Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.3.3:5.3.3 Het rapport van een werkgroep van een Tweede Kamercommissie (2014)
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/5.3.3
5.3.3 Het rapport van een werkgroep van een Tweede Kamercommissie (2014)
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458896:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 31597, 7.
Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 31597, 7, p. 11-12.
Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 31597, 7, p. 11.
Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 31597, 7, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In september 2014 kwam vervolgens een werkgroep van de toenmalige commissie voor de Rijksuitgaven van de Tweede Kamer met een rapport over het parlementair budgetrecht in Europees perspectief.1 Ook deze werkgroep maakte het onderscheid tussen een formele en een materiële invulling van het budgetrecht.2 De werkgroep stelde dat:
‘[d]e Tweede Kamer […] binnen het budgetrecht twee taken [heeft]. Enerzijds controleert zij de regering, anderzijds is zij medewetgever. Het formele budgetrecht oefent de Kamer uit als medewetgever. Dit houdt in dat de Kamer de eindbeslissing neemt over de financiële gevolgen van het door de minister voorgestelde beleid. In de praktijk betekent dit dat een begrotingswet wordt ingediend bij de Tweede Kamer die deze vervolgens afwijst of, al dan niet aangepast, vaststelt.’3
Met betrekking tot het materiële budgetrecht stelde de werkgroep:
‘Het komt voor dat uitgaven worden gedaan nog voordat de Kamer een voorstel van een begrotingswijziging heeft goedgekeurd. In dat geval wordt naast het formele budgetrecht gebruik gemaakt van het zogeheten materiële budgetrecht. In die situatie wordt het parlement door middel van vooruitlopende begrotingsinformatie, doorgaans per afzonderlijke brief, op de hoogte gesteld van de beleidsaanpassing en de daarmee gepaard gaande budgettaire wijzigingen. Zo wordt voorkomen dat het parlement achteraf voor voldongen feiten komt te staan. […] Het materiële budgetrecht kan niet gebruikt worden ter vervanging van het formele budgetrecht. Gelet op de Grondwet dient het parlement altijd alsnog formele autorisatie voor de financiële maatregelen van het kabinet te geven door middel van het aanvaarden van een wijziging van de bewuste begrotingswet.’4
Volgens de werkgroep van de Tweede Kamer omvat het materiële budgetrecht dus het informeren van het parlement bij afwijkingen van de begroting. Hoewel de werkgroep aangaf dat door middel van het materiële budgetrecht kan worden voorkomen dat het parlement voor voldongen feiten komt te staan, stelde zij niet expliciet dat het materiële budgetrecht ook het recht van beide Kamers omvat om in te stemmen met de wijzigingen van de begroting. Op dit punt komt de invulling van het materiële budgetrecht van de werkgroep van de Tweede Kamer overeen met de opvatting die de regering daarover eerder hanteerde in het kader van een wijziging van de Cw 2001.