HR, 03-09-2024, nr. 19/00559
ECLI:NL:HR:2024:1111
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-09-2024
- Zaaknummer
19/00559
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1111, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑09‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:518
ECLI:NL:PHR:2024:518, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1111
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Dossier in het ongerede geraakt. Hof heeft bij brief aan HR laten weten dat dossier in deze zaak in het ongerede is geraakt. HR heeft daarna tevergeefs navraag naar dossier gedaan, o.m. bij Rb. Dat brengt mee dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat dossier niet meer beschikbaar zal komen. Uitspraak van hof kan niet in stand blijven, omdat die in cassatie niet kan worden getoetst. HR zal zaak zelf afdoen en dagvaarding in eerste aanleg nietig verklaren, nu na verwijzing of terugwijzing van zaak rechter naar wie zaak zou worden verwezen of teruggewezen niet in staat zou zijn te beraadslagen en te beslissen op grondslag van tll. HR verklaart dagvaarding in e.a. nietig.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/00559
Datum 3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 februari 2019, nummer 21-001081-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij de uitspraak in eerste aanleg mocht zijn vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
2. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Het hof heeft bij brief van 24 augustus 2023 aan de Hoge Raad laten weten dat het dossier in deze zaak in het ongerede is geraakt. De Hoge Raad heeft daarna tevergeefs navraag naar het dossier gedaan, onder meer bij de rechtbank Overijssel. Dat brengt mee dat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat het dossier niet meer beschikbaar zal komen. De uitspraak van het hof kan niet in stand blijven, omdat die in cassatie niet kan worden getoetst. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de dagvaarding in eerste aanleg nietig verklaren, nu na verwijzing of terugwijzing van de zaak de rechter naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen niet in staat zou zijn te beraadslagen en te beslissen op de grondslag van de tenlastelegging.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 17 februari 2017;
- verklaart de dagvaarding in eerste aanleg nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.
Conclusie 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Stukken van het geding in het ongerede geraakt. Door de raadsman van de verdachte zijn drie cassatiemiddelen ingediend. De Hoge Raad beschikt echter niet over de stukken van het geding in feitelijke aanleg. Na ambtshalve pogingen om het dossier alsnog te verkrijgen moet het er in cassatie voor worden gehouden dat het dossier niet meer beschikbaar zal komen. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/00559
Zitting 14 mei 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het cassatieberoep richt zich tegen een ten aanzien van de verdachte gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 1 februari 2019.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door of namens de verdachte. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In de eerste twee middelen wordt met een motiveringsklacht opgekomen tegen de bewezenverklaring van feit 1 respectievelijk feit 2 en feit 3. Het derde middel bevat een klacht over overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
2. Ambtshalve opmerkingen over het dossier
2.1
Ik kom niet toe aan een bespreking van deze middelen in verband met het volgende.
2.2
Op 5 februari 2019 heeft de raadsman van de verdachte zich in cassatie gesteld. Vervolgens is op 17 november 2021 door de raadsman een cassatieschriftuur ingediend dat de hierboven vermelde drie middelen van cassatie bevat.1.In deze schriftuur wordt onder meer geciteerd uit het arrest van het hof en verwezen naar de aanvulling op het arrest, waarover de raadsman kennelijk beschikt.
2.3
De Hoge Raad beschikt in deze zaak echter niet over de gedingstukken van feitelijke aanleg.
2.4
De raadsman heeft geen verzoek gericht tot de rolraadsheer om de processtukken te completeren en over het ontbreken van de processtukken wordt in cassatie niet geklaagd.
2.5
Er zijn door de griffie van de Hoge Raad verschillende verzoeken gedaan om de gedingstukken alsnog toe te zenden aan de Hoge Raad. Uit (e-mail)correspondentie tussen de griffie van de Hoge Raad en de griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat het hof niet (langer) beschikt over het dossier in deze zaak en evenmin over een (digitaal) schaduwdossier. Bij brief van 24 augustus 2023 is aan de griffie van de Hoge Raad het volgende bericht:
“Uit het digitale systeem van het hof maak ik op dat het strafdossier op 16 augustus 2019 in verband met het cassatieberoep naar de Hoge Raad is verstuurd. Ik begrijp dat de binnenkomst van het dossier bij de Hoge Raad niet werd geregistreerd. Kennelijk is het strafdossier in ongerede geraakt en het hof beschikt niet over een schaduwdossier.
Ik kan u op basis van het NIAS-registratiesysteem melden dat de zaak op 18 januari 2019 heeft gediend en dat het hof op 1 februari 2019 arrest heeft gewezen. Verder zie ik in NIAS dat op 4 februari 2019 door of namens verdachte cassatieberoep werd ingesteld en dat het dossier, na uitwerking van het proces-verbaal van de terechtzitting en de aanvulling door de griffier, op 16 augustus 2019 werd verstuurd naar de Hoge Raad. Als bijlagen bij deze brief voeg ik twee printscreens waaruit het vorenstaande kan blijken.
Ik vond nog wel het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van de zitting en de aanvulling op het verkort arrest, zoals die door de griffier digitaal zijn opgeslagen. Ook die stuur ik als bijlagen mee. Ik merk daarbij op dat deze documenten ongetekend zijn. (…) Op 15 augustus 2019 werd de uitgewerkte cassatie door de griffier naar de griffie gestuurd.”
2.6
Op 30 augustus 2023 is de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv aan de verdachte verzonden.
2.7
De stukken genoemd in de brief van het hof van 24 augustus 2023 zijn op 26 september 2023 via het portaal aan de raadsman ter beschikking gesteld. De gedingstukken bestaan thans slechts uit het door het hof toegezonden niet ondertekend proces-verbaal van een zitting van het hof van 18 januari 2019 en een niet ondertekende aanvulling op het arrest van het hof.
2.8
In zijn arrest van 28 juni 20112.heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven hoe op grond van Art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad om dient te worden gegaan met situaties waarin de processtukken niet volledig zijn, hetgeen van overeenkomstige toepassing is op situaties als de onderhavige waarin het gehele procesdossier ontbreekt.
2.9
De hoofdregel is dat een raadsman die constateert dat de hem door de Hoge Raad toegezonden afschriften van de processtukken niet volledig zijn, binnen de termijn van art. 437 lid 2 Sv aan de rolraadsheer dient te verzoeken om een afschrift van dat ontbrekende stuk. Dat brengt mee dat een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, niet tot cassatie kan leiden. Indien het processtuk na zo een verzoek aan de rolraadsheer niet ter beschikking komt, komt de Hoge Raad toe aan de beoordeling - en in de regel tot gegrondverklaring - van een klacht dat een processtuk ontbreekt.
2.10
Maar art. IV lid 3 staat er niet aan in de weg een middel in te dienen waarin wordt geklaagd over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, terwijl de gegrondheid van deze klacht niet kan worden onderzocht wegens het ontbreken van het daarvoor relevante processtuk in het op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de HR toegezonden procesdossier.
“In zo een geval zal de Hoge Raad of zijn Parket trachten alsnog de beschikking te krijgen over het ontbrekende stuk. Als dit niet tot resultaat leidt, is de Hoge Raad niet in staat de klacht te onderzoeken en kan dit leiden tot gegrondverklaring van het middel (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BJ8676). Ingeval het ontbrekende processtuk alsnog ter beschikking komt, zal de Hoge Raad mede aan de hand van dat stuk de gegrondheid van het middel onderzoeken.”3.
2.11
In onderhavige zaak heeft de raadsman niet geklaagd over de onvolledigheid van het procesdossier maar wel inhoudelijke middelen ingediend. Ambtshalve pogingen om het procesdossier alsnog boven water te krijgen zijn gestrand. Gelet daarop moet het ervoor worden gehouden dat het dossier in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar zal komen. Dit brengt met zich dat de bestreden uitspraak in cassatie niet kan worden getoetst. Reeds daarom kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
2.12
De vraag is tot welke vervolgbeslissing van de Hoge Raad dit zou kunnen of moeten leiden: tot gegrondverklaring van de middelen en terugwijzing zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2011 (zie citaat hiervoor onder 2.10) heeft overwogen4., of tot afdoening door de Hoge Raad zelf door nietigverklaring van de inleidende dagvaarding omdat het hof na terugwijzing niet zal kunnen beraadslagen en beslissen op de grondslag van de tenlastelegging.5.
2.13
Nu het gehele procesdossier in het ongerede is geraakt adviseer ik de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af te doen en de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.
3. Conclusie
3.1
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij de uitspraak in eerste aanleg mocht zijn vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑05‑2024
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. Borgers.
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, m.nt. Borgers, rov 3.7. onder b.
Zie bijv. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8676; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:467 en HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1247. Veelal betreft het ontbrekende stuk een pleitnotitie van de raadsman in hoger beroep. Daarvoor geldt overigens dat het middel in voorkomende gevallen wel kan worden beoordeeld indien de pleitnotitie in de schriftuur wordt aangehaald of wordt aangehecht. De Hoge Raad gaat dan veronderstellenderwijs uit van een correcte weergave van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1121 en HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2804.
HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6675, HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4412, HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4965, HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7733 (niet-gepubliceerd), NJ 2002/302 en – voor een soortgelijke benadering in een ontnemingszaak, waarin de ontnemingsvordering nietig werd verklaard – HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3573.