RAR 2019/98
Faillissement werkgever. Prejudiciële vragen: wie is bij een arbeidsovereenkomst met een vof aan te merken als werkgever?
HR 19-04-2019, ECLI:NL:HR:2019:649
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
19 april 2019
- Magistraten
Mrs. C.A. Streefkerk, M.V. Polak, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff
- Zaaknummer
18/02700
- Conclusie
A-G mr. E.B. Rank-Berenschot
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS55035:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2019:649, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 19‑04‑2019
ECLI:NL:PHR:2019:189, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑03‑2019
- Wetingang
Art. 3:228 aanhef en onder e BW; art. 66 WW; art. 40 lid 2 Fw
Essentie
Faillissement werkgever. Vennootschap onder firma. Hoofdelijke verbondenheid. Loonvordering.
Prejudiciële vragen: wie is bij een arbeidsovereenkomst met een vof aan te merken als werkgever?
Samenvatting
Een vennootschap onder firma (vof) en de beide vennoten zijn in 2015 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement van de vennoten is omgezet in een wettelijke schuldsaneringsregeling; het faillissement van de vof is opgeheven wegens een gebrek aan baten. Het UWV heeft de loondoorbetalingsverplichting deels overgenomen en dient om die reden diverse vorderingen in bij de bewindvoerder van de beide vennoten. De rechtbank heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld onder meer om ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.