J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 416 Sr, aant. 2 (actueel t/m 1 augustus 2019). In aant. 4 op art. 420bis Sr (actueel t/m 15 september 2019) wordt door Fokkens voor de betekenis van onder meer het begrip ‘voorhanden hebben’ in art. 420bis Sr verwezen naar eerstgenoemde aantekening.
HR, 19-05-2026, nr. 25/00518
ECLI:NL:HR:2026:758
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-05-2026
- Zaaknummer
25/00518
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:758, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑05‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2025:265
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:79
ECLI:NL:PHR:2026:79, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:758
Uitspraak 19‑05‑2026
Inhoudsindicatie
(Medeplegen) witwassen van geldbedrag (€ 6.100) door bankrekening ter beschikking te stellen aan zijn drugsdealer t.b.v. bankfraude t.a.v. stichting, art. 420bis.1.b Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring. Is in bewezenverklaring sprake van plegen en medeplegen witwassen m.b.t. dezelfde geldstroom? 3. Oplegging schadevergoedingsmaatregel t.b.v. stichting, art. 36f Sr. Kon hof oordelen dat is voldaan aan vereisten voor schadevergoedingsmaatregel, nu benadeelde partij n-o is in vordering? 4. Strafmotivering (voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken en taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis). Toepassing LOVS-oriëntatiepunten. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00518
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2025, nummer 23-001454-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Kocabas bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.
Conclusie 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. M1 + M2: innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering t.a.v. plegen als medeplegen witgewassen geldbedrag?, M3: oplegging svm t.b.v. stichting die door fraude het geldbedrag dat is witgewassen op rekening van vte heeft gestort. M4: motivering strafoplegging. De middelen falen, art. 81 lid 1 RO. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00518
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 31 januari 2025 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001454-24) wegens “witwassen en medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft ten behoeve van het slachtoffer (genoemde Stichting) een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 6.100,- en de duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 65 dagen. Verder heeft het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tenuitvoerlegging.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
De verdachte heeft zich blijkens het arrest van het hof door zijn drugsdealer als geldezel laten gebruiken om een van de [benadeelde] via bankfraude verkregen geldbedrag van € 6.100,- wit te wassen. Hij heeft zijn bankrekening aan hem ter beschikking gesteld en daarmee criminele activiteiten op zijn rekening mogelijk gemaakt. De eerste twee middelen komen op tegen de bewezenverklaring, het derde middel tegen de door het hof ten behoeve van genoemde Stichting opgelegde schadevergoedingsmaatregel en het vierde middel tegen de door het hof voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.
3. Het eerste en het tweede middel
3.1
Beide middelen richten zich tegen de bewezenverklaring en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen ontoereikend is gemotiveerd en het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is.
3.2
Aan de verdachte is (primair) ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 10 november 2023 te Diemen en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (van) een voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van (ongeveer) 6.100,-- euro,
heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer) 6.100,- euro gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig wa(s)(ren) uit enig (eigen) misdrijf”
3.3
Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 10 november 2023 in Nederland een voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van 6100,-- euro, voorhanden heeft gehad,
- een geldbedrag van 5.000,-- euro heeft overgedragen
en tezamen en in vereniging met een ander
- een geldbedrag van 1.100,-- heeft overgedragen
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”
3.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023258626-2 van 14 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Eenheid Amsterdam [doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 8].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 2] :
Van de kamer van koophandel kreeg ik een bericht dat er sprake was van nieuwe regelgeving en dat ik me opnieuw moest identificeren. Dat kon via een QR-code, via welke ik bij een formulier kwam dat ik invulde voor een stichting waar ik in het bestuur zit. Een half uur later werd ik gebeld door een medewerker van de SNS-bank, die zei dat ze een melding hadden ontvangen dat het adres van de rekeninghouder was gewijzigd en hij vroeg of ik daar iets van wist. Toen ik dat ontkende zei hij dat er al geprobeerd was om 1100 euro over te maken naar een banknummer in Duitsland. Hij wilde vervolgens mij helpen om het veilig te maken en te zorgen dat criminelen niet konden bankieren via onze rekening. Hij liet mij inloggen in de bankrekening en vroeg hoe hoog het saldo was. Om te testen of alles nog wel werkte vroeg hij mij om een bedrag in te toetsen en ik moest ook een banknr en een naam invullen. Vervolgens controleerde hij of de overboeking ging lukken, maar het bedrag bleef de vermelding "in behandeling" houden. Toen gaf hij aan het met een ander nummer te willen checken en ook dat nummer vulde ik in met een bedrag van 6100 euro. Na een paar uur was ik toch niet zeker over en toen ik opnieuw inlogde bij de SNS-bank bleek er één maal 6100 euro afgeschreven te zijn. Toen wist ik zeker dat ik slachtoffer was van fraude.
Datum aanklikken link: 10-11-2023
Tijd aanklikken link: 17:40
[…]
Bankrekeningnummer andere partij: [rekeningnummer]
Naam rekeninghouder andere partij: [verdachte]
Wat is het bedrag of de waarde van de betaling: 6100,00
Datum betaling: 10-11-2023
2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer PL1300-2023258626-5 van 27 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] , agent werkzaam bij de Eenheid Amsterdam en [verbalisant 3] , brigadier werkzaam bij de Eenheid Amsterdam [doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 30].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
O: Je wordt verdacht van cybercrime/oplichting. Dit heeft plaatsgevonden 10 november 2023 om 19:41 in [plaats] . Er is een bedrag van 6100,00 euro bijgeschreven op het rekeningnummer [rekeningnummer] . Uit onderzoek blijkt dat dit rekeningnummer op
jouw naam te staan.
V: Wat kan jij daar over vertellen?
A: Ik ben benaderd door een persoon die ik ken. Ik weet niet waar die persoon woont. Die heeft mij benaderd met een verhaal dat hij geld had waar hij niet bij kon. Hij zou het geld op mijn rekeningnummer storten 6100 euro. Ik heb toen 5000 euro opgenomen en heb dat contant aan hem gegeven. De overige 1100 euro heeft hij met mijn telefoon overgemaakt naar een ander bankrekeningnummer, ik denk het nummer van zijn maat. [...]
V: Waar ken je die persoon van?
A: Hij is eigenlijk mijn drugsdealer. Ik weet alleen zijn bijnaam ‘ [betrokkene 1] ’.
[…]
V: Ben jij daar toe gedwongen?
A: Nee, het kwam op een moment dat ik geld nodig had.
V: Hoeveel geld heb je er zelf aan overgehouden?
A: Iets van 500 euro. Die kreeg ik contant bij het pinnen.”
3.5
Het bestreden arrest houdt verder de volgende bewijsoverweging in:
“De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde, in die zin dat de verdachte de pleger is van witwassen en dient te worden vrijgesproken van het medeplegen.
De raadsman heeft bepleit dat op basis van de verklaring van de verdachte en op basis van het procesdossier uitgesloten kan worden dat de verdachte op enig moment weet had van de overboeking door de Stichting, benadeelde partij in deze zaak, en de toedracht daarvan. De verdachte kan niet direct aan de oplichting gekoppeld worden en dus kan niet geconcludeerd worden dat de verdachte in vereniging heeft deelgenomen aan het witwassen. Er is sprake van medeplichtigheid en dat is niet tenlastegelegd. De verdediging verzoekt daarom om vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Ook is er geen sprake van verduistering.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij was benaderd door iemand om wat geld op zijn bankrekeningnummer te laten storen. Het gaat om een persoon met de bijnaam ‘ [betrokkene 1] ’. [betrokkene 1] is de drugsdealer van de verdachte. Hij benaderde de verdachte met het verhaal dat hij geld had waar hij niet bij kon. Een bedrag van € 6.100,00 werd vervolgens overgemaakt door de [benadeelde] naar de bankrekening op naam van de verdachte. De verdachte heeft toen € 5.000,00 contant opgenomen en aan [betrokkene 1] gegeven. De overige € 1.100,00 heeft [betrokkene 1] met de telefoon van de verdachte overgemaakt naar een ander bankrekeningnummer. Aanvankelijk heeft de verdachte verklaard hier niets mee verdiend te hebben maar later heeft de verdachte verklaard dat hij een bedrag van ongeveer € 500,00 hieraan heeft overgehouden. Dit bedrag kreeg hij contant toen het bedrag van € 5.000,00 werd gepind.
Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat de verdachte zich als geldezel heeft laten gebruiken om crimineel geld wit te wassen. Met zijn handelswijze was de verdachte zich minst genomen bewust van de aanmerkelijke kans dat het geld van misdrijf afkomstig was en heeft hij deze kans ook aanvaard. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte het geldbedrag voorhanden heeft gehad, grotendeels heeft overgedragen en daarbij zelf ook een deel eraan heeft overgehouden. Het hof acht voorwaardelijk opzet op witwassen aan de kant van de verdachte bewezen.
Het hof heeft uit het dossier niet kunnen opmaken dat bij het voorhanden hebben van dit geldbedrag sprake was van betrokkenheid van een ander. Ten aanzien van het overdragen van ditzelfde geldbedrag zijn daarvoor wel aanknopingspunten in het procesdossier. De verdachte heeft immers, na het contant opnemen van een geldbedrag van € 5.000,00, naar zijn verklaring € 4.500,00 direct aan [betrokkene 1] overgedragen en daarbij € 500,00 kennelijk als beloning zelf mogen behouden. [betrokkene 1] heeft vervolgens het overige gedeelte, te weten het bedrag van € 1.100,00 overgemaakt naar een ander rekeningnummer. De verdachte heeft aldus het geldbedrag € 6.100,00 voorhanden gehad en dit geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander overgedragen.”
3.6
In de toelichting op het eerste middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de ander bij het witwassen van het bedrag van € 1.100,-. Van een gezamenlijke uitvoering of opzetafstemming zou geen sprake zijn. Volgens de steller van het middel rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat een ander gebruik maakt van de telefoon of bankrekening van de verdachte niet het oordeel dat sprake is van medeplegen. Het samenwerkingsverband zou ontoereikend zijn gemotiveerd. De toelichting op het tweede middel houdt in dat in de bewezenverklaring sprake is van het plegen en medeplegen van witwassen met betrekking tot dezelfde geldstroom van € 6.100,-, terwijl een zodanige “gesplitste rol” (het zijn van pleger en medepleger) juridisch niet mogelijk zou zijn. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring door deze innerlijke tegenstrijdigheid onbegrijpelijk.
3.7
Aan de verdachte is het (mede)plegen van het witwassen van een geldbedrag van € 6.100,- ten laste gelegd. Het hof heeft de door de verdachte betreffende dit geldbedrag verrichte gedragingen uitgesplitst en daarbij bewezenverklaard dat de verdachte als pleger een geldbedrag van € 6.100,- voorhanden heeft gehad en een geldbedrag van € 5.000,- heeft overgedragen en als medepleger een geldbedrag van € 1.100,- heeft overgedragen.
3.8
In de nadere bewijsoverweging – zie onder 3.5 – heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door ene ‘ [betrokkene 1] ’, die de drugsdealer van de verdachte is, was benaderd om wat geld op zijn bankrekening te laten storten. Het zou gaan om geld waar [betrokkene 1] niet bij kon. Vervolgens is een bedrag van € 6.100,- door de [benadeelde] overgemaakt naar de bankrekening op naam van de verdachte. De verdachte heeft toen € 5.000,- contant opgenomen en aan [betrokkene 1] gegeven, terwijl [betrokkene 1] de overige € 1.100,- met de telefoon van de verdachte naar een ander bankrekeningnummer heeft overgemaakt. De verdachte heeft toen hij de € 5.000,- in contanten opnam € 500,- mogen houden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat bij het voorhanden hebben van “dit geldbedrag” (dat wil zeggen € 6.100,-, PHvK) door de verdachte sprake was van de betrokkenheid van een ander, terwijl daarvoor ten aanzien van het overdragen van “ditzelfde geldbedrag” wel aanknopingspunten in het procesdossier te vinden zijn. Volgens het hof heeft de verdachte immers na de contante opname van een geldbedrag van € 5.000,- naar zijn eigen verklaring € 4.500,- direct aan [betrokkene 1] overgedragen en daarbij € 500,- kennelijk als beloning zelf mogen houden. Het overige gedeelte (€ 1.100,-) heeft [betrokkene 1] vervolgens (met de telefoon van de verdachte) overgemaakt naar een ander rekeningnummer.
3.9
Het hof kon mijns inziens oordelen dat de verdachte het totaalbedrag van € 6.100,- als pleger voorhanden heeft gehad in die zin dat de verdachte degene was die de feitelijke zeggenschap1.over dit geldbedrag had doordat dit geldbedrag op zijn bankrekening stond. Hoewel het hof ook heeft bewezenverklaard dat de verdachte het geldbedrag van € 5.000,- in de rol van pleger heeft overgedragen, lijkt het hof in de nadere bewijsoverweging op dit punt uit te gaan van medeplegen. Het hof overweegt immers dat het procesdossier aanknopingspunten bevat dat een ander betrokken was bij het overdragen van “dit geldbedrag” (dat wil zeggen € 6.100,-, PHvK). Het hof sluit de bewijsoverweging ook af met de woorden “De verdachte heeft aldus het geldbedrag van € 6.100,00 voorhanden gehad en dit geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander overgedragen.” Het hof lijkt uit de verklaring van de verdachte over de opname van het geldbedrag van € 5.000,- af te leiden dat [betrokkene 1] daarbij aanwezig was en dat [betrokkene 1] (toen) de overige € 1.100,- met de telefoon van de verdachte naar een ander rekeningnummer heeft overgemaakt. Waar het hof kennelijk onvoldoende grond zag om bewezen te verklaren dat de verdachte het bedrag in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander voorhanden heeft gehad, volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte het bedrag als medepleger heeft overgedragen. In zoverre sluit de bewezenverklaring wat betreft het geldbedrag van € 5.000,- niet aan bij de bewijsvoering voor zover slechts is bewezenverklaard dat de verdachte dit bedrag dat hij als pleger voorhanden heeft gehad ook als pleger heeft overgedragen. Dat men een bedrag als pleger voorhanden heeft en dit bedrag vervolgens in een nauwe en bewuste samenwerking overdraagt is op zichzelf niet innerlijk tegenstrijdig. Dat de bewezenverklaring en de bewijsvoering in voormeld opzicht niet zuiver bij elkaar aansluiten, doet bovendien niet af aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Het bij witwassen als pleger voorhanden hebben van een bedrag geldt immers niet als zwaarder dan het als medepleger voorhanden hebben van dat bedrag, terwijl ook het tezamen en in vereniging met een ander plegen van het feit – ook als het daarbij gaat om overdragen – bij het delict witwassen geen strafverzwarende omstandigheid is. De verdachte heeft geen belang bij deze klacht nu uit de strafmotivering bovendien niet blijkt dat het volgens de bewezenverklaring enkel als pleger hebben overgedragen van € 5.000,- of het juist volgens de bewijsvoering als medepleger hebben overgedragen van dit bedrag in strafverzwarende zin een rol bij de strafoplegging heeft gespeeld. Verder is van belang dat in cassatie in het bijzonder wordt geklaagd over de ontoereikendheid van het bewijs van het medeplegen bij het overdragen van het (resterende) geldbedrag van € 1.100,-. Dat daarvan sprake is heeft het hof mijns inziens zonder meer kunnen afleiden uit de vaststellingen dat dit geldbedrag door [betrokkene 1] naar een ander rekeningnummer is overgemaakt, dat dit overmaken met de telefoon van de verdachte plaatsvond en dat dit gebeurde nadat de verdachte al het geldbedrag van € 5.000,00 van zijn rekening had gepind ten behoeve van [betrokkene 1] die daarbij aanwezig was en de verdachte € 500,- als buit had ontvangen.
3.10
Zowel het eerste als het tweede middel faalt.
4. Het derde middel
4.1
Het middel komt op tegen de beslissing van het hof tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] .
4.2
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 2] , bestuurder van de [benadeelde] , blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel enkel gezamenlijk met andere bestuurders bevoegd is om de stichting te vertegenwoordigen. Er is geen stuk waaruit blijkt dat [betrokkene 2] zelfstandig bevoegd is of daartoe gemachtigd is om de vordering in te stellen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat [betrokkene 2] zelfstandig bevoegd zou zijn de vordering in onderhavige strafzaak te handhaven namens de [benadeelde] . Enig aanknopingspunt dat de medebestuurders hebben ingestemd met het indienen en handhaven van de vordering en daartoe [betrokkene 2] gemachtigd, ontbreekt. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel zijn de bestuurders enkel gezamenlijk bevoegd. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het hof een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij zal het hof de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast, bepalen op ten hoogste 65 dagen.”
4.3
In de toelichting op het middel komt naar voren dat in het geval de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering niet zonder nadere motivering kan worden geoordeeld dat aan de vereisten voor een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr is voldaan. Uit het bestreden arrest zou niet blijken waarom het hof die maatregel desondanks passend acht.
4.4
Vooropgesteld moet worden dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd en dat deze ook kan worden opgelegd indien het slachtoffer – zoals in het onderhavige geval – niet in haar vordering kan worden ontvangen.2.
4.5
Art. 36f Sr bepaalt kort gezegd dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van – voor zover hier van belang – het slachtoffer, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij geldt dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband dient te bestaan om te kunnen aannemen dat het slachtoffer door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.3.
4.6
Het hof heeft geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.100,00 en dat de verdachte gehouden is die schade te betalen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het bedrag van € 6.100,- door de [benadeelde] als gevolg van fraude op de bankrekening van de verdachte is overgemaakt en de verdachte vervolgens € 5.000,- contant heeft opgenomen en aan de mededader heeft gegeven en € 1.100,- door de mededader met de telefoon van de verdachte naar een ander rekeningnummer is overgemaakt. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep ook aangegeven dat wat hem betreft vaststaat dat er € 6.100,- is weggenomen van de Stichting en ook in cassatie is de schade – begrijpelijkerwijs – niet bestreden. Overigens merk ik nog op dat het hof niet heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de [benadeelde] geleden schade.4.
4.7
Het middel faalt.
5. Het vierde middel
5.1
Het middel houdt in dat de oplegging door het hof van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken in combinatie met een taakstraf van 60 uren ontoereikend is gemotiveerd.
5.2
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
“Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder het primaire tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
De raadsman heeft het hof verzocht een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, gezien zijn verslavingsproblematiek.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen door zijn bankrekening aan een ander ter beschikking te stellen en daarmee criminele activiteiten op die rekening mogelijk gemaakt. De verdachte heeft een bedrag van € 6.100,00 afkomstig uit enig misdrijf voorhanden gehad en nagenoeg geheel overgedragen. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen. De verdachte is zowel in eerste aanleg als tweede aanleg niet ter terechtzitting verschenen en heeft op geen enkel moment spijt betuigd en dat rekent het hof hem aan.
Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin als oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag tot € 10.000,00 een gevangenisstraf voor de duur van een week tot twee maanden of een taakstraf is opgenomen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit en dat de verdachte niet eerder witwasgerelateerde feiten heeft gepleegd, ziet het hof geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan deze straf te koppelen.
[…]
BESLISSING
Het hof:
[…]
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.”
5.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de door het hof opgelegde combinatie van straffen weliswaar mogelijk is, maar dat de oplegging van deze straffen wel toereikend dient te worden gemotiveerd, temeer nu het gaat om een relatief gering bedrag (€ 6.100,-), het een eerste witwasfeit betreft en de LOVS-richtlijn bij deze feitencombinatie uitsluitend een taakstraf als uitgangspunt noemt. Volgens de steller van het middel heeft het hof nagelaten te motiveren waarom in dit concrete geval een gevangenisstraf geboden is en is evenmin onderbouwd waarom de afwezigheid van de verdachte bij de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep tot een strengere straf dan gebruikelijk leidt. De strafoplegging zou wat betreft de opgelegde gevangenisstraf daarom ontoereikend zijn gemotiveerd.
5.4
Ik merk allereerst op dat voor zover wordt aangevoerd dat de LOVS-richtlijn uitsluitend een taakstraf als uitgangspunt zou noemen eraan voorbij wordt gezien dat – zoals het hof ook met juistheid overweegt – de LOVS-richtlijn voor “Fraude” onder sub a vermeldt dat bij een benadelingsbedrag tot € 10.000,- het oriëntatiepunt “1 week – 2 maanden GS ov / TS ov” is.5.Verder verdient opmerking dat het vonnis weliswaar in het bijzonder de redenen dient op te geven die de straf hebben bepaald (art. 359 lid 5 Sv), maar dat slechts bij oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt – voor zover hier van belang: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – het arrest in het bijzonder de redenen geeft die tot de keuze voor deze strafsoort hebben geleid (art. 359 lid 6 Sv). Tevens geldt dat de keuze van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten is voorbehouden aan de feitenrechter en dat deze keuze geen motivering behoeft.6.
5.5
Het bestreden arrest houdt in dat het hof bij het bepalen van de straf, als bedoeld in art. 359 lid 5 Sv, in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen door een bedrag van € 6.100,- afkomstig uit enig misdrijf voorhanden te hebben en nagenoeg geheel over te dragen. Daarbij wijst het hof op de negatieve gevolgen die een dergelijk handelen voor de samenleving heeft. Ook rekent het hof het de verdachte aan dat hij zich ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft verantwoord voor zijn handelen en dat hij op geen enkel moment spijt heeft betuigd. Verder heeft het hof acht geslagen op het oriëntatiepunt “Fraude” uit de LOVS-oriëntatiepunten. Alles afwegend acht het hof een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden. Daarbij merkt het hof nog op dat gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat de verdachte niet eerder witwasgerelateerde feiten heeft gepleegd er geen aanleiding is om bijzondere voorwaarden aan “deze straf” te koppelen. Het dictum van het arrest houdt in dat het hof de verdachte veroordeelt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
5.6
Hoewel de vermelding van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken in de strafmotivering zelf ontbreekt kan mijns inziens uit de door het hof gebezigde zinsnede “ziet het hof geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan deze straf te koppelen” worden afgeleid dat de vermelding van de gevangenisstraf als gevolg van een kennelijke misslag in de strafmotivering ontbreekt. De in genoemde zinsnede voorkomende woorden “die straf” kunnen namelijk niet terugslaan op de opgelegde taakstraf, nu deze straf niet in voorwaardelijke vorm is opgelegd. Ook de door het hof in aanmerking genomen oriëntatiepunten wijzen niet in de richting van een andere straf dan een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf of taakstraf. Vermoedelijk heeft het hof genoemde zinsnede (mede) opgenomen in reactie op de vordering van de Advocaat-Generaal bij het hof, die naast een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken “met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd” heeft gevorderd. Over de (begrijpelijkheid van de) hoogte van de opgelegde gevangenisstraf wordt in cassatie overigens niet geklaagd.
5.7
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen hetgeen onder 5.4 is vooropgesteld, meen ik dat het hof in het arrest in toereikende mate de redenen heeft opgegeven die de straffen hebben bepaald. Daarbij telt dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken ook ruim binnen de bandbreedte van het door het hof aangehaalde oriëntatiepunt blijft en door de verdediging in verband met de strafoplegging enkel is aangevoerd dat de verdachte “een positieve weg is ingeslagen en hulp aanvaardt” zodat een deels voorwaardelijke taakstraf met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering zou moeten worden opgelegd.
5.8
Het middel faalt.
6. Afronding
6.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑03‑2026
Zie het overzichtsarrest vordering benadeelde partij HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt Vellinga, r.o. 2.9.2. waarin wordt verwezen naar HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9053, NJ 2003/608, HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5730, NJ 2011/329 en HR 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1844, NJ 1993/585 m.nt. Knigge.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt Vellinga, r.o. 2.3.1 en 2.9.1.
Zie bijv. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3, NJ 2023/47, r.o. 2.8.1 en 2.8.2.
Zie bijv. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.