NJ 1917, p. 545
Rechthebbende in den zin van, art. 7 Wet 26 Mei 1841 S. 14. Vruchtgenot. Recht van vruchtgebruik.
HR 30-03-1917, ECLI:NL:HR:1917:71
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 maart 1917
- Magistraten
Voorzitter: Mr. B. C. J. Loder. Raden: Mrs. J. A. A. Bosch; C. O. Segers; A. P. L. Nelissen;H. Hesse.
- Zaaknummer
[30031917/NJ_1917,_p._545]
- Conclusie
Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Besier.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1917:71, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑03‑1917
- Wetingang
(BW art. 366; Wet 26 Mei 1841 S. 14 art. 7.)
Essentie
Rechthebbende in den zin van, art. 7 Wet 26 Mei 1841 S. 14. Vruchtgenot. Recht van vruchtgebruik.
Samenvatting
Wanneer effecten van minderjarigen overeenkomstig de bepalingen der Wet van 26 Mei 1841 (S. 14) in bewaring zijn gegeven, is, krachtens art. 443 B. W., de voogd de rechthebbende in den zin van art. 7 van bovengenoemde wet, aan wien de met de bewaring belaste ambtenaren de vervallen coupons moeten afgeven.
De van de mede-voogdij ontzette echtgenoot der moeder-voogdes kan bedoeld opvorderingsrecht niet ontleenen aan zijn recht om de goederen van zijn vrouw te beheeren; dat beheer kan hem nooit ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.