Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.1:3.1 Inleiding
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS351603:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is aandacht besteed aan de vraag of de overheid zou moeten ingrijpen bij bedrijfsoverdrachten. Dit is op grond van de welvaartseconomie gelegitimeerd als sprake is van marktfalen. De mogelijke vormen van marktfalen zijn daartoe geanalyseerd. Overheidsingrijpen kan ook nodig zijn als elementen in de belastingwetgeving verstoringen veroorzaken waar het betreft de belastingheffing rond bedrijfsoverdrachten. Een eerste aanzet qua verstoringen is hiertoe in het vorige hoofdstuk gedaan alwaar het fiscaaleconomisch kader is geschetst. Door in het onderhavige hoofdstuk de belastingclaim bij een bedrijfsoverdracht te analyseren, kunnen mogelijke tekortkomingen worden bepaald. Ook wil ik alvorens de door de overheid gecreëerde regelingen ter zake van bedrijfsoverdrachten worden getoetst, inzicht verkrijgen in de belastingclaim waarmee een natuurlijk persoon wordt geconfronteerd als die zijn IB-onderneming (paragraaf 3.2) of zijn ab in een in een kapitaalvennootschap gedreven onderneming (paragraaf 3.3) overdraagt (zesde en zevende deelvraag). In paragraaf 3.2 worden voor de situatie van de IB-onderneming tevens berekeningen gemaakt hoe de belastingheffing over vermogenswinsten onder het huidige regime (vermogenswinstbelasting) verloopt ten opzichte van de belastingheffing onder een theoretisch gewenst systeem1 (vermogensaanwasbelasting); zie over deze systemen paragraaf 2.4. Dit wordt gedaan voor de periode van 2002-2011. In paragraaf 2.4 is als mijn belangrijkste kritiekpunt op een vermogenswinstbelasting naar voren gekomen dat de vermogensmutaties ineens bij realisatie tegen een progressief tarief worden belast. Indien de uitkomsten onder een vermogenswinstbelasting evenwel voor een belastingplichtige voordeliger zijn dan onder een vermogensaanwasbelasting, vormt het belasten van vermogenswinsten bij realisatie geen reden om daarvoor een faciliteit te bieden (zie paragraaf 2.4.2.1). Deze analyse behoeft voor ab-houders niet te worden gemaakt. Vervreemdingsvoordelen worden bij ab-houders belast tegen een proportioneel tarief (zie uitgebreider paragraaf 3.3.3).2 Zij worden bij realisatie niet ineens belast tegen een hoger progressief tarief. Voor ab-houders geldt dat een vermogenswinstbelasting voordeliger is dan een vermogensaanwasbelasting. De belastingheffing over (ongerealiseerde) vermogensmutaties, dit betreft zowel de ab-claim als de Vpb-claim, kan immers gedurende een lange periodeworden uitgesteld, hetgeen een rentevoordeel oplevert zonder dat dit dus tot een hogere belastingdruk leidt. Onder een vermogensaanwasbelasting wordt de vermogensaanwas ieder jaar in de heffing betrokken, hetgeen ten opzichte van een vermogenswinstbelasting leidt tot een rentenadeel. De afgelopen periode is bovendien het Vpb-tarief ook alleen maar gedaald, hetgeen een vermogensaanwasbelasting nog nadeliger maakte dan een vermogenswinstbelasting. Compensatie voor het feit dat onder een vermogenswinstbelasting vermogensmutaties bij realisatie worden belast, hoeft dus voor ab-houders niet te worden geboden.
In paragraaf 3.4 wordt geanalyseerd hoe ondernemingsvermogen wordt belast dat krachtens erfrecht of schenking wordt verkregen (achtste deelvraag).
In dit hoofdstuk versta ik onder de belastingclaim de verschuldigde belasting op het moment van overdracht vóór toepassing van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Bij de analyse van de belastingclaim beperk ik me tot de belastingen die naar draagkracht worden geheven (zie voor de afbakening van het onderzoeksobject paragraaf 1.5).
Dit hoofdstuk wordt ten slotte in paragraaf 3.5 afgesloten met een samenvatting en conclusie.