Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.2:4.2.2 Subjectieve vrijstellingen
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.2
4.2.2 Subjectieve vrijstellingen
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398326:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vennootschapsbelasting geldt een aantal subjectieve vrijstellingen. In eerste instantie zijn dat de lichamen genoemd in art. 5 Wet VPB 1969. Deze lichamen zijn vrijgesteld vanwege het sociale karakter of vanwege het algemeen maatschappelijk belang. De lichamen die zijn vrijgesteld, zijn:
Natuurschoonwetlichamen
Pensioen – en VUT fondsen
Instellingen van weldadigheid of van algemeen nut
Landbouwbedrijven en schade – en uitvaartverzekeraars
Ziekenfondsen en dergelijke
Uitvoeringsinstellingen
Openbare leeszalen en bibliotheken
Vanaf 1 januari 2012 is op grond van art. 6 Wet VPB 1969 voor “kleine’’ verenigingen en stichtingen een vrijstelling opgenomen. Indien de winst van deze lichamen in een jaar niet meer bedraagt dan € 15.000, dan wel de winst van het jaar en de daaraan voorafgaande jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 75.000 zijn deze lichamen subjectief vrijgesteld van belasting. Deze vrijstelling heeft als achtergrond kleine verenigingen en stichtingen niet op te zadelen met belastingplicht en alle verplichtingen die een dergelijke plicht met zich meebrengt. Oorspronkelijk gold er alleen een subjectieve vrijstelling op grond van art. 6 Wet VPB 1969 voor stichtingen en verenigingen die een algemeen maatschappelijk belang behartigden. Ter vereenvoudiging van de fiscale wetgeving en vermindering van administratieve lasten is de vrijstelling uitgebreid en van toepassing op alle stichtingen en verenigingen, ongeacht of er een maatschappelijk belang behartigd wordt.
Vanaf 1 augustus 2007 geldt op grond van art. 6a Wet VPB 1969 een subjectieve vrijstelling voor de vrijgestelde beleggingsinstelling. Het specifieke beleggingsregime voor vrijgestelde beleggingsinstellingen wordt in mijn onderzoek omwille van de omvang niet nader uitgewerkt en vergeleken met eventuele Duitse fiscale regimes voor beleggingsinstellingen.
Vanaf 1 januari 2016 is de vennootschapsbelasting voor overheidslichamen ingrijpend gewijzigd (zie ook hoofdstuk 4.2.1.3.3.). Vanaf die datum geldt er op grond van art. 6b Wet VPB 1969 onder voorwaarden een subjectieve vrijstelling voor academische ziekenhuizen en (publiek) bekostigde onderwijsinstellingen. Op grond van art. 6c gold een tijdelijke subjectieve vrijstelling (tot 1 januari 2017) voor de aldaar genoemde zeehavens. Op de subjectieve belastingplicht en vrijstellingen vennootschapsbelasting voor overheidslichamen zal ik in mijn onderzoek niet nader ingaan.