Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.4:III.1.4 Opzet
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.4
III.1.4 Opzet
Documentgegevens:
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS298312:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het betoog is als volgt opgebouwd. Eerst wordt aandacht besteed aan de ontwikkelingen die tot de huidige situatie van procesdifferentiatie hebben geleid (§ 2). Daaropvolgend worden de huidige vormen van buitengerechtelijke afdoening beschreven, waarbij als gezegd in het bijzonder wordt stilgestaan bij de strafbeschikking en de toepassing van herstelbemiddeling. Ook wordt voor beide typen buitengerechtelijke afdoening zowel de (wettelijke) regeling als de praktijk in kaart gebracht. Dit laatste betekent ook dat ruime aandacht wordt besteed aan de ZSM-werkwijze (§ 3). Op welke grondslag de afdoening via het buitengerechtelijk spoor berust en welke rechtspolitieke keuzes in dat verband worden gemaakt, wordt in § 4 besproken. De invoering van het buitengerechtelijk spoor veronderstelt immers dat ook voor de hierbinnen afgedane strafbare feiten geldt dat strafrechtelijke handhaving is aangewezen. Gelet op de spilfunctie van het Openbaar Ministerie is het van belang de afwegingen ten aanzien van de subsidiariteit en proportionaliteit van strafrechtelijke afdoening te benoemen. Vervolgens wordt in § 5 ingegaan op het rechtstheoretisch concept van de wederkerige rechtsbetrekking met behulp waarvan de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening nader kunnen worden geduid. Tegen die achtergrond, en de in het licht van het in de eerdere paragrafen geschetste discours, wordt de vraag gesteld naar de rol van de rechtspraak en de waarden die de rechter vertegenwoordigt (§ 6). Na deze verkenning van het discours en de beschrijving van de huidige stand van zaken betreffende de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening, wordt in § 7 een aantal voorstellen gedaan voor nieuw in te voeren procesmodaliteiten dan wel voor aanpassingen binnen de regeling en praktijk van de bestaande modaliteiten. Die worden vervolgens, in aanvulling op wat daarover al is opgemerkt, getoetst op de vraag of de zodoende geboden rechtsbescherming volstaat, waarbij art. 6 EVRM als toetsingskader fungeert (§ 8). In dat verband wordt ook ingegaan op de vraag of en in hoeverre het recht op een eerlijk proces van toepassing is op de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening. Tot slot komen we tot een reflectie op de bevindingen, gevolgd door enkele conclusies (§ 9).