WR 2025/54
Huur woonruimte: voortgezet gebruik na overlijden; kwalificatie; Inscharing-arrest; Timeshare-arrest
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:167, m.nt. F.C. Borst
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben
- Zaaknummer
23/04098
- Noot
F.C. Borst
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD9460:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Huurrecht / Huur van woonruimte
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Huurrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:167, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:810, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑08‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑11‑2023
- Wetingang
Art. 7:201 BW
Essentie
Huur woonruimte: voortgezet gebruik na overlijden; kwalificatie; Inscharing-arrest; Timeshare-arrest
Samenvatting
Deze zaak gaat over een situatie waarin de volwassen kinderen van een overleden vrouw die zelf geen huurder waren of kunnen worden, nog enige tijd in de woning willen blijven. Partijen sluiten daartoe een vaststellingsovereenkomst. Hierin is vastgelegd dat de woningcorporatie gedoogt dat de kinderen nog tijdelijk gebruikmaken van de woning tegen betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de voorheen geldende huurprijs, waarbij een beroep door de kinderen op medehuur o.g.v. art. 7:268 lid 2 BW is uitgesloten. Omdat de kinderen na afloop ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.