Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.2.1:6.2.1 Invloed vanuit de verhouding tussen de stak als beheerder en de certificaathouders
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.2.1
6.2.1 Invloed vanuit de verhouding tussen de stak als beheerder en de certificaathouders
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958023:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ten aanzien van certificering van onroerend goed ook Van der Grinten 1964, p. 55.
Bij onroerend goed kan het van belang zijn voor het onderhoud of exploitatie dat bepaalde beperkte rechten kunnen worden gevestigd, zoals het recht van hypotheek of een recht van erfpacht.
Zie hierover Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/94-96.
Zie ook Van der Grinten 1964, p. 55.
Zie paragraaf 5.2.1.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij een certificeringsstructuur die is opgezet rondom onroerend goed of kunst mag worden aangenomen dat de stak als eigenaar in beginsel beschikkingsbevoegd is.1 Een goederenrechtelijke beperking levert strijd op met het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW. Bij een goederenrechtelijke beperking van de beschikkingsbevoegdheid kan immers niet worden gezegd dat het goed na de overdracht aan de stak volledig in het vermogen van de stak is gevallen.
Het daadwerkelijk kunnen beschikken over het onroerend goed of de kunst kan echter op andere manieren aan banden worden gelegd. Bij certificering van onroerend goed, waarbij de stak eigenaar wordt, geldt hiervoor het volgende. De statuten van de stak moeten in het geval van registergoederen uitdrukkelijk de bevoegdheid van het bestuur bevatten om besluiten te kunnen nemen tot verkrijging van registergoederen. Is dit niet uitdrukkelijk opgenomen in de statuten, dan is het bestuur niet bevoegd om een besluit te nemen tot verkrijging van het onroerend goed ten titel van beheer. Dit volgt uit art. 2:291 lid 2 BW. Het artikel beschrijft daarnaast dat de bevoegdheid om bestuursbesluiten te nemen tot het bezwaren of vervreemden van registergoederen ook uitdrukkelijk in de statuten moet worden opgenomen. Deze bevoegdheden kunnen aan beperkingen en voorwaarden worden verbonden. In de statuten kan bijvoorbeeld worden opgenomen dat voor besluiten tot het bezwaren of vervreemden van het onroerend goed de toestemming van de certificaathouders nodig is.2 De voorwaarden en beperkingen die worden opgenomen, gelden in beginsel ook voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging ter zake van deze handelingen. Ook hiervoor geldt dat in de statuten een afwijkende bepaling kan worden opgenomen.
Een besluit dat in strijd met de bepalingen in de statuten is genomen, is nietig of vernietigbaar op grond van art. 2:14 dan wel art. 2:15 BW.3 Of sprake is van nietigheid of vernietigbaarheid hangt af van de inhoud van de bepaling in de statuten.4 Art. 2:16 lid 2 BW bepaalt ten aanzien van deze besluiten weliswaar dat de vernietiging of nietigheid niet aan een derde te goeder trouw kan worden tegengeworpen, maar degene die het onroerend goed van de stak verkrijgt, zal niet snel als te goeder trouw worden aangemerkt. Het feit dat de verkrijger een rechtshandeling aangaat met een stichting die dan ook nog een stak is leidt ertoe dat de verkrijger zich bewust moet zijn van mogelijke beperkingen bij de overdracht op grond van de wet of de statuten.5
Voor het verkrijgen, bezwaren en vervreemden van kunst geldt dat er ook beperkingen inzake de bestuursbevoegdheid kunnen worden opgenomen in de statuten. Dit kan via de weg van art. 2:291 lid 1 BW. Zijn er geen beperkingen in de statuten opgenomen, dan bestaan er op grond van art. 2:291 BW geen beperkingen voor het bestuur van de stak om tot vervreemding van de kunst over te gaan.
Ook indien art. 2:291 BW geen bezwaar oplevert om onroerend goed of kunst te verkrijgen, vervreemden of bezwaren, zal de stak niet snel tot vervreemding van het onroerend goed of de kunst overgaan. Net als voor de certificering van aandelen geldt dat de vervreemding in strijd zal zijn met het doel van de stak. Het besluit tot vervreemding is dan vernietigbaar op grond van art. 2:7 BW.6
6.2.1.1 Enige opmerkingen ten aanzien van certificering van belegd vermogen