Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.2.1.2
5.2.1.2 Mogelijkheid tot vestigen van beperkte rechten
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958037:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij moet worden opgemerkt dat de kans niet groot is dat de stak als aandeelhouder bevoegd is tot bezwaren, omdat uit de rechtsverhouding tussen de stak en de certificaathouder in veel gevallen zal voortvloeien dat de stak de aandelen niet zal mogen bezwaren en vervreemden.
De wetgever gaf bij de introductie van deze onbeperkte mogelijkheid tot vestiging van vruchtgebruik aan dat een dergelijke vestiging veelal geschiedt ter uitvoering van een legaat aan de langstlevende echtgenoot om in zijn verzorging te voorzien. De minister vond het niet wenselijk dat die mogelijkheid statutair zou kunnen worden afgesneden. Kamerstukken II 1973/74, 12897, nr. 3. p. 4.
In de statuten kan een regeling worden opgenomen die afwijkt van de goedkeuringsregeling.
Volgens Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme verhindert dit niet dat aan de vruchtgebruiker een stemvolmacht kan worden gegeven. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013, nr. 420.
Net zoals bij een vruchtgebruik, is er volgens Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme geen bezwaar om een pandhouder aan wie het stemrecht niet kan toekomen, wel een stemvolmacht te geven. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013, nr. 429.
De vestiging van een beperkt recht op een aandeel kan ertoe leiden dat de zeggenschap en/of het economisch belang bij het aandeel aan een ander dan de aandeelhouder toekomt. Dit heeft weliswaar in beginsel geen gevolgen voor de bloot eigendom van de aandelen (en dus het behoud van de aandelen binnen de familie), maar kan er wel toe leiden dat het economisch belang bij de aandelen of de zeggenschap buiten de familie komt te liggen.1 Om die reden wordt in deze paragraaf kort ingegaan op de beperkte rechten die op een aandeel kunnen worden gevestigd. Dit zijn het recht van vruchtgebruik en het pandrecht.
Met betrekking tot het recht van vruchtgebruik bepaalt art. 2:197 lid 1 BW dat de bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op een aandeel niet bij de statuten kan worden beperkt of uitgesloten.2 In beginsel houdt de aandeelhouder, dus de stak, het stemrecht op de aandelen op het moment dat er een vruchtgebruik op de aandelen wordt gevestigd. Hier kan van worden afgeweken bij de vestiging van het vruchtgebruik of schriftelijk op een later moment. De aandeelhouder en de vruchtgebruiker mogen overeenkomen dat het stemrecht aan de vruchtgebruiker toekomt. Deze afspraak heeft direct effect op het moment dat de vruchtgebruiker een persoon is, aan wie de aandelen vrijelijk mogen worden overgedragen. Betreft het een persoon aan wie de aandelen niet vrijelijk mogen worden overgedragen, dan moet de overgang van het stemrecht worden goedgekeurd door een orgaan van de vennootschap. Dit orgaan is bij de statuten aangewezen en is, bij gebreke van een aangewezen orgaan, de algemene vergadering (art. 2:197 lid 3 BW).3 Vanuit het oogpunt van behoud van de aandelen binnen de familie is het goed voor te stellen dat een familie het stemrecht op de aandelen niet aan een derde wil toe laten komen. In de statuten kan worden uitgesloten dat het stemrecht wordt verleend aan een vruchtgebruiker aan wie de aandelen niet vrijelijk kunnen worden overgedragen.4
In tegenstelling tot het recht van vruchtgebruik, kunnen de statuten met betrekking tot het pandrecht bepalen dat dit niet op een aandeel kan worden gevestigd. Dit heeft tot gevolg dat aandelen niet kunnen worden vervreemd vanwege uitwinning door de pandhouder. Indien de vestiging van een pandrecht wel wordt toegestaan in de statuten, gelden voor de pandhouder die tot uitwinning van de aandelen wil overgaan dezelfde beperkingen in de overdracht als voor de aandeelhouder die bloot eigenaar van de aandelen is (art. 2:198 lid 6 BW). De pandhouder kan de rechter verzoeken om de bepalingen die de overdracht beperken buiten toepassing te verklaren (art. 2:195 lid 7 BW). De eventuele kwaliteitseisen alsmede de aanbiedingsverplichting die mogelijk van toepassing wordt blijven in dat geval wel in stand. Net als bij het recht van vruchtgebruik heeft de aandeelhouder in beginsel het stemrecht over de aandelen. De pandhouder en de aandeelhouder kunnen het stemrecht aan de pandhouder laten toekomen indien de aandelen vrijelijk aan de pandhouders zouden kunnen worden overgedragen. Is er geen vrije overdracht mogelijk, dan kan de pandhouder enkel het stemrecht verkrijgen als de overgang van het stemrecht wordt goedgekeurd door een orgaan van de vennootschap (art. 2:198 lid 3 BW). In de statuten kan worden opgenomen dat het stemrecht in geen enkel geval aan de pandhouder zal toekomen, ongeacht of de aandelen vrij aan hem kunnen worden overgedragen of niet.5