Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.2.2.2
8.5.4.2.2.2 Uudenkaupungin Kaupunki-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291199:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: conclusie A-G Van Hilten 28 januari 2013, nr. 07/12617bis, V-N 2013/22.19, punt 4.3.3 en 4.3.4.
Van Zadelhoff had derhalve een vooruitziende blik omtrent het belang van de VNO-criteria voor de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen (B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 299). Zie ook: K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 300.
In het Uudenkaupungin Kaupunki-arrest heeft het Hof van Justitie – onder verwijzing naar het in de vorige paragraaf besproken VNO-arrest – geoordeeld dat de bijzondere herzieningsregeling voor investeringen in (thans) art. 187 Btw-richtlijn e.v. haar verklaring en rechtvaardiging vindt in het duurzame gebruik en de dienovereenkomstige afschrijving. De in het VNO-arrest gegeven criteria voor investeringsgoederen – duurzame aard, waarde en afschrijving – en de door het Hof gestelde grenzen aan de beoordelingsruimte bij de nationale invulling van dit begrip, zijn daarom bepalend of op een goed al dan niet de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen van toepassing is. Maar wat is dan nog de betekenis van de bevoegdheid die lidstaten op grond van art. 189, onderdeel a Btw-richtlijn hebben om het begrip ‘investeringsgoed’ te definiëren? Uit het Uudenkaupungin Kaupunki-arrest leid ik af dat deze bepaling de lidstaat uitsluitend de bevoegdheid geeft om de bijzondere herzieningsregeling in de nationale wetgeving te beperken tot bepaalde investeringsgoederen.1 Ontbreekt een beperkende definitie van het begrip investeringsgoederen, dan geldt de bijzondere herzieningsregeling voor alle goederen die aan de ‘VNO-criteria’ voldoen.2
In het Uudenkaupungin Kaupunki-arrest heeft het Hof korte metten gemaakt met het argument van de Finse regering dat (thans) art. 189, onderdeel a Btw-richtlijn lidstaten toestaat om het begrip ‘investeringsgoed’ te definiëren en dat het verrichten van bouwdiensten – de oplevering van een gebouw is een dienst, tenzij een lidstaat deze handeling op grond van art. 14 lid 3 Btw-richtlijn aanmerkt als een levering (zie paragraaf 4.2.5) – niet noodzakelijkerwijs onder dit begrip hoeft te vallen. Naar het oordeel van het Hof volstaat het dat dat de Finse regering heeft erkend dat het Finse recht geen enkele definitie van dit begrip kent daar de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen niet in het Finse recht was geïmplementeerd. Een lidstaat die de bepalingen van een richtlijn niet in het nationale recht heeft omgezet, kan aan zijn onderdanen geen beperkingen tegenwerpen die krachtens deze bepalingen hadden kunnen worden opgelegd. Hieruit is naar mijn mening af te leiden dat het Hof erkent dat art. 189, onderdeel a Btw-richtlijn toestaat dat een lidstaat voor een wettelijke definitie van het begrip investeringsgoederen kan kiezen die (bouw)diensten uitsluit. Daarnaast is uit dit oordeel af te leiden dat de oplevering van een gebouw, ook indien deze handeling kwalificeert als een dienst, onder de toepassing van de bijzondere regeling voor investeringsgoederen valt, tenzij uit de nationale wettelijke definitie van het begrip investeringsgoed het tegendeel blijkt. Op het punt dat één op meer belaste ingaande diensten kunnen resulteren in een investeringsgoed kom ik terug in de paragrafen 8.5.4.2.2.4 en 8.5.4.2.2.5.