Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.5.1:9.5.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.5.1
9.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500727:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Inherent aan de globale toetsing van een klacht over schending van het zwijgrecht of het niet-meewerkrecht is dat andere omstandigheden dan (juridische) sanctiedreiging en -oplegging van invloed kunnen zijn op de vaststelling of sprake is van ontoelaatbare dwang tot zelfbelasting. Vooral in ‘echte’ strafzaken kan sprake zijn van andere dwangmaatregelen zoals afzondering, het onthouden van (tijdige) rechtsbijstand en maatregelen die misleidend, bedreigend en/of intimiderend zijn.
In enkele Straatsburgse nemo tenetur-zaken was sprake van dergelijke dwangmaatregelen.1 Daaruit zijn bezwaarlijk vuistregels af te leiden om vast te stellen welke mate van dwang van maatregelen op de verdachte uitgaat. Een kwantitatieve vergelijkingsmaatstaf, zoals bij geldboetes of gevangenisstraf, ontbreekt immers. Ook anderszins is het lastig om vuistregels te geven; zelfs bij benadering. De mate van dwang die van niet-juridische maatregelen op de verdachte uitgaat, is situatie- en waarschijnlijk ook persoonsafhankelijk.2 Waarschijnlijk is ook dat indirecte dwang (die de verdachte niet rechtstreeks raakt), minder dwang impliceert dan directe dwang.
Schending art. 3 en 8 EVRM als ijkpunt voor (on)toelaatbare dwang
Wel kan worden gewezen op het verbod op foltering of onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM als toetssteen voor ontoelaatbaarheid. Uit de zaken Jalloh en Gäfgen volgt dat schending van dit artikel (via de band van (on)behoorlijk overheidsoptreden) doorwerkt in de vaststelling of sprake is van ontoelaatbare dwang. Daarbij geldt dat foltering steeds tot een onbehoorlijk strafproces leidt. In geval van onmenselijke behandeling is dat geen automatisme (zie § 9.5.2). Dit laatste geldt temeer voor de schending van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in art. 8 EVRM. Anders dan geldt voor art. 3, kan art. 8 ook bij juridische sanctiedreiging een rol spelen (§ 9.5.3).