Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.3.1
I.3.1 Noodzaak tot concretisering van beginselen
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Waard 1987, p. 94-95; Van der Heijden 1984, p. 49-50.
Dat kan derhalve ook een rechterlijke instantie zijn. De procesregelingen voor de rechtbanken worden conform de Landelijke procesregeling bestuursrecht 2008, een modelregeling, door ieder gerechtsbestuur voor het eigen gerecht vastgesteld, zie Stcrt. 2008, 114. Voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven is door deze colleges de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 vastgesteld, Stcrt. 2005, 250.
De Waard 1987, p. 107-112; Widdershoven 1989, p. 110-111.
De Waard 1987, p. 107-112.
De gelding van een beginsel van behoorlijke rechtspleging voor een bepaalde procedure impliceert dat die procedure zo moet zijn vormgegeven dat aan dat beginsel wordt voldaan. Uit die vaststelling kan echter nog niet concreet worden afgeleid op welke wijze de procedure ingericht moet zijn, teneinde in overeenstemming te zijn met het desbetreffende beginsel. Inachtneming van een beginsel van behoorlijke rechtspleging kan op verschillende wijzen geschieden en de daartoe benodigde waarborgen behoeven niet op voorhand vast te liggen. Beginselen zijn immers open abstracte rechtsnormen, die nader geconcretiseerd of uitgewerkt moeten worden in concrete eisen.1 Zolang de desbetreffende procedure is ingericht op een wijze die recht doet aan de beginselen van behoorlijke rechtspleging, is de wijze waarop de inrichting heeft plaatsgevonden of plaats moet vinden (binnen dat kader) in beginsel vrij. Het is aan de wetgever of andere instantie die het desbetreffende procesrecht of de desbetreffende procesregeling2 vormgeeft op welke wijze de beginselen van behoorlijke rechtspleging daarin tot uitdrukking worden gebracht. Is er geen procesrecht dat de inrichting van de procedure normeert of geen procesregeling waarin eisen zijn vervat, zal de rechter eisen moeten formuleren die gelden in het concrete voorliggende geval (maar ook daarbuiten voor andere gevallen geldingskracht kunnen hebben). In alle gevallen is het de rechter die uiteindelijk het oordeel moet geven over de vraag of de desbetreffende procedure voldoet aan de beginselen van behoorlijke rechtspleging.
Het karakter van de beginselen van behoorlijke rechtspleging impliceert kortom dat deze beginselen uitgewerkt moeten worden in concretere eisen waaraan een procedure moet voldoen. Daaruit volgt voorts dat concrete toepassingen of uitwerkingen van een beginsel onderscheiden kunnen worden van het beginsel zelf. Uitwerkingen of toepassingen van een beginsel zijn derhalve eisen met een andersoortig karakter. In de doctrine wordt ook wel eens de term inrichtingseisen gebezigd in verband met de beginselen van behoorlijke rechtspleging.3 Deze inrichtingseisen wordt in de meeste gevallen eveneens een ander karakter toegedicht dan de beginselen van behoorlijke rechtspleging.4 De verhouding van deze verschillende eisen tot elkaar is niet altijd even helder. Om het referentiekader, dat wil zeggen de geldende behoorlijkheidsbeginselen voor rechtspleging, vast te kunnen stellen is het van belang het onderscheid — voor zover dat gehandhaafd moet worden — tussen deze verschillende soorten eisen in kaart te brengen. In het onderstaande wordt daaraan dan ook eerst aandacht besteed, alvorens in het volgende hoofdstuk aan de geldende behoorlijkheidsbeginselen en eisen wordt toegekomen.