Kamerstukken II 2009–2010, 32450, nr. 3, blz. 61.
HR, 05-04-2019, nr. 18/00241
ECLI:NL:HR:2019:511
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2019
- Zaaknummer
18/00241
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑04‑2019
ECLI:NL:HR:2019:511, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑04‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2017:4203
- Vindplaatsen
NLF 2019/0897 met annotatie van Nicoline Bergman
Belastingblad 2019/185 met annotatie van J.P. Kruimel
FED 2019/126 met annotatie van M. Sanders
BNB 2019/148 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
NTFR 2019/975 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
FutD 2019-0961
Viditax (FutD) 2019040503
Beroepschrift 05‑04‑2019
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende is door zijn vorige gemachtigde beroep in cassatie ingesteld. Daarna heeft belanghebbende zich tot ons kantoor gewend. Bij faxbrief van 1 maart 2018 heeft uw Griffier de gelegenheid geboden de gronden van het cassatieberoep tegen de bestreden uitspraak van Hof Den Haag te formuleren. Hierbij heb ik de eer namens belanghebbende drie middelen voor te dragen.
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 28a Algemene wet inzake Rijksbelastingen en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof niet onverwijld na het instellen van het beroep in cassatie een proces-verbaal van de zitting heeft opgemaakt.
Toelichting op het middel
1.1.
Namens belanghebbende is op 12 januari 2018 beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof.
1.2.
Artikel 28a AWR luidt:
- ‘1.
De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan. (…)
- 3.
De griffier maakt zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal op van de zitting en zendt dit aan de griffier van de Hoge Raad.’
1.3.
Namens belanghebbende hebben wij bij brief van 12 maart 2018 (productie 1) aan het Hof om het proces-verbaal van de zitting die op 17 november 2017 plaatsvond verzocht. Nadat wij geen reactie ontvingen, hebben wij telefonisch om het proces-verbaal verzocht. De medewerker van de belastingkamer heeft medegedeeld dat het proces-verbaal nog moet worden opgesteld. De inhoud van dit telefoongesprek hebben wij met bijgevoegde brief van 16 maart 2018 (productie 2) aan het Hof bevestigd.
1.4.
Het Hof heeft artikel 28a, lid 3, AWR geschonden. Gelet op artikel 28a, lid 1, AWR dient de Hoge Raad zo spoedig mogelijk na 12 januari 2018 aan de griffier van het Hof mee te delen dat beroep in cassatie tegen de uitspraak van 8 december 2017 is ingesteld. Onverwijld na die mededeling dient de griffer alsnog een proces-verbaal van de zitting op te maken.
1.5.
Vast staat dat ten tijde van het telefoongesprek met het Hof op 14 maart 2018 ruim twee maanden zijn verstreken na het instellen van het beroep in cassatie. Dit leidt tot de conclusie dat ofwel niet onverwijld na de mededeling van de griffier van de Hoge Raad aan de griffier van het Hof een proces-verbaal is opgemaakt ofwel de griffer van de Hoge Raad niet zo spoedig mogelijk na het instellen van beroep in cassatie aan de griffier van het Hof heeft medegedeeld dat beroep in cassatie is ingesteld.
1.6.
Dit heeft tot gevolg dat artikel 28a AWR is geschonden.
1.7.
Het ontbreken van een tijdig opgemaakt proces-verbaal dient tot vernietiging van de uitspraak van het Hof te leiden. Nu het proces-verbaal niet tijdig is opgemaakt kan aan de hand daarvan niet meer worden nagegaan wat ter zitting is besproken en voorgevallen. In de memorie van toelichting bij de wet aanpassing bestuursprocesrecht1. is over het belang van het proces-verbaal voor de cassatieprocedure opgemerkt:
‘Voor beroep in cassatie in belastingzaken is echter de verplichting van toezending van het proces-verbaal door de griffier van (de rechtbank en) het gerechtshof gehandhaafd. De reden hiervoor is dat in cassatie geen nieuwe feitelijke stellingen kunnen worden betrokken. Partijen kunnen geen feitelijke gegevens naar voren brengen die zij niet al eerder naar voren brachten. Het is daarom belangrijk dat de cassatierechter kan beschikken over een juist en volledig proces-verbaal van de zitting van het gerecht tegen wiens uitspraak cassatie is ingesteld.’
1.8.
De regels in artikel 28a AWR hebben ten doel te bewerkstelligen dat de cassatierechter kan beschikken over een juist en volledig proces-verbaal van de zitting van het Hof. Het opstellen van een juist en volledig proces-verbaal is alleen mogelijk indien dit tijdig wordt gedaan. Een juiste vastlegging van de feiten is niet meer mogelijk nu deze feiten niet onverwijld na het instellen van beroep in cassatie zijn vastgelegd. Hierdoor is belanghebbende een eerlijk proces in de cassatieprocedure onthouden. Het ontbreken van een onverwijld na het indienen van beroep in cassatie opgesteld proces-verbaal heeft tot gevolg dat belanghebbende hetgeen ter zitting is besproken en voorgevallen niet bij het opstellen van zijn cassatiemiddelen kan betrekken. Daarnaast kan uw Raad niet toetsen welke feiten ter zitting naar voren zijn gebracht en welke stellingen ter zitting zijn ingenomen. Deze ernstige schending van het procesrecht dient dan ook tot vernietiging van de uitspraak van het Hof te leiden en tot verwijzing van de zaak voor een nieuwe feitelijke beoordeling.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 5.2 heeft geoordeeld dat het verweer van belanghebbende dat hij zich niet of niet voldoende heeft kunnen verweren faalt. Het Hof hanteert een onjuiste maatstaf door van belang te achten dat belanghebbende ná het opleggen van de naheffingsaanslag naar behoren de gelegenheid en tijd heeft gehad zijn grieven tegen de naheffingsaanslag te concretiseren en specificeren. Het Hof miskent dat belanghebbende op grond van artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie vóórafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in staat moet worden gesteld zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken met betrekking tot het voornemen van de inspecteur tot het opleggen van de naheffingsaanslag.
2.0. Toelichting op het middel
2.1.
Het boekenonderzoek is aangekondigd op 10 december 2013. De onderhavige naheffingsaanslag is vastgesteld met dagtekening 24 december 2013. Belanghebbende heeft voorafgaand aan het vaststellen van de naheffingsaanslag niet de gelegenheid gehad zijn bezwaren kenbaar te maken.
2.2.
Artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) is in deze zaak rechtstreeks van toepassing aangezien de omzetbelasting een nationale bepaling is die uitvoering geeft aan een Europeesrechtelijk voorschrift. Het in dit artikel vervatte grondrecht wordt aangeduid als het verdedigingsbeginsel.
2.3.
De eerbieding van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Dit houdt in dat indien autoriteiten voornemens zijn een bezwarend besluit te nemen zij de belanghebbende vóórdat het besluit wordt genomen in de gelegenheid moeten stellen zijn zienswijze in te dienen.2.
2.4.
Na het Sopropé arrest van het HvJ EU is het verdedigingsbeginsel door uw Raad in diverse arresten nader uitgewerkt. In het arrest van 24 november 20173. heeft uw Raad het juridisch kader van het verdedigingsbeginsel uiteengezet.
2.5.
Als uitgangspunt wordt geformuleerd dat de eerbieding van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van Unierecht is dat in het bijzonder meebrengt dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op een nadelige wijze kan beïnvloeden.
2.6.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord niet kan gelden als vervanging of herstel van het ontbreken van de mogelijkheid om voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit te worden gehoord.4.
2.7.
Het Hof heeft in r.o. 5.2 geoordeeld dat het verweer van belanghebbende dat hij zich niet of onvoldoende heeft kunnen verweren faalt. Het Hof acht van belang dat belanghebbende ná het opleggen van de naheffingsaanslag naar behoren de gelegenheid en tijd heeft gehad zijn grieven tegen de naheffingsaanslag te concretiseren en specificeren. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof miskent dat het een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is dat de belanghebbende vóórdat de naheffingsaanslag wordt opgelegd in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze in te dienen.
2.8.
Gelet hierop kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Belanghebbende concludeert dan ook tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. In dat kader merkt belanghebbende op dat aan het ‘andere afloop-criterium’ is voldaan nu zowel in beroep als in hoger beroep de naheffingsaanslag is verminderd. Deze verminderingen zijn het gevolg van nader door de inspecteur ingenomen standpunten. In het arrest van 16 september 20165. oordeelde uw Raad dat uit het feit dat de inspecteur in de bezwaarfase aan de belastingplichtige een schikkingsvoorstel had aangeboden, kon worden geconcludeerd dat niet is uitgesloten dat bij een juiste vooraankondiging het besluitvormingsproces van de inspecteur tot een andere afloop had kunnen leiden. In het onderhavige geval had de procedure bij eerbieding van de rechten van de verdediging een andere afloop kunnen hebben aangezien de inspecteur in beroep en hoger beroep concludeerde tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Middel 3
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8, lid 1, Wet op de omzetbelasting 1968 en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 5.2 heeft geoordeeld dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en, voor zover gesteld tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk gemaakt die een andere conclusie rechtvaardigen dan het oordeel van de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof hanteert een onjuiste maatstaf omtrent de bewijslastverdeling door te overwegen dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de omzet lager is dan de in de naheffingsaanslag vervatte omzet. Bovendien is het oordeel van het Hof vanwege een gebrek aan motivering onbegrijpelijk doordat niet wordt toegelicht op welke onderdelen de informatie tegenstrijdig is en op basis van welke uitlatingen ‘het geschetste beeld’ weinig geloofwaardig is.
3.0. Toelichting op het middel
3.1.
De inspecteur stelt dat de omzet in het jaar 2008 € 1.011.653 bedraagt. De bewijslast hiervan rust op de inspecteur. De inspecteur beroept zich op de administratie van belanghebbende. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat deze administratie niet klopt en dat zijn voormalig adviseur zijn boekhouding onjuist heeft uitgevoerd.
3.2.
Belanghebbende heeft de administratie opnieuw laten beoordelen en nieuwe jaarstukken laten opstellen door [E]. Deze nieuwe jaarstukken zijn bij het Hof ingediend en daaruit blijkt een omzet ‘raad’ van € 545.316. De nieuwe jaarstukken vermelden een omzet ‘part en eigen bijdrage’ van € 85.377, dit is € 101.598 inclusief 19% BTW. De inspecteur gaat uit van een omzet ‘overige en eigen bijdrage’ van € 433.624 inclusief BTW.6. Het verschil bedraagt € 323.958.
3.3.
Het Hof neemt in r.o. 5.2 ten onrechte tot uitgangspunt dat belanghebbende in hoger beroep geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en, voor zover gesteld tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur aannemelijk gemaakt. Het Hof hanteert een onjuiste maatstaf. De inspecteur moet de door hem gestelde omzet aannemelijk maken. Hij heeft dit getracht onder verwijzing naar de administratie van belanghebbende.
3.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de stelling van de inspecteur gemotiveerd betwist. Ter onderbouwing van het standpunt dat de omzet lager moet zijn heeft belanghebbende toegelicht dat zijn vorige administratiekantoor onjuiste jaarcijfers heeft vastgesteld. Vervolgens heeft belanghebbende door een ander administratiekantoor op basis van zijn administratie nieuwe jaarstukken laten opmaken.
3.5.
Het Hof neemt ten onrechte als uitgangspunt dat belanghebbende degene is die in eerste instantie de hoogte van de omzet aannemelijk moet maken. Nu de inspecteur de omzet corrigeert is het aan de inspecteur om na de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende de hoogte van de omzet aannemelijk te maken. Het oordeel van het Hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslastverdeling. Het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag — behoudens de vermindering van € 1.535 — in stand kan blijven, is dan ook op een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de bewijslast gebaseerd waardoor de uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd.
3.6.
Ook indien van de door het Hof toegepaste bewijslastverdeling wordt uitgegaan, kan het oordeel niet in stand blijven. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur de lagere omzet niet aannemelijk heeft gemaakt is onbegrijpelijk.
3.7.
Belanghebbende heeft nieuwe jaarstukken laten opmaken waaruit een omzet blijkt die € 323.958 lager is dan de door de inspecteur gestelde omzet. Omzetberekeningen die de belanghebbende door een deskundig administratiekantoor laat opmaken zijn een belangrijk bewijsmiddel voor zijn stelling over de hoogte van de omzet.
3.8.
Het Hof overweegt dat het beeld wat belanghebbende schetst het Hof niet overtuigt omdat de informatie op onderdelen tegenstrijdig is en in het licht van eerdere uitlatingen ongeloofwaardig is. Het Hof spreekt over het door belanghebbende geschetste beeld maar omschrijft niet wat dit beeld is. Daarnaast licht het Hof niet toe op welke onderdelen de informatie tegenstrijdig is. Het Hof overweegt dat het ‘andere beeld’ dat belanghebbende schetst in het licht van eerdere uitlatingen van belanghebbende weinig geloofwaardig is. Het Hof licht ook niet toe welke eerdere uitlatingen worden bedoeld. Ook wordt niet duidelijk of deze overweging van het Hof op de nieuwe jaarstukken ziet. Jaarstukken die door een administratiekantoor zijn opgemaakt kunnen niet zomaar als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven.
3.9.
Het Hof geeft in feite een algemene formulering voor zijn oordeel dat belanghebbende de hoogte van de omzet niet aannemelijk heeft gemaakt. Die algemene formulering geeft geen inzicht in de gedachtegang van het Hof. Het Hof moet zijn oordeel ten minste van een motivering voorzien zodat dit op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld onbegrijpelijk althans is dit oordeel niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed.
Met conclusie
Belanghebbende verzoekt uw Raad op voormelde dan wel ambtshalve gronden de uitspraak van Hof Den Haag, alsmede de onderhavige naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente te vernietigen.
Tevens verzoekt belanghebbende uw Raad te bepalen dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en indien het geval zich voordoet dat de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie wordt verondersteld de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot een vergoeding voor immateriële schade.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑04‑2019
HvJ EU 18 december 2008, zaak C-349/07, ECLI:EU:C:2008:746 (Sopropé).
HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2980, BNB 2018/37.
HvJ EU 3 juli 2014, C-129 en C-130, ECLI:EU:C:2014:2041 (Kamino en Datema)
HR 16 september 2016, nr. 15/01894, ECLI:NL:HR:2016:2077
Onder omzet ‘part en eigen bijdrage’ wordt verstaan omzet ‘overige en eigen bijdrage’.
Uitspraak 05‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 28a, lid 3, AWR; onverwijld opmaken en toezenden proces-verbaal van de zitting; aanvulling of wijziging van een cassatiemiddel na verstrijken van de cassatietermijn in verband met het niet tijdig hebben kunnen beschikken over het proces-verbaal.
Partij(en)
5 april 2019
Nr. 18/00241
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 december 2017, nr. BK‑17/00442, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/4893) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het jaar 2008 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.1.
Bij uitspraak van 8 december 2017 heeft het Hof de uitspraken van de Rechtbank en die van de Inspecteur vernietigd en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting verminderd.
Belanghebbende heeft op 17 januari 2018 beroep in cassatie ingesteld en heeft dat beroep bij brief van 19 maart 2018 gemotiveerd door drie middelen voor te stellen.
2.1.2.
Op het verzoek van de griffier van de Hoge Raad van 22 januari 2018 om toezending van onder meer het proces-verbaal van de zitting, heeft de griffier van het Hof op 6 april 2018 het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof van 17 november 2017 aan de Hoge Raad en aan partijen gezonden. De Hoge Raad heeft het proces-verbaal op 10 april 2018 ontvangen. Uit het proces-verbaal blijkt dat belanghebbende en zijn toenmalige gemachtigde bij de zitting aanwezig waren. Bij conclusie van repliek heeft belanghebbende een vierde middel voorgesteld.
2.2.1.
Middel 1 klaagt erover dat na het instellen van het beroep in cassatie de griffier van het Hof in strijd met artikel 28a AWR niet onverwijld een proces-verbaal van de zitting heeft opgemaakt. Het middel betoogt dat hierdoor de vastlegging van hetgeen zich ter zitting heeft voorgedaan niet kon worden betrokken in de motivering van het cassatieberoep. Dit brengt volgens het middel mee dat belanghebbende een eerlijk proces in de cassatieprocedure wordt onthouden en dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd.
2.2.2.
Artikel 28a, lid 3, AWR verplicht de griffier van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan, zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal op te maken van de zitting en dit aan de griffier van de Hoge Raad te zenden. Het middel klaagt terecht erover dat de griffier van het Hof heeft verzuimd dit proces-verbaal onverwijld op te maken en aan de Hoge Raad te zenden. De griffier van de Hoge Raad heeft op 22 januari 2018 aan de griffier van het Hof mededeling gedaan van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie. Pas op 10 april 2018 heeft de Hoge Raad het proces-verbaal ontvangen. Anders dan het middel betoogt, leidt dit niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De nadelige gevolgen die partijen van een dergelijk verzuim kunnen ondervinden, worden namelijk ondervangen op een minder verstrekkende, hierna in 2.2.3 omschreven wijze.
2.2.3.
Nadat belanghebbende van het Hof het proces-verbaal had ontvangen, heeft hij bij conclusie van repliek een vierde middel voorgesteld. In de regel slaat de Hoge Raad geen acht op middelen die worden voorgesteld na afloop van de termijn voor het instellen of motiveren van een beroep in cassatie (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1). Als de indiener van het beroep in cassatie nog niet kan beschikken over het proces-verbaal van de zitting, kan hij in verband daarmee in (de motivering van) het beroepschrift in cassatie een voorbehoud maken tot aanvulling of wijziging van een aldaar geformuleerd cassatiemiddel, dan wel een voorbehoud maken tot het voorstellen van een (nieuw) middel. Wanneer die indiener een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt, kan hij ook na het verstrijken van de daarvoor geboden termijn een cassatiemiddel aanvullen, wijzigen of nieuw voorstellen. Het moet hierbij wel gaan om gronden die niet al konden worden aangevoerd bij indiening van (de motivering van) het beroepschrift in cassatie. Bovendien moet dit aangevulde, gewijzigde of nieuwe middel met bekwame spoed worden ingediend. Aan die laatste voorwaarde is voldaan, indien dit is gebeurd binnen een termijn van veertien dagen na de dag van verzending van het proces-verbaal. Vergelijk voor dit een en ander het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, rechtsoverweging 3.2.
2.3.1.
Gelet op het hiernavolgende kan in het midden blijven of middel 4 is ingediend met de zojuist bedoelde bekwame spoed.
2.3.2.
Middel 4 klaagt onder meer erover dat het Hof ter zitting de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden vanwege het passeren van het aanbod van belanghebbende om [B], belastingdienstmedewerker, als getuige te horen, en vanwege het niet aan [C] bieden van de gelegenheid om de door belanghebbende gewenste toelichting te geven. Het middel voert aan dat het proces-verbaal onvolledig is omdat daarin niets is opgenomen over de beslissing van het Hof om deze personen niet als getuigen te horen, en verder dat het proces-verbaal onjuist is voor zover daarin is vermeld dat partijen te kennen hebben gegeven niets meer te willen aanvoeren.
2.3.3.
Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden aangezien de vastlegging en vaststelling van hetgeen ter zitting is voorgevallen aan het Hof zijn voorbehouden en de uitspraak van het Hof en het proces-verbaal niet onbegrijpelijk zijn.
2.4.
De middelen 2 en 3 kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2019.