Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.5.4
1.5.4 Goederen en rechten op goederen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299249:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarvoor Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 1 en meer uitgebreid randnummer 409.
Zie bijvoorbeeld Ploeger 2000, p. 234; Fesevur 2005, p. 28. Vaak wordt de zinsconstructie vermeden door de termen ‘hoofdrecht’ en ‘heersend erf’ in verschillende zinnen te plaatsen.
Zie bijvoorbeeld Asser/van Mierlo 2016, para. 52.
De zinsconstructie “A is eigenaar van een stuk grond en heeft dus het eigendomsrecht” kan niet worden toegepast bij vermogensrechten (“A is rechthebbende van een vordering en heeft dus …”), omdat de terminologie daarvoor ontbreekt.
55. In ons Burgerlijk Wetboek worden de rechten ‘op’ goederen in terminologisch opzicht vaak vereenzelvigd met die goederen zelf, om daarmee aan het algemeen spraakgebruik tegemoet te komen. Zo ‘heeft’ iemand een auto, indien aan diegene het eigendomsrecht op een auto toekomt: het object van het recht (de auto) en het recht zelf (het eigendomsrecht) worden tot één gereduceerd. Het is niet mijn bedoeling om de discussies die over dit onderwerp gevoerd kunnen worden hier te bespreken.1 Wel is het nuttig om kort op dit punt de aandacht te vestigen, omdat deze verkorte spraakwijze afwijkt van de terminologie die vaak wordt gebruikt om het aanvullen van subjectieve rechten te bespreken. Zo heeft men het bij afhankelijke beperkte rechten over het hoofdrecht waarvoor een afhankelijk recht is gevestigd en het moederrecht waarop het is gevestigd. Bij de bespreking van een concreet afhankelijk recht, zoals het recht van erfdienstbaarheid, zijn er dus twee manieren om het verband tussen afhankelijk recht en hoofdrecht aan te geven: een erfdienstbaarheid is afhankelijk van het heersend erf (verkorte spreekwijze), oftewel het recht van erfdienstbaarheid is afhankelijk van het eigendomsrecht op het heersend erf (lange spreekwijze). Technisch gezien is het dus onzuiver om te zeggen: het recht van erfdienstbaarheid is afhankelijk van het heersend erf, of een erfdienstbaarheid is afhankelijk van het eigendomsrecht op het heersend erf. In beide gevallen wordt een koppeling gemaakt tussen twee verschillende niveaus van analyse (een rechtsobject versus het recht op een rechtsobject). In de literatuur over erfdienstbaarheden houdt men daarom meestal de langere spreekwijze aan.2 Bij vorderingsrechten die als hoofdrecht fungeren, wordt daarentegen wél gezegd dat de vordering (zelf) als hoofdrecht dient.3 Dit zal er mee te maken hebben dat er geen terminologische pendant van het eigendomsrecht bestaat voor vermogensrechten.4 Ik zal de gangbare terminologie aanhouden en het dus hebben over het eigendomsrecht op een heersend erf als hoofdrecht van een recht van erfdienstbaarheid en een vorderingsrecht als hoofdrecht bij een pandrecht.