Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (R&P nr. VG7) 2013/3.2.3.3
3.2.3.3 Bezwaren tegen de theorie van de aanbestedingsovereenkomst
mr. A.J. van Heeswijck, datum 28-11-2013
- Datum
28-11-2013
- Auteur
mr. A.J. van Heeswijck
- JCDI
JCDI:ADS583212:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Aanbestedingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, nr. 41; Ruygvoorn 2009, p. 16-17.
In beginsel, want ingevolge art. 3:35 BW kan op het ontbreken van een met een verklaring of gedraging corresponderende wil geen beroep worden gedaan tegen hem die de verklaring of de gedraging van die ander overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking. Zie uitgebreid over de wilsvertrouwensleer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, nr. 119 e.v.
Art. 1021 Rv.
Van Nouhuys 1986, p. 38.
Van den Berg 1987, p. 92.
Van den Berg 1987, p. 92. Zie voorts Van den Berg 1991, p. 25. Overigens zag Van den Berg 1987, p. 92-93, in navolging van Van Nouhuys 1986, p. 38-39, wel ruimte om de instemming met de toepasselijkheid van het UAR uit de concrete omstandigheden van het geval af te leiden. Rozemond 1987, p. 94, constateerde dat in de praktijk niemand er belang bij had de geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage te betwisten. Inschrijvers niet, omdat zij moeilijk een beroep konden doen op het reglement zonder het daarin vervatte arbitragebeding te aanvaarden. De aanbesteder niet, omdat hij zelf geschillenbeslechting door middel van arbitrage had bedongen. Hieraan kan worden toegevoegd de RvA, die zijn bestaansrecht als beslechter van aanbestedingsgeschillen aan het arbitragebeding ontleende.
De instemming van de inschrijver wordt immers niet in strijd met de werkelijke toestand aangenomen, maar verondersteld aanwezig te zijn. De fictie en het onweerlegbaar (rechts) vermoeden liggen dicht tegen elkaar aan, maar zijn niet hetzelfde; Zwart 2010, p. 208-209; Pitlo/ Hidma & Rutgers 2004, p. 40. Zie voor het onderscheid voorts Asser/Scholtens 1974, p. 51.
Zie bijv. art. 1.3.6 ARW 2012.
Zie hierna ยง 2.3.4.
Zie ook Ruygvoorn 2009, p. 45.
In die zin expliciet Zonderland 1975, p. 260. Zie tevens Spier 1981, p. 64. Een diligentieovereenkomst is een overeenkomst die stilzwijgend tot stand zou komen, zodra partijen in onderhandeling treden over het sluiten van een overeenkomst en die partijen verplicht in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid te onderhandelen; Ruygvoorn 2009, p. 45.
Zie Jansen 2009, p. 35. Zie ook Van Nouhuys 1986, p. 45, die stelt dat de beoordeling van het gedrag van partijen aan de hand van de criteria voor wanprestatie eerder tot een resultaat kan leiden. Wedekind 2001, p. 17 wijst op een mogelijk psychologisch voordeel; contractuele gebondenheid zou partijen tot nauwkeuriger en zorgvuldiger gedrag aansporen.
Vgl. HR 26 september 2003, NJ 2004, 460 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax).
Ruygvoorn 2009, p. 45-46. Zie voor een literatuuroverzicht Blei Weissmann (Verbintenissenrecht I), art. 6:217-227. I BW, aant. 44.4. De meest felle tegenstander van de diligentieovereenkomst is waarschijnlijk wel Hardenberg 1967.
Aan een beroep op de redelijkheid en billijkheid bestaat zoals gezegd geen behoefte, wanneer de aanbesteder reeds op grond van de Aanbestedingswet 2012 gebonden is aan de aanbestedingsrechtelijke beginselen.
De opvatting dat de rechtsverhouding tussen aanbesteder en inschrijver als een overeenkomst moet worden gekwalificeerd, deel ik niet. Tegen de theorie van de aanbestedingsovereenkomst zijn ten minste twee bezwaren aan te voeren.
Het eerste bezwaar is hoofdzakelijk van theoretische aard. In het Nederlandse overeenkomstenrecht geldt contractsvrijheid als belangrijk uitgangspunt. 1 Contractsvrijheid omvat tevens het recht om niet een overeenkomst te sluiten. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.2 Zowel aanbod als aanvaarding is een rechtshandeling. Een rechtshandeling vereist blijkens artikel 3:33 BW een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is dus in beginsel wilsovereenstemming noodzakelijk.3 In de rechtsverhouding tussen aanbesteder en inschrijver is wilsovereenstemming lang niet altijd te bespeuren.
Inspirerend in dit verband is de discussie naar aanleiding van de totstandkoming en invoering van het UAR 1986. De discussie over de kwalificatie van de rechtsverhouding won destijds sterk aan belang, doordat in artikel 41 lid 1 UAR 1986 de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevoegd werd verklaard om kennis te nemen van geschillen naar aanleiding van aanbestedingen. Om een geschil aan arbitrage te onderwerpen is een overeenkomst noodzakelijk, die bovendien bij geschrift moet worden bewezen.4 De opstellers van het aanbestedingsreglement hebben gepoogd deze overeenkomst in artikel 2 UAR 1986 te construeren.
Artikel 2 UAR 1986 luidt:
Indien in de algemene bekendmaking of in de uitnodiging is vermeld dat de aanbesteding zal geschieden overeenkomstig deze regeling, zijn de bepalingen van deze regeling van toepassing voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in de bekendmaking, de uitnodiging, het bestek, de nota van inlichtingen of het proces-verbaal van aanwijzing is afgeweken.
Indien en voor zover toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt degene die tegenover de aanbesteder blijk heeft gegeven voornemens te zijn op het werk in te schrijven of deel te nemen aan de selectie, geacht te hebben ingestemd met toepassing van deze regeling.
De basis van de overeenkomst tot arbitrage in het UAR 1986 is smal en heeft daarom de nodige kritiek te verduren gekregen. Van Nouhuys noemde het arbitragebeding een kunstgreep,5 Van den Berg een misgreep.6 Door de instemming van de inschrijver met de toepasselijkheid van het UAR al af te leiden uit het blijk hebben gegeven van het voornemen om in te schrijven, zou de instemming worden gefingeerd.7 Weliswaar is sprake van een onweerlegbaar vermoeden in plaats van een fictie,8 maar van Nouhuys en Van den Berg toonden wel aan dat de overeenkomst tot arbitrage, en daarmee de aanbestedingsovereenkomst in het algemeen, in het UAR 1986 in zekere zin gekunsteld is.
Zij die de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen aanbesteder en inschrijver als overeenkomst beperken tot aanbestedingen waarop een aanbestedingsreglement van toepassing is verklaard, kunnen aanbod en aanvaarding, die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van een overeenkomst, baseren op artikel 2 UAR 1986 of daarmee vergelijkbare bepalingen in andere aanbestedingsreglementen. 9 Dit standpunt is in mijn ogen verdedigbaar.10 Deze constructie geldt wel als ondergrens voor de totstandkoming van een aanbestedingsovereenkomst. Een aankondiging van een opdracht of een uitnodiging tot inschrijving is in de eerste plaats een uitnodiging tot het doen van een aanbod. De wil van de aanbesteder is erop gericht om een overeenkomst te sluiten voor de opdracht die het voorwerp is van de aanbesteding. Als de wil van de aanbesteder er tevens op gericht is om de aanbestedingsprocedure volgens bepaalde spelregels te laten verlopen en, minstens zo belangrijk, de inschrijver daaraan te binden, dan zal dit op zijn minst uit de aanbestedingsdocumenten moeten blijken. Als deze wilsverklaring ontbreekt, is van een aanbod tot het sluiten van een aanbestedingsovereenkomst geen sprake, laat staan van de aanvaarding van een aanbod. Als in dat geval toch het bestaan van een aanbestedingsovereenkomst wordt aangenomen, wordt de bij de aanbesteding betrokken partijen in feite een overeenkomst โopgedrongenโ. Dit druist in tegen de contractsvrijheid, die zoals gezegd tevens het recht inhoudt om geen overeenkomst te sluiten.11
De aanbestedingsovereenkomst die enkel door het organiseren van een aanbesteding tot stand zou komen, kan worden beschouwd als een species van de diligentieovereenkomst.12 Aan de theorie van de aanbestedingsovereenkomst lijkt met name de wens ten grondslag te liggen om de bij de aanbestedingsprocedure betrokken partijen aan bepaalde gedragsnormen te onderwerpen of vermeende verplichtingen te verklaren.13 Vanuit die wens worden aanbod en aanvaarding in mijn ogen geconstrueerd. Hierdoor is de aanbestedingsovereenkomst als diligentieovereenkomst losgekoppeld van de wilsovereenstemming van partijen en lijkt zij een eigen leven te leiden. Illustratief in dit verband is de vermeende inhoud van de aanbestedingsovereenkomst. De kernverplichting van de aanbesteder is volgens Jansen kort gezegd de verplichting om inschrijvers op gelijke wijze te behandelen en transparantie te betrachten. Wanneer de aanbestedingsovereenkomst niet voorziet in deze kernverplichting, zou de aanbestedingsovereenkomst daarmee op grond van artikel 6:248 lid 1 BW met behulp van de redelijkheid en billijkheid moeten worden aangevuld. Ik zie niet in hoe een overeenkomst tot stand kan komen, als wilsovereenstemming over de kernverplichting ontbreekt.14 Als wordt uitgegaan van een overeenkomst met โzwakkeโ normen waaraan geen concrete invulling wordt gegeven, zoals Zonderland en Spier doen, wordt bovendien niet voldaan aan het vereiste van bepaalbaarheid van de verbintenissen.15 De diligentieovereenkomst is in mijn ogen gekunsteld en sluit niet aan bij de praktijk. Niet verbazingwekkend is dat zij buiten het aanbestedingsrecht naar verhouding weinig aanhangers heeft.16
Mijn tweede bezwaar tegen de theorie van de aanbestedingsovereenkomst is meer van praktische aard. De aanbesteder is in alle fasen van de aanbestedingsprocedure gebonden aan de toepasselijke aanbestedingsregels. De aanbestedingsverhouding vangt aan op het moment van de aankondiging van de opdracht of de uitnodiging tot inschrijving. De aanbestedingsovereenkomst zal in de regel echter pas op het moment van inschrijving tot stand komen. In de theorie van de aanbestedingsovereenkomst geldt immers in de regel de inschrijving op een aanbesteding als aanvaarding van het aanbod van de aanbesteder om de aanbesteding volgens bepaalde spelregels te laten verlopen. Dit betekent dat de aanbestedingsovereenkomst geen bescherming biedt in de fase voorafgaand aan inschrijving, tenzij zou worden aangenomen dat de aanbestedingsovereenkomst terugwerkende kracht heeft, maar dit is in mijn ogen gekunsteld. Het zou naar mijn mening zuiverder zijn om in voorkomend geval terug te vallen op de normen die de precontractuele fase beheersen,17 maar dan heeft de theorie van de aanbestedingsovereenkomst nauwelijks nog toegevoegde waarde.