Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.2.3:II.4.2.3 Parlementaire geschiedenis van Titel 3.2 BW
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.2.3
II.4.2.3 Parlementaire geschiedenis van Titel 3.2 BW
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623667:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geldt er een soepel bepaaldheidsvereiste (bijvoorbeeld bepaalbaar) of een strikt bepaaldheidsvereiste (volledig bepaald)?
Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123-1124.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze subparagraaf geef ik het antwoord van de minister op de aanbeveling van de vaste Commissie voor Justitie om een regeling over de bepaaldheid van rechtshandelingen in Titel 3.2 BW vast te leggen, in zijn geheel weer. Deze uitgebreide parafrasering zal namelijk in de hierna volgende paragrafen als richtlijn dienen voor de vraag hoe (dat wil zeggen in welke dimensie)1 het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van verscheidene soorten rechtshandelingen, te weten verbintenisscheppende overeenkomsten (paragraaf 4.3), ‘zakelijke’ ofwel goederenrechtelijke overeenkomsten (paragraaf 4.4) en eenzijdige rechtshandelingen (paragraaf 4.5), dient te worden opgevat. Aan de hand van het antwoord op deze vraag kan vervolgens de betekenis van het bepaaldheidsvereiste voor de uiterste wilsbeschikking worden blootgelegd.
‘Onder verwijzing naar Hijma en Olthof, W.P.N.R. 5605 (1982) blz. 258 noot 3, gaf de Commissie als haar voorlopig oordeel te kennen dat het aanbeveling verdient in titel 3.2 een bepaling op te nemen, inhoudende dat iedere rechtshandeling waarvan de inhoud onvoldoende bepaalbaar is, nietig is.
Naar in de toelichting bij art. 6.5.2.10 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 895) [thans art. 6:227 BW, toev. NB] is opgemerkt, geldt het vereiste van een bepaald onderwerp [dat wil zeggen het bepaaldheidsvereiste, toev. NB] voor alle rechtshandelingen, doch behoeft dat niet uitdrukkelijk in de wet te worden vermeld; wel is het wenselijk geacht om voor de verbintenisscheppende overeenkomst de regel van de rechtspraak vast te leggen dat bepaalbaarheid voldoende is. Dit laatste wordt vervolgens aldus uitgewerkt, dat een verbintenis bepaalbaar is, wanneer de vaststelling kan geschieden naar van tevoren vaststaande criteria, die een subjectief element kunnen inhouden, in dier voege dat de nadere vaststelling van de inhoud aan een derde, ja zelfs aan een der partijen kan worden opgedragen, in welk laatste geval de vaststelling moet plaatsvinden met inachtneming van hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd.
Zoals uit het bovenstaande blijkt, is art. 6.5.2.10 bedoeld als een versoepeling voor de obligatoire overeenkomst van de voor alle rechtshandelingen geldende eis van een bepaald onderwerp [het bepaaldheidsvereiste, toev. NB], en wel één die niet los gezien kan worden van de eisen van redelijkheid en billijkheid waardoor de obligatoire overeenkomst blijkens art. 6.5.3.1 [thans art. 6:248 BW, toev. NB] mede wordt beheerst. De regel van art. 6.5.2.10 leent zich dan ook niet voor toepassing op alle andere rechtshandelingen dan obligatoire overeenkomsten. Dat voor de zakelijke overeenkomst een iets strikter stelsel geldt, blijkt uit de artt. 3.4.2.2 lid 2, 3.4.2.4 en 3.4.2.11 [thans artt. 3:84 lid 2, 3:89 en 3:98 BW, toev. NB] waarvan zeker het eerste artikel overigens op een ruime uitleg aanspraak kan maken, in het bijzonder wanneer het om overdracht bij voorbaat van toekomstige goederen gaat, zoals hieronder nog uitvoerig aan de orde zal komen in verband met het derde punt, dat door de commissie aan de orde is gesteld bij de artikelen 3.4.2.10, 3.4.2.2 lid 1, 3.4.2.7 lid 1 [thans artt. 3:97, 3:84 lid 1, 3:94 BW, toev. NB] en artikel 475 Rv. Men zie in dit verband ook artikel 3.9.1.5 lid 2 [thans art. 3:231 lid 2 BW, toev. NB]. Ook voor vele eenzijdige rechtshandelingen zou een algemene regel als die van art. 6.5.2.10 niet passend zijn. Zo zal uit een opzeggingsverklaring duidelijk moeten blijken op welke overeenkomst zij betrekking heeft en eventueel – afhankelijk van de wettelijke of contractuele regeling waarop de bevoegdheid tot opzegging berust – op welke grond en tegen welke termijn zij geschiedt; van een bevoegdheid van de opzeggende partij om hieromtrent later duidelijkheid te verschaffen of dat aan een derde over te laten, is geen sprake. Hetzelfde geldt voor eenzijdige rechtshandelingen strekkende tot ontbinding of vernietiging van overeenkomsten, tot verrekening van een schuld met een tegenvordering, etc. In het algemeen kan gezegd worden dat ten aanzien van eenzijdige rechtshandelingen veelal uit de wet voortvloeit aan welke vereisten zij naar vorm en inhoud moeten voldoen teneinde het beoogde rechtsgevolg in het leven te roepen, hetgeen tevens inhoudt dat zij, zo zij niet aan deze vereisten voldoen, nietig zijn. Ook om dit laatste te doen vaststaan, is derhalve geen algemene wetsbepaling in de trant van art. 6.5.2.10 nodig (curs. NB).’2
In de navolgende paragrafen zal ik op deze summiere uitleg van de minister inhaken en aan de hand van opmerkingen over het vereiste van een bepaald onderwerp (ofwel het bepaaldheidsvereiste) in de literatuur en jurisprudentie trachten om zijn betekenis voor de verscheidene rechtshandelingen te achterhalen. Het uiteindelijk doel hiervan is het inzichtelijk maken van de strekking van het bepaaldheidsvereiste voor de uiterste wilsbeschikking en daarmee het geven van het antwoord op de vraag in hoeverre het mogelijk is om een ander mede de inhoud van uiterste wilsbeschikkingen te laten bepalen.