Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, r.o. 2.2.4. Zie HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1643.
HR, 04-11-2025, nr. 23/04704 P
ECLI:NL:HR:2025:1626
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-11-2025
- Zaaknummer
23/04704 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1626, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:819
ECLI:NL:PHR:2025:819, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1626
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen beroeps- of bedrijfsmatig telen van grote hoeveelheid hennep in gehuurd bedrijfspand, art. 36e.2 Sr. Redelijke termijn (inzendtermijn) in cassatie. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04701 P en 23/04703.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04704 P
Datum 4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2023, nummer 21-005323-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel klaagt er slechts over dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Daarmee is geen sprake van een klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO). Samenhang met 23/04701 en 23/047703.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04704 P
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 22 november 2023 (parketnr. 21-005323-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 48.740,62 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 48.740,62 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 278 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04701 en 23/04703. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Het middel strekt er enkel toe te klagen dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen cassatieklachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee is er geen sprake van een klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.1.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025