Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.5.3
5.5.3 Vestiging pandrecht
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480527:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 1976/77, 13 780, nr. 7, p. 2.
Schim 2006, p. 179-181.
Schuijling 2011, p. 1013-1014. Zie ook Steneker 2012/63.
Schuijling 2011, p. 1014.
Vgl. Kamerstukken II 1975/76, 13 780, nr. 1-4, p. 39.
Een pandrecht op de vorderingen op een bewaarbedrijf wordt niet uitdrukkelijk bedongen en gevestigd op grond van art. 24 lid 1, aanhef en onder a sub ii, jo. lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (2009). De cliënt verpandt op grond van deze bepalingen onder meer alle “effecten en andere financiële instrumenten die de bank of een derde voor haar, uit welken hoofde ook, van of voor de cliënt onder zich heeft of verkrijgt.” Zie hierover ook Schim 2009, p. 222-223.
Zie nr. 214.
In gelijke zin met betrekking tot derdenbeslag: Schim 2009, p. 221-222.
237. Voor de vestiging van een pandrecht op het aandeel in een verzameldepot bevat de Wge een bijzondere regeling. De voorgeschreven formaliteit is afhankelijk van de hoedanigheid van de pandhouder.
Wordt het pandrecht gevestigd ten behoeve van een ander dan de intermediair, dan vereist art. 20 lid 1 Wge bijschrijving ten name van de pandhouder in de administratie van de intermediair. Op vergelijkbare voet als geldt voor de girale levering, volstaat hier iedere aantekening in de daartoe bestemde administratie van de intermediair waaruit de vestiging van het pandrecht blijkt.1 Het is voldoende dat uit de administratie van de intermediair van de pandgever kan worden afgeleid op welk deel van het aandeel van het verzameldepot een pandrecht is gevestigd en wie daarvan de pandhouder is.2
Ik zie geen juridische obstakels voor het bij voorbaat verrichten van deze bijschrijving in de zin van art. 20 Wge ten aanzien van een toekomstig (gedeelte van het) aandeel in het verzameldepot. Voldoende is dat de intermediair een zodanige aantekening maakt in zijn administratie waaruit blijkt welk toekomstig aandeel in welk verzameldepot ten behoeve van wie door de pandgever bij voorbaat is verpand. De bijschrijving van een pandrecht op vooralsnog toekomstige aandelen in het verzameldepot stuit mogelijkerwijs op bezwaren van administratieve aard bij de betrokken intermediair. Anders dan bij de girale levering bij voorbaat kan worden betoogd, geldt voor de verpanding bij voorbaat niet dat zij praktisch onuitvoerbaar of nodeloos complex is. Zo is de vestiging bij voorbaat niet afhankelijk van een bijschrijving in de administratie van een andere intermediair en bovendien kent het giraal effectenverkeer geen figuur waarmee hetzelfde resultaat – langs eenvoudiger weg – bereikt kan worden. De intermediair dient mijns inziens een zodanige administratie te houden waarin de aantekening van de vestiging bij voorbaat, als een wettelijk toegestane modaliteit van verpanding, mogelijk is. Dat de wetgever aan intermediairs de vrijheid heeft gelaten om zelf de meest geëigende wijze van administratie te kiezen, vormt geen vrijbrief om een verpanding van toekomstige aandelen administratief te dwarsbomen.3
238. Een afwijkende vestigingsformaliteit geldt indien het pandrecht op het aandeel in het verzameldepot wordt gevestigd ten behoeve van de intermediair. In dat geval vereist art. 21 lid 1 Wge een “overeenkomst tussen de pandgever en de instelling”. Bijschrijving is in dit geval niet vereist, maar een enkele – vormvrije – overeenkomst strekkende tot het vestigen van een pandrecht volstaat. Met een dergelijke pandovereenkomst kan – zonder bijzondere beperking – ook een toekomstig aandeel in een verzameldepot op de voet van art. 21 Wge aan de intermediair bij voorbaat worden verpand.4 Dit sluit bovendien aan bij de strekking van art. 21 Wge tot het faciliteren van het pandrecht dat de intermediair gebruikelijk in zijn algemene voorwaarden heeft bedongen.5 Zo kan worden gewezen op art. 24 lid 1, aanhef en onder a sub iii, jo. lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (2009) op grond waarvan de cliënt aan de bank verpandt “alle aandelen in verzameldepots die de bank onder haar beheer heeft of verkrijgt”.
239. De toekomstige rechten van de belegger op een effectenbewaarbedrijf ter zake van toekomstige bijschrijvingen in een effectenrekening kunnen als toekomstige vorderingsrechten op naam bij voorbaat worden geleverd en verpand. Deze toekomstige vorderingsrechten kunnen op dit punt volledig gelijkgesteld worden met de toekomstige vorderingen van een rekeninghouder uit hoofde van een bankrekening. Dit betekent dat toekomstige vorderingen op het bewaarbedrijf zonder bezwaar openbaar bij voorbaat kunnen worden gecedeerd of verpand door middel van een daartoe strekkende akte en mededeling hiervan aan het bewaarbedrijf als toekomstige schuldenaar. In de algemene voorwaarden van het bewaarbedrijf zal in de regel een pandrecht voor de intermediair worden bedongen en gevestigd op alle huidige en toekomstige vorderingen van de belegger op het bewaarbedrijf.6
Een stille cessie of verpanding bij voorbaat stuit echter op de beperking dat de toekomstige vorderingen rechtstreeks dienen voort te vloeien uit een bestaande rechtsverhouding. De toekomstige vorderingen van de belegger op het bewaarbedrijf staan in een onvoldoende rechtstreeks verband tot de rechtsverhouding die door de contractuele bewaarconstructie tussen hen is gecreëerd, nu het een rechtsverhouding betreft die de ene partij verplicht om de goederen af te dragen die hij als gevolg van andere rechtshandelingen ten behoeve van de belegger later onder zich krijgt.7 Dit betekent, met andere woorden, dat in gevolge art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW het toekomstig saldo op de effectenrekening niet vatbaar is voor een stille cessie of verpanding bij voorbaat.8