Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.2.1
1.2.1 Probleemanalyse
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301669:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Westerman & Wissink 2008, p. 503 e.v.
Zie in gelijke zin over bestanddeelvorming Claeys 2013, p. 41: “To be sure, these legal tests are circular. One asks whether the proposed accessory is perceived so closely with the proposed principal asset that the former should be deemed an accessory to the latter; the other asks whether the former seems likely enough to be used beneficially as a package with the latter that it ought to be deemed a legal accessory to the latter.”
Zie in gelijke zin voor artikel 3:8 BW, dat een definitie van de beperkte rechten bevat, Koops 2014, p. 6. Ten aanzien van dat artikel merkt Snijders 2006, p. 835 op: “Deze vage formule geeft globaal aan welke in de wet geregelde rechten als een beperkt recht kunnen worden beschouwd en is niet bedoeld om dogmatische discussies te beslechten.” Wellicht geldt hetzelfde voor artikel 3:7 BW.
In dit boek bespreek ik een groot aantal aanspraken die in de Nederlandse literatuur als afhankelijke rechten (of nevenrechten) zijn aangemerkt. In hoofdstuk 20 geef ik een stappenplan om te bepalen wat mijns inziens de juiste kwalificatie is. Ik pas dit stappenplan als voorbeeld ook toe op veel van de in dit boek genoemde aanspraken.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528.
Zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 2017, para. 257. Een uitzondering vormt de bespreking door Rongen 2012, p. 1271. Hij doet een poging om tot een sluitende lijst te komen, maar kan niet voorkomen zijn toevlucht te zoeken in brede categorieën van nevenrechten waarop naar geldend recht weer uitzonderingen bestaan.
Cahen 2004, p. 25.
Raaijmakers 2001, p. 695, voetnoot 6.
Nieuwenhuis 1984, p. 103; Smits 2009, p. 161 e.v.
Asser/Vranken 2014, para. 43.
16. In dit boek probeer ik uit te werken wat naar mijn mening het achterliggende motief is van de verschillende regelingen om subjectieve rechten ‘aan te vullen’ met iets extra’s. Zo is het in dit boek neergelegde promotieonderzoek in eerste instantie echter niet begonnen. Oorspronkelijk was het idee om te schrijven over ‘afhankelijkheid en afhankelijke rechten in de zin van artikel 3:7 BW’. Het doel was om de vraag te beantwoorden wat het afhankelijkheidsbeginsel inhoudt, welke uitzonderingen er op dit beginsel bestaan en welke rechten (daarom) in welke mate afhankelijk zijn. Het bleek niet goed mogelijk om het onderzoek in deze originele opzet uit te voeren, omdat de onderzoeksvraag te smal was.1 Dat komt omdat afhankelijke rechten zich niet uit zichzelf laten verklaren. Dat is al snel te zien aan de definitiebepaling van afhankelijke rechten in art. 3:7 BW: “Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan”. Deze definitie bevat een cirkelredenering, omdat rechten afhankelijk zijn als ze niet zonder een ander recht kunnen bestaan, maar pas duidelijk is dat rechten niet zonder een ander recht kunnen bestaan als ze afhankelijk zijn.2 Het beschreven begrip komt dus (in andere woorden) terug in de omschrijving, die daarom ook als volgt had kunnen luiden: “Een afhankelijk recht is een recht dat afhankelijk is van een ander recht”.3 Voor het beantwoorden van de vraag of een bepaald recht afhankelijk is biedt dat geen werkbaar beoordelingskader. De discussies die in het verleden zijn gevoerd over de mogelijke afhankelijkheid van bepaalde rechten werden daardoor een strijd tussen wenselijkheidsargumenten en de vermeende grenzen van het vermogensrechtelijk systeem, vaak zonder dat deze argumenten daadwerkelijk handen en voeten kregen.4
17. Eenzelfde probleem speelt bij de nevenrechten, die eveneens door de wetgever zijn gedefinieerd op een manier die ons niet veel verder helpt. Art. 6:142 BW houdt een niet-limitatieve opsomming in van rechten die als nevenrechten gekwalificeerd moeten worden. Het artikel noemt onder meer pandrechten, rechten om bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen, rente en verbeurde dwangsommen. Uit deze lijst met nogal uiteenlo pende rechten kan geen duidelijk criterium worden afgeleid om te bepalen of andere, niet genoemde rechten, óók nevenrechten kunnen zijn (zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.3). Het is weinig behulpzaam dat de wetgever zelf in het midden laat of enkele van de in het artikel genoemde rechten wel als nevenrechten te kwalificeren zijn.5 In de literatuur wordt daarom bij de bespreking van nevenrechten volstaan met een aantal voorbeelden.6
18. Vergelijkbare problematiek speelt ten slotte bij de beoordeling van de vraag of een recht een kwalitatief recht is of niet. Volgens art. 6:251 BW is voor het kwalitatief zijn van een recht vereist dat het recht “in een zodanig verband [staat] met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij het goed behoudt”. Bij de meeste rechten die met een goed verbonden zijn, is het lastig om in abstracto te zeggen of ze ook dusdanig met het goed verbonden zijn dat slechts degene die het goed heeft er belang bij heeft de rechten uit te kunnen oefenen.7 Dat belang staat eigenlijk pas goed vast zodra in een concreet geval duidelijk is dat het recht bij het goed hoort. Net als bij de afhankelijke rechten kan daarom gezegd worden dat de wettelijke definitie van de kwalitatieve rechten een cirkelredenering inhoudt.8
19. De oorspronkelijke vraagstelling van dit onderzoek had betrekking op het ‘wat’ van afhankelijke rechten: wat is het afhankelijkheidsbeginsel, wat zijn de uitzonderingen op het afhankelijkheidsbeginsel, wat zijn de bestaande afhankelijke rechten? Deze vragen bleken bij nader inzien niet beantwoord te kunnen worden zonder het ‘waarom’ van afhankelijke rechten te bespreken. Dat is op zich niet erg. Onderzoek doen is een cyclisch proces en bij het onderzoeken komen nieuwe vragen en onderwerpen naar boven, waardoor de focus van een onderzoek kan veranderen.9 In het kader van wetenschappelijke openheid is het beter om daar eerlijk voor uit te komen en er een verklaring voor te geven.10 Nu het niet mogelijk bleek om het ‘wat’ van afhankelijke rechten te bespreken zonder eerst het ‘waarom’ te weten, heb ik het onderzoek uitgebreid. Gaandeweg bleek dat een soortgelijk probleem speelde bij de nevenrechten en de kwalitatieve rechten. De vraagstelling van het onderzoek is daarop aangepast. Het onderwerp van dit onderzoek is daarom niet (enkel) afhankelijke rechten, nevenrechten of kwalitatieve rechten, maar – zoals de titel van het voorliggende boek luidt – het ‘aanvullen van subjectieve rechten’. Deze titel is gekozen als overkoepelend begrip om al de verschillende onderzochte regelingen onder te vatten.