HR, 17-01-2023, nr. 20/03547
ECLI:NL:HR:2023:31
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-2023
- Zaaknummer
20/03547
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:31, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:8644
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1087
ECLI:NL:PHR:2022:1087, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:31
Uitspraak 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 20/03545 en 20/03700.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03547
Datum 17 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2020, nummer 21-006232-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2023.
Conclusie 22‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Samenhangende Peek. Cassatieberoep n-o.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03547
Zitting 22 november 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 21 oktober 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens:
- “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van aan een ambtenaar een gift of belofte doen ten gevolge van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten”;
- “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”; en
- “medeplegen van valsheid in geschrift”
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 30.000.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/03700 en 20/03545. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 1 juni 2021 (in persoon) betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
2. Beoordeling
2.1.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.
2.2.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG