Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/XII.4.1.3.2
XII.4.1.3.2 Mogelijkheden van art. 10:135 lid 2 BW voor de financiële praktijk
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS354057:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook: Flessner & Verhagen 2006, p. 21.
Zie Flessner & Verhagen 2006, p. 22 en Verhagen & Rongen 2000, p. 19.
Zie over de inpassing van buitenlandse zekerheidsrechten, hierna: § XII.7.
Zie echter § XII.4.3.2 in verband met de vraag of er beperkingen dienen te worden gesteld aan de rechtskeuzevrijheid.
Vgl. Rongen 1998, p. 437 e.v.
Zie ook: nrs. 1190 en 1191 in verband met de vraag of de cessie-overeenkomst tussen een Nederlandse originator en een Nederlands SPV wellicht als een internationale rechtsverhouding kan worden aangemerkt, omdat zij kan worden beschouwd als een “internationale markt”-contract.
Opgemerkt zij dat er sinds de introductie van de regeling van de stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) minder behoefte is om de cessie naar buitenlands recht te laten plaatsvinden. In bepaalde gevallen zouden het grondslag- en registratievereiste echter als bezwaarlijk kunnen worden beschouwd, hetgeen reden kan zijn de overdracht naar buitenlands recht te effectueren. In het normale geval vormt het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW voor securitisation geen probleem, zie § VII.7.2. Voor covered bonds is dat mogelijk anders, zie § VII.7.3.
Zie voor enige rechtsvergelijking: Flessner & Verhagen 2006, p. 12-14 en p. 15-17; Steffens 1997a, p. 207 e.v. en het landenoverzicht in: Global Legal Group 2011 en Global Legal Group 2007.
Zo ook: Van der Weide 2006, p. 137. Vgl. art. 8 Rv en art. 23 EEX-Verordening. Naar Nederlands recht is een forumkeuzebeding niet alleen een verweermiddel voor de schuldenaar van de gecedeerde vordering, maar ook een nevenrecht waarop de cessionaris een beroep kan doen. Zie Verbintenissenrecht (Van Mierlo/ Beijer), Art. 142, aant. 16.1 en Art. 145, aant. 12.1. Voorts dient naar mijn mening voor het Nederlandse recht te worden aangenomen dat een forumkeuzebeding in de overeenkomst tot en van cessie behalve de cedent ook diens faillissementscurator bindt.
Zie www.biicl.org.
Zie MvA, EK 2007-2008, 30 876, C, p. 11 en P.M.M. van der Grinten 2011, p. 156.
1175. Rechtskeuzebevoegdheid biedt partijen optimale flexibiliteit. Het zal duidelijk zijn dat de onderwerping van de goederenrechtelijke aspecten van de cessie aan het cessiestatuut gunstig is voor de financiële praktijk. Financiële transacties kunnen zo efficiënt en flexibel worden vormgegeven. Het stelt cedent en cessionaris bijvoorbeeld in staat het recht dat de cessie beheerst te laten aansluiten bij het recht dat op de overige aspecten van hun transactie van toepassing is.1 Ook maakt een rechtskeuze het mogelijk om rekening te houden met het ipr van andere bij de transactie betrokken landen, zodat de afdwingbaarheid van de cessie in andere jurisdicties zeker kan worden gesteld. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat volgens het ipr van het land waar de schuldenaar is gevestigd, de cessie wordt beheerst door het op de vordering toepasselijke recht of door het recht van het land van vestiging van de schuldenaar. Door een overeenkomstige rechtskeuze uit te brengen kan worden bereikt dat de cessie de schuldenaar kan worden tegengeworpen naar het recht van het land waar de vordering moet worden geïnd.2 Voor verpanding geldt dat de mogelijkheid van rechtskeuze partijen in staat stelt de vordering te verpanden overeenkomstig het recht van het land waar de schuldenaar zijn verblijfplaats heeft en waar het pandrecht moet worden uitgeoefend. Daarmee worden lastige vragen van inpassing van een vreemd zekerheidsrecht voorkomen.3
Bovendien maakt de rechtskeuzebevoegdheid het mogelijk om aan beperkende voorschriften van het Nederlandse recht, zoals het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW en de leveringsvoorschriften van art. 3:94 BW (mededelings-, grondslag- en registratievereiste), te ontkomen door een rechtsstelsel op de cessie van toepassing te verklaren dat een zekerheidscessie sanctioneert en geen beperkende overdrachtsformaliteiten kent.
In sommige gevallen is het zelfs mogelijk om een internationale cessie te creëren door de cessie te laten plaatsvinden aan een buitenlandse dochtermaatschappij van de investeerder of financier.4 Ook voor securitisations en covered bonds biedt de verwijzingsregel van art. 10:135 lid 2BW interessante mogelijkheden.5 Immers, door het SPV (de cessionaris) op te richten naar buitenlands recht ontstaat er overeenkomstig artikel 3 Rome I de mogelijkheid van rechtskeuze ten aanzien van de goederenrechtelijke aspecten van cessie.6 Nederlandse originators kunnen dan door gebruik te maken van een “offshore”-SPV de cessie beter laten aansluiten bij de wensen van partijen en zich ontdoen van het keurslijf van het Nederlandse recht waar het gaat om het fiduciaverbod en de leveringsvoorschriften.7
1176. Een belangrijk caveat. Bij het voorgaande past wel een belangrijk caveat. Volgens het internationaal privaatrecht in veel van de ons omringende landen wordt de derdenwerking van een cessie niet aan het cessiestatuut, maar aan een andere conflictenregel onderworpen, zoals het vorderingsstatuut, het recht van het land van de schuldenaar of het recht van het land van de cedent. Nederland staat wat betreft de keuze voor het cessiestatuut betrekkelijk alleen.8 Bij een internationale financiële transactie, zoals securitisation, moet derhalve rekening worden gehouden met het ipr van alle bij de cessie betrokken rechtsstelsels. Voorkomen moet worden dat schuldenaren, schuldeisers van de cedent of diens faillissementscurator voor een buitenlandse rechter met succes de geldigheid van de cessie betwisten, met als mogelijk gevolg dat de cessionaris de aan hem gecedeerde vorderingen niet kan innen of dat hij geïnde gelden weer moet afdragen. Dit kan mogelijk worden gerealiseerd door forumkeuzebedingen met exclusieve werking op te nemen in de overeenkomst tot en van cessie en eventueel ook in de overeenkomst met de schuldenaar.9
Tot slot zij vermeld dat bij de totstandkoming van de Verordening Rome I is besloten dat de Commissie uiterlijk op 17 juni 2010 verslag diende uit te brengen over de vraag welk recht van toepassing zou dienen te zijn op de werking van een internationale cessie jegens derden (zie art. 27 lid 2 Rome I). De commissie heeft deze datum niet gehaald, maar laat een voorstudie verrichten door het British Institute of International and Comparative Law.10 Het cessiestatuut heeft tot op heden op weinig steun van de lidstaten mogen rekenen.11 Er is dan ook een reële kans dat uiteindelijk in art. 14 Rome I een andere verwijzingsregel zal worden opgenomen (bv. het vorderingsstatuut of het recht van het land waar de cedent zijn gewone verblijfplaats heeft). Zoals gezegd, prevaleert art. 14 Rome I boven art. 10:135 BW.