Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.3.2:6.2.3.2 Een als privé-vermogen geëtiketteerd vermogensbestanddeel diende over te gaan naar het ondernemingsvermogen
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.3.2
6.2.3.2 Een als privé-vermogen geëtiketteerd vermogensbestanddeel diende over te gaan naar het ondernemingsvermogen
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS414433:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de vraag hoe een onjuiste etikettering kan worden hersteld, indien de aanvankelijk juiste etikettering van een vermogensbestanddeel als privé-vermogen door veranderde omstandigheden onjuist is geworden, doch de verplichte overbrenging van het vermogensbestanddeel van het privé-vermogen naar het ondernemingsvermogen niet heeft plaatsgevonden.
Zo’n etiketteringsfout was aan de orde in het in paragraaf 6.2 genoemde arrest HR 12 april 1978, BNB 1978/138, met betrekking tot een aanslag inkomstenbelasting 1974. Op de benedenverdieping van een in 1969 gekocht pand dreef belanghebbende een horecabedrijf; de bovenverdieping gebruikte hij als eigen woning. Nadat hij in oktober 1971 met zijn gezin is verhuisd, heeft belanghebbende geen pogingen ondernomen om de bovenverdieping rendabel te maken. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft beslist dat het sedert de aankoop door belanghebbende tot zijn privé-vermogen gerekende pand per oktober 1971 tot diens ondernemingsvermogen is gaan behoren. In de belastingheffing wordt betrokken het gedeelte van de bij de verkoop behaalde boekwinst dat betrekking heeft op de periode van oktober 1971 tot maart 1974. Ten aanzien van de op het pand behaalde boekwinst vindt zodoende compartimentering plaats: het gedeelte dat is toe te rekenen aan de periode dat het pand verplicht ondernemingsvermogen was, wordt belast, terwijl de (overige) boekwinst, toe te rekenen aan de tijd dat het pand zich in de onbelaste privé-sfeer bevond, buiten de heffing blijft.
Indien de in hoofdstuk 4, paragraaf 4.3, besproken foutenleerregels op deze casus worden geprojecteerd, ontstaat het volgende beeld:
I. De balanscontinuïteitregel
Op basis van deze regel dient de beginbalans van 1974 gelijk te zijn aan de eindbalans van 1973.
II. De correctieregel
Van de balanscontinuïteitregel dient te worden afgeweken indien in genoemde eindbalans een fout is gemaakt.
Die situatie doet zich voor, nu in deze eindbalans ten onrechte niet is opgenomen een pand, dat per oktober 1971 had dienen te worden overgebracht van het privé-vermogen naar het ondernemingsvermogen.
Bij het berekenen van de winst van 1974 geldt als beginbalans dan niet de onjuiste eindbalans van 1973, doch dient te worden uitgegaan van een gecorrigeerde balans, waarin het pand (tegen een juiste waarde) is opgenomen.
De terugkeerregel behoeft in dit geval niet te worden toegepast, aangezien de toepassing van de correctieregel niet tot gevolg heeft dat een toestand ontstaat waarbij zonder mogelijkheid van redres een deel van de winst onbelast blijft of dubbel wordt belast.
Als de onjuiste etikettering wordt ontdekt in het jaar waarin het vermogensbestanddeel is verkocht, zoals zich voordeed in BNB 1978/138, dan zullen de discussies tussen belastingplichtige en belastingadministratie doorgaans beperkt blijven tot de vraag welk gedeelte van de bij de verkoop van het vermogensbestanddeel behaalde resultaat als winst uit onderneming kan worden belast. Wordt de onjuiste etikettering echter in een eerder jaar ontdekt, dan moet worden bepaald tegen welke waarde het vermogensbestanddeel in de beginbalans van het jaar van herstel van de onjuiste etikettering moet worden opgenomen (zie paragraaf 6.2.4.2).