HR, 24-04-2018, nr. 16/03952
ECLI:NL:HR:2018:656
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-04-2018
- Zaaknummer
16/03952
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:656, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 24‑04‑2018; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:380
ECLI:NL:PHR:2018:380, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑02‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:656
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelict. Falend middel over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/03950 en 16/03951.
Partij(en)
24 april 2018
Strafkamer
nr. S 16/03952 P
ARA
Hoge Raad der Nederlanden
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2016, nummer 20/001085-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers enA.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018.
Conclusie 06‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelict. Falend middel over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/03950 en 16/03951.
Nr. 16/03952 P Zitting: 6 februari 2018 (bij vervroeging) | Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene 3] |
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juli 2016 het door de betrokkene behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 10.014,09 en hem de verplichting opgelegd om een bedrag van € 9.014,09 aan de Staat te betalen.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/03950 P en 16/03951 P. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de bespreking van de geconstateerde schending van de redelijke termijn uitsluitend heeft gelet op de overschrijding in hoger beroep, terwijl het verweer inhield dat ook in eerste aanleg de redelijke termijn was geschonden.
5. Uitgaande van de in de schriftuur weergegeven overwegingen uit ’s hofs arrest, kan aan de steller van het middel worden toegegeven dat het prima vista lijkt alsof het hof uitsluitend acht heeft geslagen op de periode die is verstreken ná het instellen van het hoger beroep tot aan de dag waarop het hof uitspraak heeft gedaan.
6. Ik wijs er in dit verband echter op dat het hof in de weergave van het verweer niet rept van alleen de fase in het hoger beroep, maar ook na de overweging aangaande de fase van het hoger beroep uitspraken doet over de redelijke termijn in het algemeen, waaronder de fase van eerste aanleg is begrepen. Bovendien heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep op grond van de totale overschrijding van de redelijke termijn een korting bepleit ter hoogte van tien procent, terwijl het hof een korting hééft toegekend ter hoogte van € 1.000,- op (afgerond) 10.000,-. Het komt mij voor dat hieruit moet worden afgeleid dat het hof wel degelijk de duur van de procedure in eerste aanleg in aanmerking heeft genomen. Om die reden mist het middel feitelijke grondslag en kan het als zijnde kansloos niet tot cassatie leiden.
7. Gelet op deze constatering moet het tweede middel, dat klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, dat lot delen.
8. Ik stel mij op het standpunt dat de zaak met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan en dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG