NJB 2024/1663:Cassatie in het belang van de wet over de vraag in hoeverre op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een proceskostenvergoeding moet worden toegekend ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand indien na het opleggen van de sanctie het boetebedrag is verlaagd door de wetgever. Het hof oordeelde dat dit het geval is omdat dan – kort gezegd – sprake is van een ‘aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid’. De Hoge Raad overweegt onder meer dat wanneer de voor de betrokkene gunstige wijziging in de regelgeving ten aanzien van het toe te passen sanctiebedrag plaatsvindt nadat de gedraging door de betrokkene is verricht, maar voordat de administratieve sanctie door de ambtenaar wordt opgelegd, inderdaad sprake is van een ‘aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid’ als die ambtenaar bij die oplegging niet uitgaat van het voor de betrokkene gunstiger sanctiebedrag. Van een dergelijke onrechtmatigheid is echter niet sprake wanneer op het moment van de oplegging van de administratieve sanctie door de tot oplegging bevoegde ambtenaar is uitgegaan van het juiste, want op dat moment op grond van de regelgeving geldende sanctiebedrag, terwijl pas daarna – ten tijde van de administratiefberoepsprocedure bij de officier van justitie dan wel de beroepsprocedure bij de rechter die op het (hoger) beroep beslist – als gevolg van een na die oplegging in werking getreden verandering van regelgeving een voor de overtreder gunstige wijziging in het toe te passen sanctiebedrag heeft plaatsgevonden, waardoor in de betreffende beroepsprocedure aanleiding bestaat tot verlaging van het sanctiebedrag. Een veroordeling in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken als bedoeld in art. 13a Wahv blijft dan achterwege, tenzij een andere grond bestaat voor zo’n veroordeling.