Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/8.4
8.4 Niet de verjaring op zichzelf, maar haar wettelijke regeling dient een"algemeen" rechtszekerheidsbelang
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369012:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Te noemen zijn het Engelse Equity-recht (zie Preston, Newsom (1953), p. 3) en het klassieke Romeinse recht (zie Spiro (1975), p. 18).
Zie ook § 9.2, waar ik ten aanzien van de situatie waarin van de crediteur redelijkerwijze verwacht kon worden dat hij zijn vordering instelde, zal betogen dat de veij aringsregel een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking is. Die standaardisering is wenselijk ten behoeve van de kenbaarheid van het recht.
HR 23 oktober 1998, NJ 2000, 15.
R.o. 3.3.1.
Herhaald zij dat de Hoge Raad bij zijn denken over de verjaring niet het rechtszekerheidsbelang van de individuele debiteur voor ogen lijkt te hebben gehad. Hij acht immers blijkens zijn laatste woorden de individuele gerechtigheid met die rechtszekerheid onverenigbaar, terwijl de rechtszekerheid begrepen als belang van de individuele debiteur, als gewicht in de weegschaal belangen crediteur/belangen debiteur nu juist onderdeel vormt van de individuele gerechtigheid.
Overigens is de redenering van de Hoge Raad ook op een ander punt moeizaam. Hij schrijft: 'de rechtszekerheid [eist] (...)een vaste termijn' en 'daarom [mijn cursivering — JLS] kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van die termijn'. Dat de rechtszekerheid een vaste termijn eist, daar ben ik het helemaal mee eens. Maar dat daarom niet kan worden afgeweken van het wettelijk vermelde aanvangstijdstip van die termijn, is geen zuivere gevolgtrekking. De bepaling van het aanvangsmoment is namelijk geen normatief neutrale exercitie, zoals het bepalen van de lengte van de termijn dat tot op grote hoogte wel is, maar vergt een redelijkheidsoordeel omdat in de bepaling van het aanvangsmoment tot uitdrukking moet komen dat een vordering niet krachtens de relatieve termijn verjaart alvorens de crediteur haar heeft kunnen instellen.
Het doel van het gevolg van verjaring enerzijds en het positiveren van de verjaring anderzijds wordt ook elders regelmatig verward. Zo schrijft bijvoorbeeld Zimmerman 1984, p. 4101.k.: 'Ein weiterer, wichtiger effect der Veffilirung liegt in der Entlastung der Gerichte. Sollen Prozesse vermieden oder jedenfalls auf einfachem Wege abgekürzt werden Minnen, mui eine Veffilirungsregel meglichst klar und einfach sein.'
Hiervoor werd opgemerkt dat de rechtszekerheid als zelfstandig verjaringsrechtelijk doel eigenlijk nooit goed gemotiveerd is. Dat gebrek aan redengeving doet er niet aan af dat de Hoge Raad en een groot aantal schrijvers in binnen- en buitenland dit motief gedurende lange periode wel degelijk van doorslaggevende betekenis hebben geacht. Ik heb mij afgevraagd hoe dat komt; het is toch niet aannemelijk dat een opvatting die nog kort geleden over brede linies werd gedragen, iedere grond ontbeert. Waarschijnlijk heeft zich het volgende misverstand voorgedaan.
Met het gevolg van verjaring, wordt, als gezegd, de individuele en niet de algemene rechtszekerheid gediend, in die zin dat door het verjaren van een vordering de debiteur niet langer in onzekerheid verkeert. Maar de verjaringsregeling bevordert tevens een heel ander soort rechtszekerheid. Dat type rechtszekerheid vloeit niet voort uit het gevolg van verjaring, maar is het resultaat van het bestaan en de vormgeving van de verjaringsregeling. En die soort rechtszekerheid zou men wél een algemeen rechtszekerheidsbelang kunnen noemen. Ik bedoel het volgende.
Wij zullen in de loop van dit boek zien dat aan elk van de twee pijlers van ons positieve verjaringsrecht, de relatieve en de absolute termijn, een eigen, specifieke rechtvaardiging ten grondslag ligt. Om al een beetje op de zaken vooruit te lopen: verjaring krachtens de relatieve termijn wordt gerechtvaardigd doordat men het de crediteur tegenwerpt dat hij ten nadele van zijn debiteur nodeloos heeft gedraald met het geldend maken van zijn recht, en verjaring krachtens de absolute termijn wordt gerechtvaardigd doordat na werkelijk tientallen jaren tijdsverloop (i) de tijd de wonden heeft geheeld en (ii) iedere discussie over de gegrondheid van de vordering onmogelijk is wegens de teloorgang van bewijsmateriaal.
Nu zou het op zichzelf heel goed mogelijk zijn geen wettelijke verjaringsregels te maken en de rechter op basis van bovengenoemde gronden ten aanzien van iedere afzonderlijke vordering te laten bepalen of verjaring te rechtvaardigen is. Er zijn in het verleden ook wel rechtsstelsels geweest waar het zo toe ging.1 Maar erg rechts-zeker is die situatie niet. Ten eerste is het bij gebreke van een positiefrechtelijk regel voor partijen nog maar afwachten of ook de geadieerde rechter vindt dat de verjaring op de bovengenoemde gronden te rechtvaardigen is. Ten tweede, en dat is nog belangrijker, als hij dat al zou vinden zou iedere individuele rechter moeten bepalen na ommekomst van welke termijn de verjaring dan gerechtvaardigd is. Ten aanzien van dat punt zal grote onzekerheid ontstaan, doordat de keuze voor een bepaalde termijn,
althans binnen zeker marges, zich eigenlijk niet goed laat motiveren; termijnbepaling is naar zijn aard hogelijk willekeurig. Zo moeilijk als het voor de individuele rechter is een termijn te bepalen, zo voor de hand liggend is het daarom dat de wetgever dat doet.2
Men zou kunnen tegenwerpen dat de verjaringsregeling in dit opzicht helemaal niet bijzonder is, omdat alle wettelijke regels dit type rechtszekerheid dienen. Als wij met Scholten aannemen dat wettelijke regels "gestolde billijkheid" zijn, zou de individuele rechter die regel ook best zelf kunnen bedenken. Maar omdat het nu eenmaal zo is dat men over wat redelijk is vaak anders kan denken, is die billijke regel toch maar in de wet verankerd.
Ik geloof inderdaad dat op zichzelf de regel dat een rechtsvordering verjaart na zeker tijdsverloop niet in sterkere mate de rechtszekerheid dient dan, bijvoorbeeld, de regel dat wie jegens een ander onrechtmatig handelt diens schade moet vergoeden. De regel dat wie ten koste van een ander nodeloos draalt bij het geldend maken van zijn vordering die vordering verliest (verjaring krachtens de relatieve termijn), sluit denk ik even nauw aan bij het rechtsgevoel als de regel dat wie schade toebrengt jegens de gelaedeerde schadeplichtig is.
Maar de termijnbepaling die van de verjaringsregeling deel uitmaakt, lijkt mij wel degelijk een meer uitgesproken rechtszekerheid dienend karakter te hebben dan andere regels, juist vanwege de afwezigheid van inhoudelijke argumenten voor de lengte van die termijn. Het is enigszins als met links of rechts rijden: er zijn geen dwingende overwegingen ten gunste van het een of het ander, dus als wij er niets over afspreken kiest iedereen anders. Om dat te voorkomen is het goed een regel af te spreken. De holle normatieve rechtvaardiging voor dit type regels maakt dat zij, in overwegende mate de rechtszekerheid dienen: met, zeg opnieuw, art. 6:162 BW wordt een redelijk en voorspelbaar resultaat beoogd; met het opnemen van een verjaringstermijn wordt bijna uitsluitend een voorspelbaar resultaat beoogd.
Aldus zou ik zeggen dat de verjaringsregeling de rechtszekerheid dient in de zin van voorspelbaarheid en kenbaarheid van het objectieve recht. Niet alleen omdat iedere wettelijke regel de rechtszekerheid dient, maar in het bijzonder vanwege de termijnstelling die de verjaringsregeling bevat. Het verschil in rechtszekerheidseffect tussen het gevolg van verjaring en de verankering van verjaring in een wettelijke regel, is eenvoudig inzichtelijk te maken aan de hand van de individuele partijverhouding: het resultaat van de verjaring van de vordering dient alleen het rechtszekerheidsbelang van de debiteur en niet dat van de crediteur, maar de kenbaarheid van het antwoord op de vraag of de vordering verjaard is, dient het rechtszekerheidsbelang van beiden.
Misschien is het nuttig met het voorgaande in het achterhoofd de overwegingen van de Hoge Raad uit het seksueel-misbruikarrest van 19983 nog eens te bezien. De Hoge Raad overwoog:
"Ook wat het beroep op eerstbedoelde verjaringstermijn [de relatieve termijn - JLS] betreft, eist de rechtszekerheid - welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen (...) een vaste termijn; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover zulks ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken - een geval dat art. 3:310 lid 1 blijkens zijn bewoordingen juist beoogt te voorkomen - is dat uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren."4
In deze overweging lijkt een contaminatie van de twee rechtszekerheidsperspectieven die ik hiervoor schetste — het resultaat van verjaring en de wettelijke regeling van verjaring — schuil te gaan. Enerzijds doet de frase "de rechtszekerheid — welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen —" denken dat het de Hoge Raad erom gaat dat het resultaat van de verjaring de rechtszekerheid als algemeen belang dient.5 Het staat er niet expliciet, maar de woorden "het instituut der verjaring" wekken die indruk. Anderzijds ziet de consequentie die de Hoge Raad aan die constatering verbindt niet op het resultaat dat de verjaring teweeg brengt, maar op bewaking van de vormgeving van de verjaringsregeling. De Hoge Raad wil immers de vaste termijn van de verjaringsregeling handhaven.
Misschien is de Hoge Raad zich bij zijn denken over verjaring en rechtszekerheid van het onderscheid tussen wat de verjaring teweegbrengt en de kenbaarheid van verjaringsregels niet ten volle bewust geweest. Waar hij schrijft dat het "instituut der verjaring" de rechtszekerheid dient, daarmee kennelijk doelend op de gevolgen van de verjaring, had hij beter kunnen overwegen dat de verjaringsregeling, en dan met name de termijn die in die regeling is opgenomen, de rechtszekerheid dient in de zin van kenbaarheid van het recht, en dat daarom aan die termijn moet worden vastgehouden — behoudens zeer uitzonderlijke gevallen. Als wij die termijn zouden loslaten, en bijvoorbeeld de vordering dan weer eens na 4,5 jaar, en dan weer eens na 5,8 jaar verjaard zouden achten, zou de rechtszekerheid die de vaste termijn beoogt te bieden geheel teniet worden gedaan.6,7
Hiervoor zijn drie rechtszekerheidsperspectieven aan de orde geweest: (i) de rechtszekerheid van de individuele debiteur door de werking van de verjaring (aanvaard), (ii) de rechtszekerheid van de gemeenschap als geheel door de werking van de verjaring (verworpen) en (iii) de rechtszekerheid van de gemeenschap als geheel in de zin van kenbaarheid van het positieve recht (aanvaard, maar ziend op wettelijke regeling van verjaring, niet op haar resultaat). Ik verlaat het in deze paragraaf centraal staande rechtszekerheidsperspectief van de kenbaarheid van het recht en keer weer terug naar de rechtszekerheidsbaten van het gevolg van verjaring. De aandacht gaat uit naar een groep die ligt tussen het individu en het collectief, te weten de betrokken derde.