Rb. Zeeland-West-Brabant, 14-04-2026, nr. 02-401805-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2961
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
02-401805-24
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:2961, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14‑04‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen van verkrachting en openbaar maken van een filmpje hiervan. Deels voorwaardelijke jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met een proeftijd van twee jaar, bijzondere voorwaarden en DUT en een onvoorwaardelijke werkstraf. Een van de bijzondere voorwaarden is plaatsing bij Almata voor maximaal één jaar. Immateriële schadevergoeding en proceskostenveroordeling conform liquidatietarief.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-401805-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats]
wonende aan [adres]
raadsvrouw mr. N. Limbourg, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 18 maart 2024 al dan niet samen met een ander [slachtoffer] heeft verkracht;
feit 2: op 20 maart 2024 hiervan een filmpje openbaar heeft gemaakt dan wel al dan niet samen met een ander hiervan op 18 maart 2024 een filmpje heeft gemaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander [slachtoffer] heeft verkracht, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd en een filmpje hiervan openbaar heeft gemaakt, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het medeplegen van verkrachting, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de seksuele handeling onder dwang heeft plaatsgevonden laat staan dat verdachte hierbij als medepleger betrokken is geweest. De verdediging verzoekt verdachte dan ook van feit 1 vrij te spreken. De verdediging is wel van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het filmpje van de seksuele handeling openbaar heeft gemaakt, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Bewijs in zedenzaken
In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet enkel mag worden gebaseerd op één getuigenverklaring (art. 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv). Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken, omdat het verhaal van aangever vaak lijnrecht tegenover het verhaal van verdachte staat. Objectieve bewijsmiddelen zijn er doorgaans niet. Bij de beoordeling van het bewijs in dit soort zaken, moet de rechtbank toetsen of de verklaring van aangever betrouwbaar is, maar ook kijken of er ander aanvullend bewijs in het dossier aanwezig is dat die verklaring van aangever ondersteunt (steunbewijs). Niet alle onderdelen van de tenlastelegging hoeven te worden ondersteund door een ander bewijsmiddel; het is voldoende dat de verklaring van aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Deze moeten wel afkomstig zijn van een andere bron dan de aangever zelf en mogen niet in een te ver verwijderd verband staan van het overige gebruikte bewijsmateriaal (vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094).
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] meermalen op hoofdlijnen een consistente, concrete verklaring heeft afgelegd over het moeten pijpen van medeverdachte [medeverdachte] en het filmen daarvan alsook over de omstandigheden waaronder dit zou zijn gebeurd. Zowel tegenover de politie, als tegenover haar moeder, heeft [slachtoffer] verteld dat zij [medeverdachte] met verdachte en een andere jongen is tegengekomen op haar step. [medeverdachte] maakte grapjes en zei herhaaldelijk in het bijzijn van verdachte en de andere jongen dat zij hem moest pijpen. [slachtoffer] wilde dat niet en heeft de hele tijd ‘nee’ gezegd. Op een gegeven moment heeft verdachte haar step afgepakt en is daarop met de andere jongen rondjes gaan steppen. [medeverdachte] bleef zeggen dat zij hem moest pijpen, omdat zij anders haar step niet terugkreeg. Verdachte en de andere jongen waren daar ook bij. Uiteindelijk kreeg zij haar step terug door ‘ja’ te zeggen en is zij met de jongens naar een steegje in de buurt van [locatie] gegaan om [medeverdachte] daar te pijpen. [medeverdachte] kwam met het idee om naar een steegje te gaan en liep met de andere jongen voorop; [slachtoffer] liep met verdachte erachteraan. Het pijpen is gefilmd door verdachte en uiteindelijk ook gedeeld via Snapchat en Telegram met de tekst “11 jarig [naam 1] pijpt in steegje [naam 2] ” en een afbeelding naar haar TikTok-profiel.
In de verklaring van [slachtoffer] zijn steeds dezelfde specifieke details genoemd, zoals de aanleiding van het incident, wie daarbij aanwezig waren en wat er precies op welk moment is gebeurd. Daartegenover staat de verklaring van verdachte, die bij de politie heeft ontkend dat hij [slachtoffer] kent en die bewuste dag samen met [slachtoffer] , [medeverdachte] en de andere jongen buiten was. Ook heeft hij bij de politie ontkend dat er die dag seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dat hij deze handelingen met zijn telefoon heeft gefilmd. Pas op de zitting, ruim twee jaar later en na bestudering van het eindproces-verbaal, heeft verdachte verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte] zich door [slachtoffer] in een steegje liet pijpen en dat hij dit met zijn telefoon heeft gefilmd. Volgens hem vond deze seksuele handeling geheel vrijwillig plaats. Dat [slachtoffer] , een meisje van destijds pas 11 jaar oud, uit vrije wil in het bijzijn van andere jongens op een plek waar iedereen haar zou kunnen zien, iemand pijpt met wie zij op dat moment geen relatie heeft, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank schuift deze verklaring daarom terzijde. Dat [slachtoffer] op sommige vragen dichtklapt en summier heeft verklaard, komt de rechtbank niet vreemd voor. De rechtbank houdt hierbij rekening met de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] en achterliggende problematiek en vindt de antwoorden die gegeven zijn passend en verklaarbaar in die context. Haar verhaal blijft bovendien hetzelfde, ook als er wordt doorgevraagd. Dit alles maakt dat de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en authentiek overkomt en in voldoende mate betrouwbaar is om te bezigen voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De video-opname van [slachtoffer] en verdachte in het steegje waar het pijpen heeft plaatsgevonden, is aangetroffen op de telefoon van de verdachte; uit digitaal onderzoek blijkt de video met dat toestel te zijn gemaakt op 18 maart 2024 om 17:52:56 uur in een steegje naast een voetbalveld in [plaats] . Daarnaast bemerkte de moeder van [slachtoffer] dat zij al een aantal dagen erg afwezig was en zag zij dat [slachtoffer] moest huilen toen zij vertelde over het voorval in het steegje. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze waarneming van (de verandering in) de gemoedstoestand van [slachtoffer] kort nadat het voorval heeft plaatsgevonden aan bij wat [slachtoffer] heeft verklaard over wat haar is overkomen. Tot slot heeft [medeverdachte] bekend dat [slachtoffer] hem in het steegje heeft gepijpt en ook verklaard over het afpakken van de step. Verdachte zou deze hebben afgepakt en er 10 minuten met een andere jongen achterop op hebben gereden, wat geen leuk grapje voor [slachtoffer] was.
Dwang
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte samen met anderen [slachtoffer] heeft gedwongen om [medeverdachte] te pijpen, in die zin dat er dwang was tot het ondergaan van het seksueel binnendringen. Van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake wanneer de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen haar wil verricht of heeft ondergaan. Doorslaggevend bij die vraag is of het slachtoffer heeft gedaan of toegestaan wat zij zonder de dwang niet zou hebben gedaan of toegestaan. Door haar step daadwerkelijk af te pakken en het pijpen te gebruiken als voorwaarde om haar step terug te krijgen, ziet de rechtbank voldoende grond om te spreken van dwang. Dit geldt te meer nu verdachte en [medeverdachte] door hun numerieke en fysieke overwicht een situatie hebben gecreëerd waaraan [slachtoffer] zich niet kon onttrekken. Dat zij haar step al terug had gekregen voordat het pijpen plaatsvond, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de uitgeoefende dwang. Haar step heeft zij teruggekregen door uiteindelijk ‘ja’ te zeggen en dus te doen en dulden wat [medeverdachte] van haar vroeg.
Medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.
De rechtbank overweegt dat verdachte en [medeverdachte] een belangrijke, onmisbare rol hebben gehad voorafgaand, tijdens en na het incident. [medeverdachte] heeft gevraagd om het pijpen, heeft gezegd dat [slachtoffer] haar step pas terugkrijgt als zij dat doet en is uiteindelijk ook gepijpt; verdachte is steeds aanwezig geweest en heeft zodoende bijgedragen aan het ontstaan van een situatie waaraan [slachtoffer] geen weerstand kon bieden. Hij heeft voorts haar step afgepakt, is meegelopen naar de steeg en heeft op enkele meters afstand een filmpje gemaakt van het pijpen. Op het filmpje is bovendien te zien dat er contact is tussen verdachte en [medeverdachte] : de politie ziet dat [medeverdachte] een gebaar maakt met zijn duim omhoog in de richting van de verdachte. De rechtbank acht de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht om te spreken van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het verkrachten van [slachtoffer] , zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 18 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en bestaande die andere feitelijkheid uit:- het afpakken van de step van die [slachtoffer] , en- het toevoegen van de woorden (zakelijk weergegeven) dat die [slachtoffer] verdachte moest pijpen anders kreeg zij haar step niet terug, en- het fysieke/numerieke overwicht over die [slachtoffer] ;
2. primair:
op 20 maart 2024 te [plaats] , een afbeelding van seksuele aard, van een persoon, [slachtoffer] , te weten een filmpje, waarop te zien is dat die [slachtoffer] een persoon pijpt, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat deze afbeelding opzettelijk en wederrechtelijk was vervaardigd en die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer] kon zijn.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 8 weken met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft geadviseerd. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet, dan wel niet naar behoren, mocht verrichten.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om, mede gelet op de door haar bepleite vrijspraak voor feit 1, bij de strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke werkstraf. De verdediging refereert zich ten aanzien van de hoogte van deze werkstraf aan het oordeel van de rechtbank, zolang deze werkstraf maar niet meer dan 80 uur zal bedragen. Hierbij verzoekt de verdediging wel rekening te houden met het feit dat dit een hele oude zaak betreft. Mocht de rechtbank toch tot een voorwaardelijke jeugddetentie komen, dan verzoekt de verdediging om hierbij niet als bijzondere voorwaarde plaatsing bij Almata of een soortgelijke instelling op te leggen. Plaatsing bij Almata vindt de verdediging niet in het belang van verdachte. Hij heeft er, zeker gelet op zijn belaste geschiedenis, baat bij om bij zijn ouders thuis te kunnen blijven wonen, waar hij zich fijn en veilig voelt.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
De destijds 14-jarige verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het verkrachten van [slachtoffer] door haar te dwingen de medeverdachte te pijpen. Daarnaast heeft hij een filmpje hiervan openbaar gemaakt. Het slachtoffer was ten tijde van het incident pas 11 jaar oud en heeft deze vergaande seksuele handeling bij de medeverdachte moeten verrichten onder dwang van meerdere oudere jongens in een steegje waar iedereen haar had kunnen zien. Dat laatste is ook gebeurd, omdat er een filmpje van is gemaakt. Op grove wijze is misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en is inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Verdachte heeft niet stil gestaan bij de gevoelens van en gevolgen voor het slachtoffer. Hij vond het ‘wel grappig’ dat de medeverdachte door het slachtoffer werd gepijpt en om hiervan een filmpje te maken. Een filmpje dat hij een paar dagen later met Tiktok gegevens van het slachtoffer openbaar heeft gemaakt en dat nu voor altijd op het internet is te vinden. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten – zeker wanneer zij zo jong zijn, het is gefilmd en dit filmpje op internet terecht is gekomen – nog lange tijd de nadelige gevolgen met zich dragen. Daarbij vindt de rechtbank het kwalijk en zorgelijk dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door eerlijk te zijn over wat er is gebeurd en wat zijn daadwerkelijke rol daarin was.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het blanco strafblad van verdachte.
Ook houdt de rechtbank rekening met de rapporten van de Raad van 17 april 2025 en 23 januari 2026 en de toelichting hierop tijdens de zitting. In het rapport van 23 januari 2026 heeft de Raad één strafadvies geformuleerd dat geldt voor de onderhavige strafzaak en drie andere strafzaken waarvoor verdachte gelijktijdig bij de rechtbank moest voorkomen. Deze strafzaken zijn echter op verzoek van de verdediging wel gezamenlijk, maar niet gevoegd behandeld. De Raad heeft aangegeven dat er op meerdere gebieden zorgen over verdachte zijn. Zo heeft verdachte in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van verdachte, zijn vrijetijdsbesteding en de jongens met wie hij omgaat. Verder zijn er zorgen over de houding en de vaardigheden van verdachte. Het blijft onduidelijk wat er in hem omgaat en waarom hij tot bepaald gedrag komt. Hierdoor is het lastig om goed te kunnen inschatten wat verdachte nodig heeft ter voorkoming van recidive, welk risico hoog wordt ingeschat. Daarom vindt de Raad een breed persoonlijkheidsonderzoek naar verdachte noodzakelijk. Dan kan er beter zicht komen op de (kindeigen) problematiek van verdachte en welke hulpverlening daar het beste bij aansluit. De Raad is met de jeugdreclassering van mening dat deze hulpverlening op een open groep van Almata of een soortgelijke instelling moeten worden gegeven. Al met al adviseert de Raad om aan verdachte (in alle vier de strafzaken van verdachte) op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met aftrek van dat voorarrest, met als bijzondere voorwaarden dat:- verdachte tot aan zijn meerderjarigheid onderwijs volgt en/of een zinvolle dagbesteding heeft;- verdachte zijn medewerking verleent aan de afname van een breed persoonlijkheidsonderzoek;- verdachte meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt ter voorkoming van recidive;
- verdachte meewerkt aan plaatsing bij Almata dan wel een soortgelijke instelling welke de jeugdreclassering nodig vindt en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Verder houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met hetgeen namens de jeugdreclassering op de zitting naar voren is gebracht. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de begeleiding van verdachte in het afgelopen anderhalf jaar moeizaam is verlopen. Er zijn in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in één van de drie andere strafzaken van verdachte aan hem veel voorwaarden gesteld en hulpverlening ingezet. Dit heeft tot weinig, althans geen, succes geleid. Ook op het gebied van school is er veel ingezet. Uiteindelijk is er een kleinschalige school voor verdachte gevonden, waar hij goede en slechte dagen heeft.
De jeugdreclassering betreurt het dat er in de strafzaken van verdachte geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek naar hem heeft plaatsgevonden. Hiertoe zou naar de mening van de jeugdreclassering alsnog moeten worden overgegaan. Aan de hand van de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek kan vervolgens aan verdachte passende hulpverlening worden geboden. Wat de jeugdreclassering betreft, dient deze hulpverlening op een open groep bij Almata of een soortgelijke instelling te worden gegeven. In de afgelopen periode is immers gebleken dat het thuis niet is gelukt om de zorgen te doen afnemen. Het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering heeft verdachte er niet van weerhouden om strafbare feiten te blijven plegen. Dit is niet alleen slecht voor de slachtoffers die verdachte hiermee heeft gemaakt, maar ook voor de ontwikkeling van verdachte en zijn toekomst.
De op te leggen straf
Bij de strafbepaling betrekt de rechtbank naast de aard en ernst van de feiten en de persoon van verdachte ook de omstandigheid dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak van verdachte moest zijn afgedaan, is overschreden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. Dit zal, net als de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, tot strafvermindering leiden.
Tot slot houdt de rechtbank bij dit alles rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met de straffen die aan verdachte bij vonnissen van heden in de drie andere strafzaken van hem worden opgelegd. Feiten als de onderhavige rechtvaardigen in beginsel een (al dan niet – deels – voorwaardelijke) jeugddetentie
Rekening houdend met de redelijke termijn en de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, acht de rechtbank, alles afwegende, een jeugddetentie van 92 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd passend en geboden. De rechtbank gaat uit van een voorarrest van 2 dagen, zodat verdachte, als hij zich houdt aan de algemene, bijzondere en van rechtswege geldende voorwaarden, in deze zaak niet meer naar de jeugdgevangenis hoeft. Het voorwaardelijk strafdeel dient ertoe verdachte een kans te bieden om met begeleiding door de jeugdreclassering een andere weg in te slaan. De rechtbank deelt de zorgen over de ontwikkeling en problematiek van verdachte en het daarmee gepaard gaande recidivegevaar. Verdachte dient ervan doordrongen te zijn dat die kans hem niet meer buiten de justitiële jeugdinrichting zal worden geboden als hij doorgaat met het plegen van strafbare feiten.
Naast het meewerken aan een zinvolle dagbesteding in de zin van onderwijs (of anderszins als dat niet mogelijk), acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte zal meewerken aan een breed diagnostisch onderzoek en – in het verlengde daarvan – de hulpverlening en/of behandeling die de jeugdreclassering nodig vindt om de kans op herhaling terug te dringen. De rechtbank acht daarnaast de plaatsing van verdachte bij Almata of een soortgelijke instelling passend en geboden, omdat het niet langer verantwoord is om de begeleiding thuis voort te zetten. De rechtbank vindt het in het belang van verdachte dat hij op een plaats zal verblijven waar er, meer dan thuis, toezicht op hem zal zijn en hij de hulpverlening kan krijgen die hij nodig heeft. Om recht te doen aan de ernst van de feiten en verdachte te laten voelen dat zijn gedrag gevolgen heeft zal de rechtbank daarnaast aan verdachte opleggen een werkstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie mocht verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verrichten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van verkrachting en het openbaar maken van een filmpje hiervan. Gelet op de ernst van de feiten, de veroordelingen van heden in de drie andere strafzaken van verdachte en de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uitgeoefende toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De benadeelde partij
[persoon] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Voor beide feiten wordt een schadevergoeding van in totaal € 36.587,14, gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de rechtbank vonnis wijst en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft op de zitting de hoogte van haar vordering aangepast, in die zin dat de kosten van de kortgeding procedure tegen medeverdachte [medeverdachte] (ad €3.291,20 advocaatkosten en €151,94 deurwaarderskosten) hierop in mindering moeten worden gebracht. Thans vordert de benadeelde partij een schadevergoeding van € 33.140,-, bestaande uit € 25.400,- aan immateriële schade ter zake van het geestelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen en aantasting in persoon op andere wijze en € 7.740,- aan materiële schade ter zake advocaatkosten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat het ontstaan van geestelijk letsel ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende blijkt uit de stukken die zijn overgelegd. Echter, de aard en de ernst van de normschending door verdachte – het verrichten van vergaande seksuele handeling op jonge leeftijd onder dwang van meerdere oudere jongens in het openbaar en het openbaar maken van beeldmateriaal hiervan– maken dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dat betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De rechtbank overweegt dat de impact van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij en het gezinssysteem groot is en dat daar een passende schadevergoeding tegenover moet gaan. De uitspraken die aan de vordering zijn toegevoegd, zijn echter niet één op één vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 5.000,- billijk. Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
De benadeelde partij heeft als materiële schade de advocaatkosten van € 7.740,- gevorderd. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij heeft bedoeld deze kosten als proceskosten te vorderen en zal deze kosten dan ook als zodanig aanmerken. Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding, bepalen op € 576,- (à € 288,- per punt, voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de mondelinge behandeling ter zitting). De rechtbank zal de overige proceskosten afwijzen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen, met uitzondering van de proceskosten. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald, en andersom.
De wettelijke rente
Daarnaast zal voor wat betreft de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de rechtbank vonnis zal wijzen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
8. De wettelijke voorschriften
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van verkrachting;
feit 2: primair: openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat deze door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon is verkregen en terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 92 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* onderwijs volgt en/of een zinvolle dagbesteding heeft;* zijn medewerking verleent aan de afname van een breed persoonlijkheidsonderzoek;* meewerkt aan hulpverlening en/of behandeling die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt ter voorkoming van recidive;
* zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk vindt, laat opnemen in en behandelen door Almata jeugdzorg of een soortgelijke (open) zorginstelling, te bepalen door de jeugdreclassering. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van hulpverlening en behandeling. Gelet op de (nader te duiden) problematiek van verdachte kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal innemen. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;
- van rechtswegegelden hierbij nog de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, zijn medewerking verleent aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- geeft opdracht aan de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen jeugdreclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen.
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededader, althans diens wettelijke vertegenwoordiger, hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- wijst de vordering voor zover die ziet op immateriële schade voor het overige af;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 576,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. E.B. Prenger en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
Mr. E.B. Prenger en mr. C.R.R. Loeve zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit:- het afpakken van de step van die [slachtoffer] , en/of- het toevoegen van de woorden (zakelijk weergegeven) dat die [slachtoffer] verdachte moest pijpen anders kreeg zij haar step niet terug, en/of- het fysieke/numerieke overwicht over die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 20 maart 2024 te [plaats] , een afbeelding van seksuele aard, van een persoon, [slachtoffer] , te weten een filmpje, waarop te zien is dat die [slachtoffer] een persoon pijpt, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze afbeelding opzettelijk en wederrechtelijk was vervaardigd en/of die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer] kon zijn;
(art 139h lid 2 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, [slachtoffer] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een fimpje, waarop te zien is dat die [slachtoffer] een persoon pijpt, heeft/hebben vervaardigd;
(art 139h lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)