Rb. Gelderland, 19-10-2016, nr. 268527
ECLI:NL:RBGEL:2016:5850
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
19-10-2016
- Zaaknummer
268527
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2016:5850, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 19‑10‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2014:7122, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 12‑11‑2014; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 19‑10‑2016
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/268527 / HA ZA 14-433 (357/547)
Vonnis in incident van 19 oktober 2016
in de zaak van
[verweerder in het incident] ,
wonende te [woonplaats 1] , [land] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. H. van Beek-Killi te Arnhem,
tegen
[eiser in het incident] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. I. van Bekkum te Nijmegen.
Partijen zullen hierna [verweerder in het incident] en [eiser in het incident] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in incident van 10 december 2014, waarbij de incidentele vordering van [eiser in het incident] op de aangevoerde grondslag van artikel 12 Rv is afgewezen maar de hoofdzaak in afwachting van de procedure in [land] op de parkeerrol van 1 april 2015 is geplaatst voor uitlating door partijen over de stand van zaken in die procedure of doorhaling;
- -
de akte van [verweerder in het incident] van 1 april 2015 waarin hij verzoekt de zaak naar de volgende parkeerrol te verwijzen;
- -
de akte uitlating van [eiser in het incident] van 1 april 2015 waarin hij meedeelt zich te kunnen vinden in verwijzing van de zaak naar de (volgende) parkeerrol;
- -
de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol van 7 oktober 2015;
- -
de akte van [verweerder in het incident] van 7 oktober 2015 waarin hij verzoekt de zaak naar de rol van eind februari 2016 te verwijzen;
- -
de akte uitlating van [eiser in het incident] van 7 oktober 2015 waarin hij meedeelt zich te kunnen vinden in verwijzing van de zaak naar de (volgende) parkeerrol;
- -
de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol van 6 april 2016;
- -
de akte uitlating van [verweerder in het incident] van 6 april 2016 waarin hij meedeelt dat de [buitenlandse] rechter uitspraak heeft gedaan zodat de onderhavige procedure kan worden voortgezet;
- -
de akte uitlating van [eiser in het incident] van 6 april 2016 waarin hij meedeelt dat de al bekende [buitenlandse] procedure zal worden gevoegd met een andere [buitenlandse] procedure en dat de onderhavige zaak weer moet worden verwezen naar de parkeerrol, nu (in [land] ) tijdelijk niet wordt voortgeprocedeerd;
- -
de akte uitlating van [verweerder in het incident] van 4 mei 2016 waarin hij meedeelt gegronde en zwaarwegende bezwaren te hebben tegen een verdere aanhouding van de onderhavige procedure;
- -
de akte overlegging productie van [eiser in het incident] van 4 mei 2016 waarin hij zijn standpunt dat de onderhavige zaak naar de parkeerrol moet worden verwezen handhaaft;
- -
de antwoordakte van [verweerder in het incident] van 15 juni 2016 waarin hij zijn verzoek om de procedure niet langer aan te houden handhaaft;
- -
de antwoordakte van [eiser in het incident] van 15 juni 2016 waarin hij zijn standpunt dat de onderhavige zaak naar de parkeerrol moet worden verwezen handhaaft;
- -
de verwijzing van de zaak naar de rol van 27 juli 2016 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [eiser in het incident] ;
- -
de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie ex artikel 224 Rv van [eiser in het incident] van 24 augustus 2016;
- -
de akte uitlating tevens overlegging productie van [verweerder in het incident] van 24 augustus 2016;
- -
de akte houdende aanpassing vordering, tevens akte houdende uitlating naar aanleiding van door eiser in het geding gebrachte productie van [eiser in het incident] van 21 september 2016;
- -
de incidentele antwoordconclusie van 21 september 2016.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan
2.1.
[eiser in het incident] vordert in het incident, na aanpassing van het petitum, op de voet van artikel 224 Rv dat de rechtbank [verweerder in het incident] veroordeelt om voor de proceskosten van in totaal € 27.207,00, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, zekerheid te stellen in de vorm van een deugdelijke bankgarantie op de gebruikelijke condities voor het stellen van bankgaranties, bij een gerenommeerde Nederlandse bankinstelling, met veroordeling van [verweerder in het incident] in de kosten van het incident, de nakosten daaronder begrepen.
2.2.
[eiser in het incident] voert hiertoe aan dat [verweerder in het incident] geen gewone woon- of verblijfplaats heeft in Nederland en dat het verweer van [eiser in het incident] in de hoofdzaak ertoe zal leiden dat het door [verweerder in het incident] gevorderde zal worden afgewezen. [eiser in het incident] stelt er daarom recht en belang bij te hebben dat [verweerder in het incident] zal worden veroordeeld om zekerheid te stellen voor de proceskosten in de hoofdzaak. [eiser in het incident] gaat ervan uit dat in de procedure de volgende proceshandelingen zullen worden verricht: conclusie van antwoord, comparitie van partijen, bijwonen getuigenverhoren in enquête, bijwonen getuigenverhoren in contra-enquête, conclusie na enquête, inlichtingen/deskundigenbericht en conclusie na deskundigenbericht, zodat het salaris advocaat € 25.688,00 bedraagt (8 punten van het liquidatietarief van € 3.211,00 per punt). Daarbij komt nog het griffierecht van € 1.519,00, zodat de totale proceskosten volgens [eiser in het incident] € 27.207,00 zullen bedragen, te vermeerderen met het nasalaris van € 131,00.
2.3.
Ingevolge artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij zouden kunnen worden veroordeeld, tenzij één van de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a tot en met d Rv zich voordoet.
2.4.
[verweerder in het incident] voert als primair verweer aan dat [eiser in het incident] in strijd met artikel 208 lid 3 Rv – dat bepaalt dat incidentele vorderingen zoveel mogelijk tegelijk worden ingesteld – de nu ingestelde incidentele vordering niet tegelijk met de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring van 1 oktober 2014 heeft ingesteld. Het opwerpen van dit incident in dit stadium van de procedure is volgens [verweerder in het incident] in strijd met de goede procesorde. [verweerder in het incident] meent dan ook dat de incidentele vordering moet afgewezen, met veroordeling van [eiser in het incident] in de proceskosten van het incident, als nodeloos gemaakt.
2.5.
Op grond van artikel 224 lid 3 Rv is de gedaagde partij bevoegd de incidentele vordering tot zekerheidstelling in te stellen vóór alle weren. Hij is daartoe dus niet verplicht; de vordering kan in beginsel in elke stand van het geding worden ingesteld. Van strijd met de goede procesorde is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. In dit vonnis zal in de hoofdzaak een comparitie worden bevolen, hetgeen zonder het incident – hooguit iets eerder – ook zou zijn gebeurd, zodat de hoofdzaak door het instellen van het onderhavige incident slechts beperkt vertraging heeft opgelopen. De eerdere verwijzingen naar de parkeerrol, waardoor de zaak ook – en veel meer dan door dit incident – is vertraagd, hebben telkens op verzoek van beide partijen plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.
2.6.
Subsidiair beroept [verweerder in het incident] zich op de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 224 lid 2 onder a, b en d Rv. Artikel 224 lid 2 onder a Rv bepaalt dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien dit voortvloeit uit een verdrag of uit een EG-verordening. [verweerder in het incident] beroept zich in dit kader op artikel 17 lid 1 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954, dat het volgende bepaalt:
“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”
2.7.
Zowel Nederland als [land] , waar [verweerder in het incident] woonplaats heeft, is partij bij het bovengenoemde verdrag. Van [verweerder in het incident] als eisende partij kan dus geen zekerheidsstelling worden verlangd, zodat zijn beroep op de uitzondering van artikel 224 lid 2 onder a Rv slaagt. Hieruit volgt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.
2.8.
[eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [verweerder in het incident] begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt ×, tarief € 452,00).
3. De verdere beoordeling in de hoofdzaak
3.1.
De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.2.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.
3.3.
De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.
3.4.
In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
3.5.
Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.
3.6.
Van de verklaringen ter zitting zullen geen ondertekende weergaven in het proces-verbaal worden opgenomen. Naast een verkort proces-verbaal worden de griffiersaantekeningen in het dossier bewaard.
3.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.A.M Vaessen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
4.5.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
4.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 november 2016 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden december 2016 tot en met februari 2017, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,
4.7.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,
4.8.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.9.
wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,
4.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.
Coll.: JC
Uitspraak 12‑11‑2014
Inhoudsindicatie
Litispendentie (art. 12 Rv). Incidentele vordering tot aanhouding van de hoofdzaak totdat in de tussen partijen eerder in Turkije aanhangige procedure is beslist. Beroep op artikel 12 Rv slaagt niet, omdat een Turks vonnis niet krachtens een exequatur in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Eiser in het incident mag zich nog uitlaten over het voorstel van de wederpartij om de zaak drie maanden aan te houden in afwachting van de beslissing van de Turkse rechter.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/268527 / HA ZA 14-433
Vonnis in incident van 12 november 2014
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. H. Killi te Arnhem,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. W.K. Cheng te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding
- -
de incidentele conclusie tot litispendentie c.q. onbevoegdverklaring ex artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- -
de incidentele antwoordconclusie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten in het incident
2.1.
In het kader van het incident gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
2.2.
[eiser] is bestuurder van een Turkse onderneming die hierna wordt aangeduid als Tuana. Tuana is gevestigd in [plaats].
2.3.
Op 6 december 2013 hebben [eiser] en [gedaagde] in [plaats] een overeenkomst gesloten, in het kader waarvan [gedaagde] 50% van de aandelen in Tuana heeft gekocht van [eiser] tegen een bedrag van € 1.500.000,00. Een vertaling van deze overeenkomst is overgelegd als productie 6 bij dagvaarding en luidt onder meer als volgt:
€ 400.000 zal bij vooruitbetaling worden betaald, verder zal er maandelijks € 10.000 worden betaald, dus € 100.000 in 10 maanden, terwijl [gedaagde] de resterende € 1.000.000,00 zal geven nadat hij zijn vorderingen met betrekking tot zijn hotel heeft ontvangen.
[…]
Zolang de formaliteiten ten aanzien van de aandelenoverdracht voortduren, zal er een schuldbekentenis worden verstrekt ter zekerheid van de ontvangen € 400.000. Bij afronding van de aandelenoverdracht zal de schuldbekentenis worden teruggegeven.
Indien [gedaagde] om enigerlei reden afziet van een en ander, kan hij het door hem gegeven geld terugkrijgen (waarbij hij een redelijke termijn dient toe te kennen).
2.4.
De aandelen zijn overgedragen aan [gedaagde] na een daartoe strekkend besluit van de Raad van Bestuur van Tuana van 5 december 2013 te [plaats]. Van de overdracht is mededeling gedaan in het aandeelhoudersregister te [plaats]. Verder is het herziene aandeelhoudersoverzicht ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Industrie te [plaats] en heeft publicatie van de aandelenoverdracht plaatsgevonden in de Handelsregistercourant Turkije.
2.5.
Volgens de dagvaarding heeft [gedaagde] – tegen ontvangst van de overeengekomen schuldbekentenis – slechts € 400.000,00 van de totale koopprijs aan [eiser] betaald. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van [eiser] om teruggave van de schuldbekentenis.
2.6.
Productie 18 bij dagvaarding omvat een vertaling van een brief van de Turkse advocaat van [gedaagde] aan ‘het 5e Notariaat te Antalya’ van 16 juni 2014, waarin namens [gedaagde] wordt meegedeeld dat hij uit de vennootschap wil uittreden en het door hem betaalde bedrag binnen zeven dagen teruggestort wil hebben omdat Tuana haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt.
2.7.
Bij brief van 9 juli 2014 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde] verzocht en voor zover nodig gesommeerd om de achterstallige termijnbetalingen over de maanden januari tot en met juli 2014 oftewel € 70.000,00 en het uiterlijk in juni 2014 verschuldigde bedrag van € 1.000.000,00, samen € 1.070.000,00, alsnog te voldoen en de nog resterende deelbetalingen tijdig te voldoen. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
2.8.
Na daartoe op 14 juli 2014 verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft [eiser] op 18 en 21 juli 2014 ten laste van [gedaagde] conservatoire beslagen gelegd onder ING Bank, op onroerende zaken van [gedaagde] in [plaats], op een aantal personenauto’s die zich bevonden bij Careca Cars B.V. te Berg en Dal en op de certificaten van aandelen van [gedaagde] in de Stichting Beheer Aandelen Jasca Holding te Nijmegen.
2.9.
Op 24 juli 2014 (volgens [gedaagde]) of 1 augustus 2014 (volgens [eiser]) heeft [gedaagde] een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt bij de Turkse rechter. In die procedure vordert [gedaagde] onder meer terugbetaling van de door hem betaalde € 400.000,00.
2.10.
De dagvaarding in de onderhavige hoofdzaak is uitgebracht op 30 juli 2014.
2.11.
[gedaagde] heeft [eiser] gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank en in kort geding, kort gezegd, opheffing gevorderd van de onder 2.8 bedoelde beslagen. Bij vonnis van 1 september 2014 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde] afgewezen.
3. Het geschil in de hoofdzaak
3.1.
[eiser] vordert in de hoofdzaak, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van:
- a.
de hoofdsom van € 1.070.000,00;
- b.
€ 41.253,27 aan wettelijke handelsrente;
- c.
€ 6.102,61 wegens kosten conservatoir beslag;
- d.
€ 6.775,00 wegens buitengerechtelijke kosten;
- e.
€ 6.422,00 wegens salaris advocaat;
- f.
€ 1.519,00 aan griffierecht;
één en ander vermeerderd met wettelijke rente en nakosten, en ten slotte:
veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de onder 2.3 bedoelde overeenkomst. De vordering strekt tot nakoming en tot vergoeding van de schade die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde].
3.3.
[gedaagde] heeft in de hoofdzaak nog niet geantwoord.
4. Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan
4.1.
De incidentele vordering van [gedaagde] strekt ertoe, samengevat, dat de rechtbank de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt totdat is beslist in de procedure die tussen [gedaagde] en [eiser] aanhangig is bij de Turkse rechter, waarna de rechtbank zich op grond van artikel 12 Rv onbevoegd kan verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. [gedaagde] voert in dit kader aan dat hij een zaak over hetzelfde onderwerp en met dezelfde inhoud eerder tegen [eiser] aanhangig heeft gemaakt bij de rechter in Turkije, welke zaak nog aanhangig is. [gedaagde] voert aan dat, door de behandeling van de zaak in Nederland aan te houden, wordt voorkomen dat de Turkse en de Nederlandse rechter over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen tegengestelde beslissingen geven.
4.2.
[eiser] voert verweer in het incident.
4.3.
De rechtbank gaat hierna nader in op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.
4.4.
Artikel 12 Rv bepaalt dat, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.
4.5.
[eiser] voert als verweer ten eerste aan dat artikel 12 Rv niet van toepassing is, omdat de procedure in Nederland eerder is gestart dan de procedure in Turkije. Volgens [eiser] is de procedure in Turkije niet – zoals [gedaagde] stelt – op 24 juli 2014, maar op 1 augustus 2014 aanhangig gemaakt. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar productie 5 bij de incidentele conclusie van [gedaagde] en productie 22 bij de incidentele conclusie van antwoord. Het betreft een Turks document, waarvan [gedaagde] de Nederlandse vertaling heeft bijgevoegd. Het opschrift luidt: “Handelskamer van de 3e arrondissementsrechtbank in Antalya”. Als eiser staat onder meer [gedaagde] vermeld en als gedaagden onder meer Tuana en [eiser]. Op het stuk staat verder onder meer vermeld: “Rolnummer: 2014/304” en “Zittingsdatum: 01-08-2014”. [eiser] maakt hieruit op dat de Turkse procedure op 1 augustus 2014 aanhangig is gemaakt. Dat is volgens hem later dan het moment waarop de procedure in Nederland aanhangig is gemaakt. [eiser] wijst er daarbij op dat zijn verzoekschrift tot beslaglegging al op 11 juli 2014 aan de rechtbank is verzonden en dat de voorzieningenrechter op 14 juli 2014 verlof heeft verleend tot het leggen van beslag.
4.6.
Dit betoog gaat niet op. Artikel 125 Rv bepaalt dat het geding aanhangig is vanaf de dag van dagvaarding. De dagvaarding in de onderhavige zaak dateert van 30 juli 2014. Dat daarvóór al verlof tot beslaglegging was gevraagd en verleend, doet in dit verband niet ter zake. Anders dan [eiser] meent, kan er niet van worden uitgegaan dat de procedure in Turkije aanhangig is gemaakt op 1 augustus 2014. Als productie 6 bij incidentele conclusie heeft [gedaagde] immers een uit het Turks vertaalde brief overgelegd van zijn advocaat aan hem, waarin deze meedeelt dat conform opdracht van [gedaagde] een procedure aanhangig is gemaakt tegen onder meer Tuana en [eiser] bij de Handelskamer van de 3e arrondissementsrechtbank van Antalya, onder dossiernummer 2014/304. De brief dateert van 24 juli 2014. Dat is een aanwijzing dat de procedure in Turkije eerder dan 30 juli 2014, namelijk al op 24 juli 2014 aanhangig was. De datum 1 augustus 2014 die staat genoemd op productie 5 van [gedaagde] (zie hierboven 4.5) is een zittingsdatum in diezelfde procedure.
4.7.
Maar ook als de procedure in Turkije later dan de Nederlandse procedure – namelijk op 1 augustus 2013 – aanhangig zou zijn gemaakt, dan heeft te gelden dat het beroep van [gedaagde] op artikel 12 Rv niet kan slagen, omdat een Turks vonnis niet krachtens een exequatur in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, zoals [eiser] terecht heeft aangevoerd. Op grond van artikel 431 lid 1 Rv in verbinding met artikel 985 Rv kan, zonder wet of verdrag, een buitenlands veroordelend vonnis, ook al is het vatbaar voor erkenning, hier te lande niet ten uitvoer worden gelegd. De erkenning dan wel tenuitvoerlegging in Nederland van Turkse rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken is niet bij wet en/of verdrag geregeld. Dit betekent dat de weg van artikel 431 lid 1 Rv in verbinding met artikel 985-994 Rv – de exequaturprocedure – niet kan worden gevolgd.
4.8.
Gezien het voorgaande is de incidentele vordering van [gedaagde] om de zaak aan te houden op grond van artikel 12 Rv niet toewijsbaar. [eiser] verklaart echter in zijn incidentele antwoordconclusie dat hij akkoord kan gaan met een aanhouding van de zaak door deze rechtbank voor drie maanden, zodat de rechtbank de eventuele beslissing van de Turkse rechter kan betrekken bij de beoordeling van het geschil zoals dat in de onderhavige procedure voorligt. Aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de uitkomst van de Turkse procedure komt ook de rechtbank geraden voor, aangezien op deze wijze tegenstrijdige beslissingen kunnen worden voorkomen. [gedaagde] heeft echter nog niet op dit standpunt van [eiser] kunnen reageren. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen om [gedaagde] daartoe in de gelegenheid te stellen. Omdat de rechtbank niet goed kan inschatten of de door [eiser] voorgestelde termijn van drie maanden voldoende is om daarbinnen een uitspraak van de Turkse rechter te kunnen verwachten, wordt [gedaagde] verzocht zich – na daarover met [eiser] in overleg te zijn getreden – in zijn akte ook hierover uit te laten. Voor het overige moet de door [gedaagde] te nemen akte zich beperken tot een reactie op het hier in 4.8 bedoelde standpunt van [eiser].
4.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beoordeling in de hoofdzaak
5.1.
In afwachting van de verdere beslissing in het incident zal in de hoofdzaak iedere beslissing worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 november 2014 voor akte aan de zijde van [gedaagde] waarin hij zich kan uitlaten over hetgeen is vermeld onder 4.8, waarna het schriftelijk debat in het incident tussen partijen in beginsel zal zijn beëindigd,
in het incident en in de hoofdzaak
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.
Coll.: JC