FED 2025/54
De Hoge Raad acht het buiten redelijke twijfel dat zijn uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5) onderdeel b Wet OB 1968 in overeenstemming is met de mogelijkheid die art. 12 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn aan de lidstaten biedt.
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:157, m.nt. mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Punt, Fierstra
- Zaaknummer
24/02923
- Noot
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13578:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:157, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1283, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑11‑2024
- Wetingang
Art. 15 lid 1 onderdeel a Wet BRV; art. 11 lid 5 onderdeel b Wet OB 1968
Essentie
De Hoge Raad acht het buiten redelijke twijfel dat zijn uitleg van art. 11 lid 3 (vanaf 2019: lid 5) onderdeel b Wet OB 1968 in overeenstemming is met de mogelijkheid die art. 12 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn aan de lidstaten biedt.
Samenvatting
X BV verkrijgt in 2018 de aandelen in Y BV, een onroerendezaakrechtspersoon (OZR). Tot de activa van Y BV behoort een kantoorpand waarvan Y BV het recht van erfpacht op de grond met daarop het pand heeft verkregen voor € 6,5 mln. In 2016 en 2017 wordt het pand verbouwd voor € 25,2 mln. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.