Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.10
7.2.10 Beoordeling van de betrouwbaarheid: door wie?
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 47.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 130; EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 46.
EHRM 26 februari 2013, appl.no. 50254/07 (Papadakis/Macedonië), § 91. Zie ook EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 52: ‘In the circumstances of the case, these measures must be considered sufficient to have enabled the applicant to challenge M.’s statements and his credibility in the course of the criminal proceedings.’
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 162: ‘However, the Court considers that neither of these factors, whether taken alone or in combination, could be a sufficient counterbalance to the handicap under which the defence laboured. Even if he gave evidence denying the charge, the applicant was, of course, unable to test the truthfulness and reliability of T’s evidence by means of cross-examination.’
In onderdeel 5 van zijn noot onder HR 17 november 2009, NJ 2010, 191 schrijft Reijntjes in het kader van compensatie: ‘het is natuurlijk de rechter, die – zelfs ambtshalve – de betrouwbaarheid moet toetsen’.
EHRM 19 juli 2012, appl.no. 29881/07 (Sievert/Duitsland), § 67. In EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 69 en EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 53 overwoog het EHRM dat de rechters de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet effectief en behoorlijk hadden konden vaststellen. In EHRM 17 september 2013, appl.no. 23789/09 (Brzuszczyń ski/Polen), § 89 en 90 nam het EHRM juist genoegen met voornamelijk de motivering van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring door de rechter.
EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 44324/11 (dec.) (Lawless/Verenigd Koninkrijk), § 37. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de verdediging de getuige ter zitting had kunnen onderwerpen aan een cross-examination. Zie ook EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 18743/06 (dec.) (Sellick & Sellick/Verenigd Koninkrijk), § 55.
In EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 51 overwoog het EHRM dat bepaalde factoren ‘can scarcely be considered a proper substitute for the possibility of the defence or the trial court to question the witnesses in their presence and make their own judgment as to their demeanour and reliability’.
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 50.
Dat zou anders kunnen zijn wanneer de verdediging zou worden betrokken bij dat onderzoek.
Dat zou anders zijn wanneer het EHRM het zorgvuldig aan de orde stellen van het bewijsmateriaal ter zitting als compenserende factor zou aanmerken. De rechter zal daarbij overigens wel beperkt worden door de eis van onpartijdigheid: omdat hij zijn oordeel over de schuld van de verdachte ter zitting niet mag laten blijken, zal hij zich nog niet mogen uitlaten over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.
Wanneer de verdediging het ondervragingsrecht niet of niet voldoende heeft kunnen uitoefenen en de getuigenverklaring van beslissende betekenis is, moet deze handicap van de verdediging worden gecompenseerd.1 Het doel van de compensatie is het behoorlijk en effectief kunnen onderzoeken van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring langs andere weg dan een rechtstreekse ondervraging.2 Omdat het ondervragingsrecht een verdedigingsrecht is, ligt het voor de hand te denken dat bij voldoende compensatie de verdediging in staat is geweest om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken. In verschillende zaken is bij de vaststelling of voldoende was gecompenseerd, inderdaad deze benadering gekozen. Zo overwoog het ehrm in de zaak Papadakis:
‘That the trial judge had herself ascertained that the witness had been involved in the events recorded on the video material and had stated her opinion of the witness’s credibility (...) cannot be considered a proper substitute for the opportunity for the defence to question the witness in their presence and make their own judgment as to his demeanour and reliability’.3
In deze zaak had een getuigenverhoor ter zitting plaatsgevonden, in aanwezigheid van de rechter en de jury, maar was het de verdediging niet toegestaan daarbij aanwezig te zijn. Uit de overweging van het ehrm lijkt te mogen worden afgeleid dat de verdediging zelf in staat moet kunnen zijn de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken. In de zaak Tahery benadrukte het ehrm het doel van de uitoefening van het ondervragingsrecht: door de getuige te ondervragen kan de verdediging bij de rechter of jury twijfel zaaien met betrekking tot de geloofwaardigheid van de getuige of de betrouwbaarheid van zijn verklaring.4 Dit zal kunnen bijdragen aan het vinden van de materiële waarheid door de rechter of jury. De compenserende factoren zouden hetzelfde doel moeten kunnen realiseren.
In andere zaken lijkt het ehrm het karakter van het ondervragingsrecht als verdedigingsrecht uit het oog te zijn verloren.5 Zo overwoog het in het arrest Sievert dat de rechter de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring effectief en behoorlijk had kunnen onderzoeken.6 In de zaak Lawless concludeerde het dat de vier vastgestelde compenserende factoren de jury in staat hadden gesteld ‘to conduct a fair and proper assessment of the reliability of Mr Widdicombe’s evidence’.7 In beide zaken lijkt de verdediging geen invloed te hebben kunnen uitoefenen op de wijze waarop de rechter of jury het onderzoek heeft uitgevoerd. Een enkele keer noemde het ehrm zowel de verdediging als de rechter als belanghebbende om de betrouwbaarheid te onderzoeken.8
De in § 2.4 genoemde factoren die het ehrm in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling of voldoende was gecompenseerd, laten een wisselend beeld zien. Sommige hebben de verdediging daadwerkelijk in staat gesteld om de betrouwbaarheid te beoordelen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het ter beschikking van de verdediging stellen van een videoregistratie van een getuigenverhoor. Wanneer deze video ter zitting is afgespeeld, hecht het ehrm eraan dat ook de zittingsrechter in staat was waar te nemen op welke wijze de getuige had verklaard. In de zaak D.T. werd die eigen waarneming gekoppeld aan de betwisting van de getuigenverklaring door de verdediging: doordat de rechter de video ter zitting had gezien, was de verdediging beter in staat geweest om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te betwisten.9
Een factor die de verdediging niet direct in staat stelt om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken en eventuele indicaties van onbetrouwbaarheid aan de rechter voor te leggen, is het zorgvuldige onderzoek van het bewijsmateriaal door de zittingsrechter.10 Wanneer het ehrm dat onderzoek als compenserende factor beschouwt, baseert het zich op de bewijsmotivering in het vonnis. Deze motivering wordt echter pas gegeven wanneer het onderzoek ter terechtzitting is gesloten. Wat de rechter overweegt, zal dus niet meer door de verdediging kunnen worden gebruikt om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring in twijfel te trekken.11 Het zou wel aanleiding kunnen vormen om hoger beroep in te stellen. Tijdens de zitting in hoger beroep zou de beoordeling van de betrouwbaarheid van de rechter in eerste aanleg aan de orde kunnen worden gesteld.