NJ 1929, p. 622
Overeenkomst, aangegaan na het opeischbaar worden der vordering, betreffende de tegeldemaking van het pand. Wanneer schending van art. 1378 B. W. aanwezig is.
HR 17-01-1929, ECLI:NL:HR:1929:372, m.nt. Prof. Mr. Paul Scholten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 januari 1929
- Magistraten
Mrs. Fentener van Vlissingen, Kosters, Schepel, Van Gelein Vitringa en Kirberger.
- Zaaknummer
[17011929/NJ_1929,_p._622]
- Conclusie
Mr. Besier
- Noot
Prof. Mr. Paul Scholten
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS151565:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Verbintenissenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1929:372, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑1929
- Wetingang
(BW art. 1201, 1378-1387.)
Essentie
Overeenkomst, aangegaan na het opeischbaar worden der vordering, betreffende de tegeldemaking van het pand. Wanneer schending van art. 1378 B. W. aanwezig is.
Samenvatting
De na het opeischbaar worden der vordering aangegane overeenkomst, inhoudende eene betalingsregeling, waarbij de schuldenaar er in toestemt, dat de door hem in pand gegeven aandeelen den schuldeischer ter beschikking onderhands worden overgelaten onder verplichting tot afrekening tegen middenkoers, is niet met de artt. 1200, 1201 en 1202 B. W. in strijd.
Schending van art. 1378 B. W. kan den rechter eerst dan worden verweten, wanneer hij aan de bewoordingen eener overeenkomst, welke, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.