Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.4.6
4.2.1.4.6 Over het graf-rechtshandelingen
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS406855:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO BI).
F.M.J. Verstijlen, Materieel faillissementsrecht: de betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, Preadvies 2006 uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2006, p. 141.
E.W.J.H. de Liagre Bill, Sanering en Faillissement, Deventer: Kluwer 1991, p. 73.
Van Dijck, De Faillissementspauliana. Revisie van een relict, p. 72.
Hij noemt twee argumenten die tegen toepasselijkheid zouden kunnen pleiten. Mogelijk zou men kunnen oordelen dat ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling niet gezegd kan worden dat de rechtshandeling in haar totaliteit beschouwd benadelend is of dat partijen dat behoren te weten. (Verstijlen, Materieel faillissementsrecht: de betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, p. 142). De pauliana kan in beginsel slechts tegen een rechtshandeling als geheel worden ingeroepen. In hoeverre de pauliana ook tegen onderdelen ingeroepen kan worden is geen uitgemaakte zaak onder Nederlands recht. Zie voor een verwijzing naar het Duitse recht waar de pauliana wel ingeroepen kan worden tegen specifiek benadelende clausules waarvan de werking afhankelijk is van het faillissement, Verstijlen, Materieel faillissementsrecht: de betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, p. 141.
Elders noemt Verstijlen (Materieel faillissementsrecht: de betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, p. 138) nog als mogelijke rechtsgrond om tegen dergelijke rechtshandelingen op te komen, art. 35 bFw.
De rechtspraak laat zien dat ten aanzien van deze materie verschillende rechtsfiguren ingezet worden. Rechtbank Amsterdam (25 januari 2006, JOR 2006/220) moest over een geval oordelen dat de hier besproken problematiek van 'over het graf-rechtshandelingen' raakt, maar niet rechtstreeks betreft. Het betrof een renvooiprocedure. Hier had een schuldeiser na de surseanceverlening maar voor de faillietverklaring een contractuele bepaling ingeroepen, waardoor deze, kort gezegd, gerechtigd zou worden tot 120% van het bedrag waartoe hij zonder het inroepen gerechtigd zou zijn. De rechtbank wees de vordering voor het verhoogde gedeelte af met een beroep op het fixatiebeginsel. De rechtbank oordeelde dat indien een faillissement wordt voorafgegaan door een surseance, het fixatiebeginsel reeds werkt vanaf de surseanceverlening. De rechtbank is kritisch ten aanzien van het feit dat de bepaling beoogt de opeisbare som in geval van faillissement te verhogen. De rechtbank kon de zaak afdoen op grond van het fixatiebeginsel omdat de schuldeiser nog een handeling moest verrichten om aanspraak te kunnen maken op de contractuele verhoging van de opeisbare som. Nu deze handeling na datum surseance had plaatsgevonden, stond het fixatiebeginsel eraan in de weg dat de rechten die hieruit voortvloeiden tegen de boedel konden worden ingeroepen. De rechtbank hoefde niet te oordelen over de vraag wat rechtens zou zijn geweest indien was opgenomen in de overeenkomst dat zonder verdure handeling van de wederpartij het verschuldigde bedrag met 20% zou toenemen. Verstijlen schrijft dat een beding dat wordt ingericht als een boete die wordt verbeurd bij het uitspreken van het faillissement niet vatbaar is voor verificatie omdat deze vordering 'technisch-juridisch' op het moment van faillietverklaring nog toekomstig is. Verificatie stuit dan dus ook af op het fixatiebeginsel. Met kleine aanpassingen — een vordering onder opschortende voorwaarde of een boete gekoppeld aan een faillissementsaanvraag — is niet duidelijk of het fixatiebeginsel dan ook aan verificatie in de weg zou staan, zodat dan ook naar andere rechtsfiguren gekeken moet worden. Voor zover het fixatiebeginsel niet toegepast kan worden, kan de pauliana een rechtsgrond bieden tegen het effectueren van onwenselijke aanspraken, gecreëerd om te werken in faillissement, maar tot stand gebracht buiten het vooruitzicht van een faillissement. Ook in het Engelse recht wordt wel betoogd dat over het graf-rechtshandelingen alle stranden op het fixatiebeginsel. Zie hierover hoofdstuk 3 (§ 3.2.6).
Zie ten aanzien van de grenzen die pauliana mogelijk stelt aan het relatief nieuwe figuur van het overwaarde-arrangement R.J. de Weijs, `Overwaardearrangementen, de actio pauliana en de verdeling van zure vruchten', WPNR 2006/6652.
In faillissement dienen schuldeisers in beginsel de rechtshandelingen van de gefailleerde te respecteren. De rechtshandeling is verricht tussen de schuldenaar en zijn wederpartij, waar de schuldeisers in principe buiten staan. Slechts indien de schuldenaar en diens wederpartij wisten dat schuldeisers benadeeld zouden worden door de rechtshandeling, is er ruimte voor vernietiging. Deze wetenschap van benadeling veronderstelt, zoals gezien, in principe een zekere bekendheid van partijen met het naderende faillissement, of zoals de Hoge Raad het stelt 'dat het faillissement met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien'.1
De schuldenaar kan echter ook rechtshandelingen verrichten waarmee deze als het ware over zijn graf tracht heen te regeren. Zo kan men denken aan boetes afhankelijk van het faillissement, waarbij de schuldenaar met het uitspreken van het faillissement een aanzienlijk bedrag verschuldigd wordt. Ook is het mogelijk dat de schuldenaar het spiegelbeeld daarvan overeenkomt, namelijk dat bepaalde vermogensrechtelijke aanspraken komen te vervallen met het uitspreken van het faillissement. A leent bijvoorbeeld een bedrag aan B, maar komt overeen met B dat deze het bedrag mag houden indien A zou failleren. Hoewel de spiegelbeeldige handelingen beide benadelend uitwerken voor schuldeisers in het faillissement, dienen ze onderscheiden te worden, omdat de handelingen een inbreuk maken op uiteenlopende principes. Handelingen waarmee nieuwe aanspraken worden gecreëerd, botsen met het beginsel van de paritas creditorum als vastgelegd in artikel 3:277 BW, dat bepaalt dat alle schuldeisers met dezelfde rang pro rata hun vordering delen. Een afspraak waarbij de schuldenaar overeenkomt dat een bepaalde vermogensrechtelijke aanspraak komt te vervallen, botst met artikel 3:276 BW. Dit artikel bepaalt dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden. De schuldenaar kan, behoudens de door de wetgever geboden mogelijkheid van het vestigen van zekerheidsrechten, niet zijn vermogen zo inrichten dat bepaalde goederen buiten verhaal blijven of bij voorrang aan een bepaalde persoon toekomen. Dit geldt ook voor afspraken die juist beogen dat bepaalde aanspraken komen te vervallen.
De negatief geformuleerde regel uit HR Bakker q.q./Katko, gelijk de thans positief geformuleerde regel uit HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III, leidt tot ongerijmdheden indien deze ook wordt toegepast op rechtshandelingen waarbij de schuldenaar als het ware over zijn graf heen tracht te regeren. In zijn preadvies 'De betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement' bestrijdt Verstijlen de gedachte dat de regel uit Bakker q.q./Katko (en naar ik aanneem thans ook de positief geformuleerde regel uit HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III) ook zou gelden voor boetebedingen afhankelijk van faillissement. Hij schrijft het volgende:
`Getransponeerd naar de onderhavige casus zou dit betekenen dat (de overeenkomst met daarin) het boetebeding "paulianabestendig" is. Naar ik meen is dit onterecht en kunnen ook benadelende rechtshandelingen worden vernietigd die worden verricht op een moment dat het faillissement nog niet zeker is, maar die ertoe strekken de schuldeisers te benadelen voor het geval dat het faillissement wordt uitgesproken. (..) Een boetebeding gekoppeld aan het faillissement is geen normale transactie met een reële economische betekenis, maar dient er slechts toe de positie van de wederpartij in een faillissement te verbeteren. Ik zou juist willen aannemen dat hier uit de aard der zaak sprake is van wetenschap van benadeling.'2
Zie voor een vergelijkbare analyse De Liagre Bóhl ten aanzien van paulianeuze verblijvens- of overnemingsbedingen (geschreven voor het wijzen van HR Bakker q.q./Katko).
`Veelal is in het vennootschapscontract geregeld, dat na ontbinding de overige vennoten gerechtigd zijn de vennootschap voort te zetten met het recht van overneming der activa. Soms bevat een dergelijk beding de bepaling, dat in geval van faillissement op minder gunstige wijze met de uittredende vennoot wordt afgerekend, dan in gevallen van ontbinding uit anderen hoofde. Dergelijke clausules dienen van geval tot geval te worden beoordeeld. Onevenredige bevoordeling van de overblijvende vennoten kan door middel van de faillissementspauliana worden aangetast. Weliswaar moet, ingevolge HR 23 december 1949 (NI 1950, 262, m.nt. Ph.A.N.H), de wetenschap van benadeling reeds hebben bestaan ten tijde van het maken van het beding, maar deze wetenschap staat per definitie vast, indien de minder gunstige wijze van afrekenen nu juist is overeengekomen voor het geval van faillissement."3
Het Nederlandse recht is echter vooralsnog onduidelijk over de grenzen die de pauliana stelt, evenals de grenzen die andere rechtsfiguren stellen, aan handelingen waarmee de schuldenaar over zijn graf tracht te regeren. Zo meent Van Dijck dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat als vereiste voor de pauliana geldt dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid voorzien dient te worden dat bij de schuldenaar financiële problemen dreigen of er al zijn en dat de werking van de pauliana daarom beperkt zou zijn tot de fase waarin de schuldenaar in financiële problemen verkeert of door de gedraging raakt. Hij meent vervolgens wel dat het een gebrek is dat de pauliana niet de belangen van de schuldeisers beschermt tegen handelingen met de schuldenaar die niet in het zicht van, maar wel met het oog op een faillissement plaatsvinden.4 Van Dijck meent vervolgens dat het hele instrument van de pauliana revisie behoeft. Zijn lezing van het Nederlandse recht lijkt dan ook mede ingegeven te zijn om zijn pleidooi van een algehele revisie van 'het relict de pauliana' kracht bij te zetten. Deze lezing van Van Dijck op dit gebied komt mij echter onjuist voor. Ik zou, net als Verstijlen en De Liagre Whl, menen dat de pauliana wel degelijk ruimte biedt om bescherming te bieden, niet alleen tegen rechtshandelingen in het zicht van faillissement, maar ook tegen rechtshandelingen met het oog op faillissement. Revisie van de pauliana is dan in elk geval niet nodig vanwege de hier besproken problematiek.
Verstijlen geeft aan dat, indien men meent dat de pauliana niet gegeven is voor de bestrijding van over het graf-rechtshandelingen,5 andere rechtsfiguren soulaas kunnen bieden. Men zou volgens hem kunnen aannemen dat het in strijd is met het beginsel van de gelijke behandeling van de schuldeisers, of in strijd is met de tussen hen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid of dat het zelfs onrechtmatig is om vervolg te geven aan de rechtshandeling door de boetevordering in te dienen.6 Hieraan kan het fixatiebeginsel toegevoegd worden.7
Voor zover het benadelende rechtshandelingen van de schuldenaar betreft, ten aanzien waarvan met de aard van de rechtshandeling reeds gegeven is dat het doel benadeling is, althans het bevoordelen van een bepaalde partij in faillissement ten koste van de gezamenlijke schuldeisers, is er geen (behoudens de wettelijk geregelde mogelijkheid van het vestigen van een zekerheidsrecht) goede reden om de pauliana niet toe te passen en de toevlucht tot andere rechtsfiguren met open normen te moeten nemen. Het probleem dat voorligt is juist het probleem waar de pauliana tegen waakt: onverplichte benadelende rechtshandelingen verricht door de schuldenaar voor faillissement terwijl deze en diens wederpartij wisten dat benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn. De pauliana dient een antwoord te blijven geven op benadelende rechtshandelingen verricht door de schuldenaar, ook als nieuwe, benadelende clausules of overeenkomsten ontwikkeld en in praktijk gebracht worden.8