NJF 2004, 355
Ondernemingsrecht; faillissementsrecht. Wettelijk vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling (tekortschieten in de nakoming van de in art. 2:10 en 394 BW genoemde verplichtingen) door de enige bestuurder een belangrijke oorzaak van het faillissement van Bleijenbeek is geweest. Verwerping van wat daartegen is aangevoerd.
Hof 's-Gravenhage 20-04-2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP7925
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
20 april 2004
- Magistraten
mrs. M. Hooykaas, F.J.W.M. van Dooren, R. van der Vlist
- Zaaknummer
02/01018
- LJN
AP7925
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHSGR:2004:AP7925, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 20‑04‑2004
- Wetingang
BW art. 2:10; BW art. 2:394
Essentie
Ondernemingsrecht; faillissementsrecht. Wettelijk vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling (tekortschieten in de nakoming van de in art. 2:10 en 394 BW genoemde verplichtingen) door de enige bestuurder een belangrijke oorzaak van het faillissement van Bleijenbeek is geweest. Verwerping van wat daartegen is aangevoerd.
Partij(en)
P.A. B., te Brasschaat, België, appellant, proc. mr. M.A. Koot,
tegen
Mr. P.J.A. Høvig, curator in het faillissement van Golfresort Bleijenbeek B.V., geïntimeerde, proc. mr. S.F. van der Valk.
Uitspraak
(Post alia:)
1.1
De te Zwijndrecht gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Golfresort Bleijenbeek BV (hierna: ‘Bleijenbeek’) is bij vonnis ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.