RvA bouwgeschillen, 28-10-2022, nr. 37.245
ECLI:NL:RVAB:2022:22
- Instantie
Raad van Arbitrage in bouwgeschillen
- Datum
28-10-2022
- Magistraten
Mrs. w.g. A.M.P.T. Blokhuis, w.g. N.J. de Vries, w.g. P.A.M. van Winden
- Zaaknummer
37.245
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVAB:2022:22, Uitspraak, Raad van Arbitrage in bouwgeschillen, 28‑10‑2022
Uitspraak 28‑10‑2022
Mrs. w.g. A.M.P.T. Blokhuis, w.g. N.J. de Vries, w.g. P.A.M. van Winden
Partij(en)
Essentie: Contract van onderaanneemster niet overgegaan op eiseres. Curator van de failliete onderaanneemster heeft lopende de procedure een rechtsgeldige overeenkomst van lastgeving met eiseres gesloten. Drie openstaande facturen. Een van onderaanneemster waarvoor de lastgeving geldt. Ten aanzien van die factuur beroept hoofdaanneemster zich terecht op verrekening. Zij heeft schade geleden doordat onderaanneemster haar werkzaamheden ten onrechte heeft opgeschort. Twee facturen van eiseres waarop de lastgeving geen betrekking heeft en die niet voor vergoeding in aanmerking komen want hoofdaanneemster heeft geen contract met eiseres. De (voorwaardelijke) reconventionele vordering wordt ook afgewezen: hoofdaanneemster heeft geen overeenkomst met eiseres zodat een rechtsgrond voor betaling van schade en kosten ontbreekt.
Nr. 37.245
SCHEIDSRECHTERLIJK VONNIS
in een geschil tussen
A,
hierna te noemen ‘eiseres’,
e i s e r e s in conventie,
v e r w e e r s t e r in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. A. Wiersma,
advocaat te Groningen,
en
B,
hierna te noemen ‘hoofdaanneemster’,
v e r w e e r s t e r in conventie,
e i s e r e s in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. M.A. Schuring,
advocaat te Almelo.
Het scheidsgerecht
1.
Ondergetekenden, mevrouw MR. A.M.P.T. BLOKHUIS, lid-jurist van het College van Arbiters van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (voorheen geheten Raad van Arbitrage voor de Bouw), IR. N.J. DE VRIES en IR. P.A.M. VAN WINDEN, bij hun benoeming beiden lid-deskundige van dit College, zijn overeenkomstig de statuten van de RvA benoemd tot scheidslieden in dit geschil. Ir. De Vries is thans oud-lid. Arbiters hebben hun benoeming schriftelijk aanvaard. Bij brief van 23 december 2021 is daarvan mededeling gedaan aan partijen. Aan het scheidsgerecht is toegevoegd mr. B.J. Broekema-Engelen, secretaris.
De procedure
2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het ongedateerde verzoekschrift, binnengekomen op 10 juni 2021, met producties 1 tot en met 15;
- —
de memorie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende memorie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1 tot en met 17;
- —
de memorie van antwoord in bevoegdheidsincident, met productie 16;
- —
de reactie op productie in bevoegdheidsincident;
- —
de memorie van repliek in conventie tevens memorie van antwoord in reconventie, met producties 17 en 18;
- —
de memorie van dupliek tevens houdende memorie van repliek in voorwaardelijke reconventie, met producties 18 tot en met 33;
- —
de memorie van dupliek in voorwaardelijke reconventie;
- —
de door beide partijen ingediende inventarislijsten;
- —
de aantekeningen van mr. Wiersma;
- —
de pleitaantekeningen van mr. Schuring.
3.
De mondelinge behandeling van dit geschil is gehouden op 19 september 2022.
De gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie
de bevoegdheid
4.
Hoofdaanneemster heeft de bevoegdheid van arbiters tot beslechting van dit geschil bij scheidsrechterlijk vonnis aanvankelijk betwist. In haar reactie op productie in bevoegdheidsincident heeft zij te kennen gegeven dat het proces-economisch in het belang van partijen is dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet. Daarmee staat de bevoegdheid van arbiters vast. Bij brief van de RvA van 15 juni 2021 is meegedeeld dat uit de aangeleverde stukken is opgemaakt dat het arbitragereglement van de RvA van 15 februari 2016 van toepassing is. Nu partijen daartegen geen bezwaar hebben aangetekend, zullen arbiters van dat reglement uitgaan.
5.
Op de kosten van het incident wordt hierna bij de proceskosten nog ingegaan.
de feiten
6.
Tussen partijen staat het volgende vast:
- a.
Hoofdaanneemster en C (verder ‘onderaanneemster’) hebben eind 2016 een overeenkomst van onderaanneming gesloten met betrekking tot het werk ‘Onderhoud civiele kunstwerken X 2016–2020’.
- b.
In de overeenkomst worden onder meer de voorwaarden van onderaanneming van hoofdaanneemster en de UAV 2012 van toepassing verklaard. De verdeling van de werkzaamheden/leveringen tussen de contractspartijen is opgenomen in een bijgevoegde demarcatie- en prijzenlijst van 13 september 2016.
- c.
Verder is in de overeenkomst opgenomen dat betaling van een door onderaanneemster opgestelde factuur plaatsvindt binnen 45 dagen nadat die factuur in goede orde bij hoofdaanneemster is ingekomen en dat onderaanneemster betaald krijgt op het moment dat hoofdaanneemster betaald is door de opdrachtgever (gemeente X).
- d.
Op 25 mei 2018 stuurt de directeur van onderaanneemster hoofdaanneemster een e-mail waarin onder meer wordt vermeld:
‘Tevens zend ik je een brief waarin wij aankondigen dat verschillende van onze bv's worden samengevoegd tot 1’.
- e.
De vermelde brief luidt:
‘Met ingang van 22 mei zijn onze bedrijfsactiviteiten gebundeld. Enerzijds om ons als gespecialiseerd aanemer te kunnen profileren, anderzijds om efficiënter te kunnen werken door de juridische structuur in overeenstemming te brengen met de organisatie.
De bedrijfsactiviteiten van [eiseres], [onderaanneemster] en D zijn samengevoegd tot èèn onderneming t.w. E
E is gespecialiseerd aannemer op het terrein van afdichten, repareren, beschermen en versterken van constructies.
Bijgevoegd vind u de actuele gegevens.
Voor F verandert er niets, zij blijft zich bezig houden met het ontwerpen, leveren en instand houden van kathodische bescherming onder de naam G
Voor u verandert er niets, uw contactpersonen blijven ongewijzigt en alle met u gemaakte afspraken en overeenkomsten worden volledig nagekomen’.
- f.
Bij de brief zijn de KvK- en btw-nummers van eiseres en van G gevoegd.
- g.
Op 8 juni 2018, 22 juni 2018, 25 en 27 juli 2018 en 14 november 2018 worden door de directeur van onderaanneemster vanaf een e-mailadres van onderaanneemster e-mails verzonden aan hoofdaanneemster.
- h.
Met betrekking tot het onderhavige werk zijn twee facturen van onderaanneemster door middel van verrekening door hoofdaanneemster voldaan.
- i.
Drie facturen zijn onbetaald gebleven, te weten:
- —
een factuur van 25 mei 2018 van € 31.880,27 inclusief btw (1e termijn van scoop 2018), verzonden door onderaanneemster;
- —
een factuur van 14 september 2018 van € 22.998,22 inclusief btw (2e termijn van scoop 2018), verzonden door eiseres;
- —
een factuur van 28 juni 2019 van € 26.247,88 inclusief btw (3e termijn van scoop 2018), eveneens verzonden door eiseres.
- j.
Op 12 maart 2019 is onderaanneemster failliet verklaard.
- k.
Op 21 maart 2019 heeft de gemachtigde van hoofdaanneemster de curator van failliete onderaanneemster aangeschreven. Hij meldt dat hoofdaanneemster, zoals zij al aan onderaanneemster heeft aangegeven, de factuur van onderaanneemster betwist en vraagt de curator of hij de overeenkomst tussen hoofd- en onderaanneemster gestand wenst te doen. Zo niet, dan zal hoofdaanneemster zelf zorgdragen voor een correcte afwikkeling van de door onderaanneemster slecht uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdaanneemster behoudt zich ieder recht voor om de met die afwikkeling gepaard gaande kosten en de door haar door toedoen van onderaanneemster reeds geleden schade als vordering in te dienen dan wel te verrekenen, aldus de gemachtigde.
- l.
Op 29 maart 2019 kondigt de gemachtigde van hoofdaanneemster aan dat zij zelf tot afwikkeling over zal gaan, wederom met voorbehoud van rechten, en vermeldt dat hoofdaanneemster eind 2018 een factuur van eiseres heeft ontvangen. Die factuur ziet volgens de gemachtigde op de gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden van gefailleerde onderaanneemster; met eiseres heeft hoofdaanneemster geen overeenkomst.
- m.
Op 24 juni 2019 heeft de gemachtigde een vordering van € 113.814,38 bij de curator ingediend wegens herstelkosten en de kosten van werkzaamheden die zij eerder al heeft uitgevoerd omdat onderaanneemster die niet uitvoerde.
- n.
Op 7 februari 2020 heeft de curator een ‘LASTGEVING’ ondertekend. Hij verstrekt daarin een ‘last aan [eiseres] om op eigen naam en voor eigen rekening en risico te mogen innen al hetgeen [onderaanneemster] tegoed heeft van hoofdaanneemster’.
- o.
Op 4 oktober 2021 heeft de curator een (nieuwe en veel uitgebreidere) ‘Overeenkomst van lastgeving’ ondertekend waarin onder meer wordt verklaard dat eiseres zich verbindt om zich naar eer en geweten van haar last te kwijten en deze uit te voeren.
7.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook in het navolgende nog vaststaande feiten worden vermeld.
het geschil in conventie
8.
Eiseres vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van hoofdaanneemster tot betaling van de drie openstaande facturen, ofwel € 81.126,37 in totaal, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van een maand na de respectievelijke factuurdata, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding.
9.
Eiseres stelt daartoe dat de werkzaamheden op de door onderaanneemster verzonden factuur door onderaanneemster zijn verricht. De curator heeft haar een rechtsgeldige last verstrekt in de zin van artikel 7:414 BW, zodat zij die factuur kan incasseren. Voorts stelt zij dat op 25 mei 2018 aan hoofdaanneemster is bericht dat alle lopende activiteiten van onderaanneemster worden voortgezet door eiseres en dat dat ook is gebeurd. Eiseres heeft de werkzaamheden op de door haar verzonden facturen verricht en heeft recht op betaling daarvan, aldus eiseres in haar verzoekschrift en memorie van repliek in conventie/antwoord in reconventie.
10.
Bij pleidooi stelt eiseres dat zij gebruik maakt van een lastgeving die door de curator van de failliete onderaanneemster aan haar is verstrekt. Zij kan op eigen naam vorderen al hetgeen onderaanneemster van hoofdaanneemster tegoed heeft. Zij meent dat zij met deze lastgeving gerechtigd is de openstaande vordering van onderaanneemster te innen, alsmede verder alles wat onderaanneemster nog van hoofdaanneemster kan vorderen. Volgens haar is tussen partijen de discussie ontstaan of de nota's die thans gevorderd worden door eiseres, ook daadwerkelijk aan eiseres verschuldigd zijn. Eiseres meent dat met de lastgeving dit probleem is ondervangen en zij meent ook dat daarom de tenaamstelling van de nota's — juist of onjuist — niet kan leiden tot afwijzing van de vordering van eiseres, aldus haar aantekeningen (randnummer 1).
11.
Hoofdaanneemster voert gemotiveerd verweer en concludeert, eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de vorderingen van eiseres, primair als ongegrond en onvoldoende onderbouwd, subsidiair omdat deze door verrekening met de vordering van hoofdaanneemster volledig teniet zijn gegaan, met veroordeling van eiseres in de kosten van dit geding, waaronder de kosten voor bijstand van hoofdaanneemster door haar gemachtigde.
het geschil in voorwaardelijke reconventie
12.
Om te voorkomen dat haar beroep op verrekening wordt gepasseerd op grond van artikel 6:136 BW stelt hoofdaanneemster haar vordering voorwaardelijk in reconventie in. Indien arbiters van oordeel zijn dat eiseres de werkzaamheden van onderaanneemster heeft overgenomen of dat sprake is van rechtsgeldige lastgeving — wat alle twee door hoofdaanneemster wordt betwist — vordert hoofdaanneemster betaling van de door haar gestelde schade van € 113.815,38 wegens de werkzaamheden die zij ten gevolge van het tekortschieten van onderaanneemster heeft moeten (laten) verrichten alsmede buitengerechtelijke incassokosten, te verminderen met waartoe hoofdaanneemster in conventie wordt veroordeeld en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het restant; en betaling van de kosten van de procedure inclusief de kosten van rechtsbijstand.
13.
Eiseres voert gemotiveerd verweer en concludeert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot het niet-ontvankelijk verklaren van hoofdaanneemster in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering, met veroordeling van hoofdaanneemster in de kosten van de procedure.
de beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie
overeenkomst met onderaanneemster overgegaan op eiseres?
14.
Arbiters zullen eerst ingaan op de stelling van eiseres dat zij de werkzaamheden van onderaanneemster heeft voortgezet, zoals zij aan hoofdaanneemster heeft meegedeeld, en dat zij die werkzaamheden daarom mag factureren. Eiseres heeft daarvan in haar pleidooi immers niet nadrukkelijk afstand genomen.
15.
De overeenkomst waarvan partijen in deze procedure nakoming vorderen, is gesloten tussen onderaanneemster en hoofdaanneemster. Hoewel in de brief van 25 mei 2018 wordt vermeld dat er drie ondernemingen — waaronder eiseres en onderaanneemster — worden samengevoegd tot één, stellen arbiters vast dat van een juridische fusie geen sprake is, zoals hoofdaanneemster ook opmerkt. Onderaanneemster is kennelijk als zelfstandige rechtspersoon blijven voortbestaan en is op 12 maart 2019 failliet verklaard.
16.
Dat onderaanneemster na die brief geen contractspartij van hoofdaanneemster meer zou zijn, blijkt uit die brief niet. ‘E’, de ene onderneming waarin de drie bv's zouden zijn samengevoegd, is geen rechtspersoon en dat de werkzaamheden door eiseres zouden worden uitgevoerd blijkt daaruit evenmin. Er veranderde voor hoofdaanneemster immers niets en de correspondentie nadien werd ook vanuit het e-mailadres van onderaanneemster verstuurd. Anders dan eiseres meent, was er voor hoofdaanneemster dan ook geen reden om naar aanleiding van de brief van 25 mei 2018 te reageren of anderszins actie te ondernemen.
17.
Van contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW is evenmin sprake, zoals hoofdaanneemster ook stelt. Dat is een drie-partijenovereenkomst en vereist een akte tussen de partij die de overeenkomst wil overdragen en degene aan wie die overeenkomst wordt overgedragen. Een dergelijke akte is niet overgelegd. Evenmin heeft hoofdaanneemster aan die overname meegewerkt, zoals vereist is. Men mag er niet veronderstellenderwijs van uitgaan dat die medewerking is verleend (HR 5 maart 2004, NJ 2004/316) en zoals hiervoor is overwogen, was er voor hoofdaanneemster geen reden om op de brief van 25 mei 2018 te reageren. Een stilzwijgende instemming kan daarom evenmin worden aangenomen.
18.
Uit het voorgaande volgt dat de contractuele rechten en verplichtingen van onderaanneemster niet op eiseres zijn overgegaan. De twee facturen van eiseres zijn daarom ten onrechte door haar verstuurd. Hoofdaanneemster heeft in beginsel alleen met onderaanneemster als wederpartij te maken.
geldige lastgeving?
19.
Partijen twisten over de vraag of de ‘LASTGEVING’ van 7 februari 2020, voorafgaande aan het aanhangig maken van het onderhavige geschil, rechtsgeldig is in de zin van artikel 7:414 BW.
20.
Lastgeving is volgens die bepaling een overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten. Hoewel een lastgeving op zich vormvrij is, moet wel sprake zijn van een verplichting van de lasthebber tot dienstverlening. Er is geen sprake van lastgeving indien de lasthebber slechts bevoegd is voor rekening van de lastgever rechtshandelingen te verrichten.
21.
De ‘last aan [eiseres] om op eigen naam en voor eigen rekening en risico te mogen innen al hetgeen [onderaanneemster] tegoed heeft van hoofdaanneemster’ voldoet naar het oordeel van arbiters niet aan die omschrijving.
22.
De ‘Overeenkomst van lastgeving’ van 4 oktober 2021 voldoet daaraan wel, zoals ook door hoofdaanneemster is erkend in haar reactie op productie in bevoegdheidsincident.
op welke openstaande facturen ziet de last?
23.
De eerste onbetaald gebleven factuur is die van onderaanneemster. Hoewel strikt genomen de last aan eiseres om die te innen pas na het instellen van de vordering is verstrekt, heeft hoofdaanneemster zich om proceseconomische redenen niet langer op onbevoegdheid van de RvA beroepen. Arbiters gaan ervan uit dat dat ook het innen van de factuur als zodanig betreft. Wordt de vordering van eiseres op dit onderdeel afgewezen omdat ten tijde van het instellen daarvan een correcte lastgeving ontbrak, dan zou eiseres immers exact dezelfde stukken weer kunnen indienen, met een nu wel voorafgaande correcte lastgeving, zoals hoofdaanneemster met betrekking tot de (on)bevoegdheid van de RvA heeft gesteld.
24.
Die last heeft echter geen betrekking op de twee facturen van eiseres. Die facturen zijn immers destijds niet gestuurd wegens de werkzaamheden en contractuele verplichtingen van onderaanneemster maar voor werkzaamheden van eiseres met wie hoofdaanneemster geen contractuele relatie had. Waarom onderaanneemster recht zou hebben op betaling van de door eiseres uitgevoerde werkzaamheden — welk recht via de lastgeving aan eiseres toekomt — is door eiseres verder niet toegelicht. Arbiters volgen eiseres daarom niet in haar stelling dat de onjuiste tenaamstelling van de facturen — op naam van eiseres — met de lastgeving is ondervangen.
de verschuldigdheid van de factuur van onderaanneemster
25.
Wat betreft de factuur van onderaanneemster, waarvan eiseres thans betaling vordert, stellen arbiters vast dat de verweermiddelen die hoofdaanneemster tegen onderaanneemster had, nu aan eiseres kunnen worden tegengeworpen. Dat is door hoofdaanneemster ook gesteld en door eiseres als zodanig niet weersproken.
26.
Onderaanneemster/eiseres meent dat onderaanneemster haar contractuele verplichtingen mocht opschorten omdat betaling van haar factuur achterwege bleef. Hoofdaanneemster stelt daartegenover dat zij geen betaling was verschuldigd omdat de werkzaamheden van onderaanneemster niet deugdelijk waren verricht en omdat betaling op grond van het contract pas is verschuldigd nadat de opdrachtgever haar, hoofdaanneemster, heeft voldaan.
27.
Tijdens de zitting is komen vast te staan dat onderaanneemster haar werkzaamheden op of omstreeks 10 juli 2018 heeft gestaakt door dat aan opdrachtgever — de gemeente — mee te delen, die dat op haar beurt aan hoofdaanneemster heeft doorgegeven. Rond die datum heeft de gemeente met onderaanneemster een opleverronde gedaan, maar die is na vier kunstwerken door de gemeente gestaakt: eerder opgenomen restpunten bleken niet of nauwelijks te zijn opgepakt. Ook is ter zitting duidelijk geworden dat het werk liep tot eind 2018. De jaren 2019 en 2020 waren optioneel. De gemeente heeft van die optie geen gebruik gemaakt.
28.
Het is al met al aannemelijk dat opdrachtgever hoofdaanneemster niet heeft betaald, zoals hoofdaanneemster ook heeft gesteld. Dat zou uiteindelijk pas in mei 2019 zijn gebeurd.
29.
Onderaanneemster/eiseres beroept zich op artikel 5 lid 4 van de toepasselijke voorwaarden voor onderaanneming. Zij stelt dat de factuur moet worden betaald omdat het werk geacht wordt te zijn goedgekeurd nu er niet binnen acht dagen is gereclameerd door hoofdaanneemster. Arbiters passeren die stelling. Nog daargelaten de vraag of artikel 5 lid 4 in deze van toepassing is — hoofdaanneemster stelt van niet — moet de contractuele bepaling dat betaling pas verschuldigd is nadat de opdrachtgever aan hoofdaanneemster heeft betaald voorgaan. Dat die bepaling van toepassing is, wordt door eiseres ook niet betwist.
30.
Daarenboven heeft onderaanneemster — zoals hoofdaanneemster ook aanvoert — hoofdaanneemster niet gemaand dat bij het uitblijven van betaling zij haar werkzaamheden zou schorsen, zoals paragraaf 45 lid 2 UAV voorschrijft.
31.
Kortom: onderaanneemster heeft haar werkzaamheden ten onrechte opgeschort.
32.
Onweersproken is eveneens dat de eindfactuur door hoofdaanneemster aan de gemeente is verstuurd in mei 2019. Kort daarvoor moet de eindoplevering zijn geweest. Vast staat dus dat hoofdaanneemster vanaf juli 2018 tot in 2019 werkzaamheden heeft verricht die tot de taak van onderaanneemster behoorden en die onderaanneemster ten onrechte achterwege heeft gelaten. Gesteld al dat de factuur van onderaanneemster inmiddels is verschuldigd — waarbij arbiters vooralsnog voorbijgaan aan het verweer van hoofdaanneemster dat daarin kosten zijn opgenomen die niet voor vergoeding in aanmerking komen — dan beroept hoofdaanneemster zich op verrekening met de kosten die zij heeft moeten maken doordat onderaanneemster haar verplichtingen niet is nagekomen en de schade die zij dientengevolge heeft geleden. Die schade en kosten zouden volgens hoofdaanneemster € 113.815,38 bedragen (of een euro minder, zoals zij bij de curator ter verificatie heeft ingediend).
33.
Arbiters zijn van oordeel dat het, gegeven de lange periode van weigerachtigheid van onderaanneemster, voldoende aannemelijk is dat hoofdaanneemster schade heeft geleden tot een beloop van € 31.880,27, de hoogte van de factuur van onderaanneemster. Arbiters hoeven in het kader van het verrekeningsverweer geen uitspraak te doen over de (in voorwaardelijke reconventie in totaal) gevorderde € 113.815,38.
34.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van eiseres, zo hoofdaanneemster de factuur van onderaanneemster al is verschuldigd, door verrekening is teniet gegaan.
35.
De vordering van eiseres zal daarom worden afgewezen.
de vordering in voorwaardelijke reconventie
36.
Omdat wat eiseres in conventie mogelijk te vorderen heeft — de factuur van onderaanneemster — door verrekening is voldaan, komen arbiters voor dat onderdeel (€ 31.880,27) van de vordering aan de voorwaardelijke reconventie niet toe.
37.
Voor het overige (€ 113.815,38 — € 31.880,27 = € 81.935,11) moet de vordering van hoofdaanneemster worden afgewezen: hoofdaanneemster heeft immers geen overeenkomst met eiseres zodat er op die grond niets valt te vorderen.
resumé
38.
De voornaamste vorderingen in conventie en in reconventie moeten op grond van het voorgaande worden afgewezen. De overige vorderingen volgen dat lot.
39.
Beide partijen hebben een algemeen bewijsaanbod gedaan zonder aan te geven welke stellingen zij specifiek willen bewijzen. Arbiters zullen dat aanbod daarom passeren.
de proceskosten en overige vorderingen
40.
Zoals hiervoor is overwogen, is de eerste lastgeving niet rechtsgeldig geweest. Daarom heeft hoofdaanneemster terecht een bevoegdheidsincident opgeworpen. Hoewel de RvA ter zake geen afzonderlijke kosten in rekening brengt, heeft hoofdaanneemster wel een extra memorie/reactie opgesteld, die in het kader van de kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt. Dat geldt niet voor de extra memorie van eiseres die daarbij een nieuwe — wel rechtsgeldige — overeenkomst van lastgeving heeft overgelegd. Gelet op de omvang van de vorderingen in conventie en in reconventie stellen arbiters met inachtneming van de Leidraad vergoeding kosten van processuele bijstand, de op dit onderdeel aan hoofdaanneemster toekomende tegemoetkoming vast op € 1.800,00 (1 punt; tarief VI).
41.
Gelet op de mate waarin partijen in conventie en in reconventie in het gelijk en ongelijk zijn gesteld zullen arbiters partijen voor het overige in gelijke mate met de proceskosten belasten.
42.
De door de RvA gemaakte kosten hebben tot en met het depot van dit vonnis ter griffie van de rechtbank te Amsterdam met inachtneming van het Waarborgsom-/moderatieschema van de RvA € 14.935,32 bedragen (waarvan € 2.568,82 aan btw) en zijn tot een beloop van € 6.500,00 met de door eiseres gedane storting verrekend en tot een beloop van € 8.435,32 met de door hoofdaanneemster gedane storting. Beide partijen worden met de helft van de kosten, ofwel € 7.467,66 belast. Dat betekent dat eiseres (€ 7.467,66 — € 6.500,00 =) € 967,66 te weinig heeft betaald. Dat bedrag moet zij aan hoofdaanneemster vergoeden.
43.
Partijen dragen ieder de eigen kosten van rechtsbijstand.
44.
Ter verrekening van de proceskosten moet eiseres dus aan hoofdaanneemster (€ 1.800,00 + € 967,66 =) € 2.767,66 betalen.
45.
Zoals gevorderd, zullen arbiters het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De beslissing
Arbiters, rechtdoende naar de regelen des rechts:
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
VEROORDELEN eiseres ter verrekening van de proceskosten aan hoofdaanneemster te betalen € 2.767,66 (tweeduizend zevenhonderdzevenenzestig euro en zesenzestig cent);
VERKLAREN dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
WIJZEN de vorderingen voor het overige AF.
Gewezen te Amsterdam, 28 oktober 2022
w.g. A.M.P.T. Blokhuis
w.g. N.J. de Vries
w.g. P.A.M. van Winden