor een bepaalde heffingsmethode kiest, is het in de eerste plaats van belang om zicht te hebben op de belastingen die tot nu zijn ingevoerd. Een overzicht daarvan blijkt echter niet te bestaan. Om die reden heb ik dat zelf opgesteld met behulp van informatie die voor handen is in de rijksbegrotingen (zie bijlage 4 en 5).1 Daaruit blijkt dat er zevenendertig rijksbelastingen zijn ingevoerd tussen 1820 en 2018. Vervolgens ben ik nagegaan of met betrekking tot deze belastingen in de parlementaire stukken en de fiscale literatuur een antwoord is te vinden op de vraag waarom daarbij is gekozen voor een bepaalde heffingsmethode.
Vervolgens ga ik na hoe gemeenten, provincies of waterschappen bij de door hen geheven belastingen een heffingsmethode kiezen. Bij een decentrale belasting moet immers ook worden gekozen hoe de heffing plaatsvindt. Daarbij kan worden gekozen uit heffing bij wege van aanslag, heffing bij wege van voldoening op aangifte en heffing op andere wijze. Met 12 provincies, 21 waterschappen en 355 gemeenten (2019) is dit in potentie een omvangrijke en interessante informatiebron. Tegelijkertijd is deze in omvang zodanig groot dat een afbakening noodzakelijk is. Om die reden en mede omdat het een aanvullend deelonderzoek betreft, heb ik ervoor gekozen om naast informatie in de literatuur het zoeken van aanvullende informatie te beperken tot die decentrale belastingen waarover de desbetreffende overheden informatie met betrekking tot de invoering hebben gepubliceerd op het internet.