NJB 2013/2526
Hoge Raad oordeelt – in afwijking van de A-G – dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in schenkings- en successierecht (in 2011: bij verkrijging van ondernemingsvermogen geldt een vrijstelling van 100% tot een waarde van € 1 miljoen, en van 83% voor het meerdere) niet in strijd met het discriminatieverbod. Niettegenstaande dat art. 53 EVRM aan de nationale wetgever de vrijheid laat om een verdergaande bescherming te bieden dan die het EVRM geeft, mag – gelet op art. 94 Gw – de Nederlandse rechter een onverenigbaarheid met het discriminatieverbod niet aannemen op basis van een uitleg van het begrip discriminatie die zou leiden tot een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM. Met het oog op de heffing van schenkings- en successierecht moeten verkrijgingen van ondernemingsvermogen en die van andersoortige vermogensbestanddelen als gelijke gevallen worden aangemerkt. Doelstellingen wetgever (voorkomen dat heffing van successie- en schenkingsrecht mogelijk liquiditeitsproblemen oproept waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen; belang van onbelemmerde voortzetting van de activiteiten; stimulering ondernemerschap) zijn aan te merken als gerechtvaardigd. Dat uit de wetsgeschiedenis niet een gedegen empirisch onderzoek naar de omvang van de gestelde problemen blijkt noch dat een verhoging van het vrijstellingspercentage die problemen zou oplossen, brengt nog niet mee dat de faciliteit van redelijke grond is ontbloot. Het verbod van discriminatie gaat niet zo ver dat een maatregel die met het oog op een in de praktijk ervaren probleem onderscheid maakt tussen vergelijkbare gevallen, slechts toelaatbaar is indien het bestaan en de omvang van dat probleem en de effectiviteit van de gekozen oplossing empirisch zijn vastgesteld. De fiscale wetgever mag een dergelijk onderscheid ook baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing, tenzij deze veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen.
HR 22-11-2013, ECLI:NL:HR:2013:1210
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 november 2013
- Magistraten
Mrs. Feteris, Schaap, Fierstra, Koopman, Groeneveld
- Zaaknummer
13/01161
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Discriminatieverbod
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Europees belastingrecht / Discriminatie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2013:1210, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑11‑2013
- Wetingang
Essentie
Hoge Raad oordeelt – in afwijking van de A-G – dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in schenkings- en successierecht (in 2011: bij verkrijging van ondernemingsvermogen geldt een vrijstelling van 100% tot een waarde van € 1 miljoen, en van 83% voor het meerdere) niet in strijd met het discriminatieverbod. Niettegenstaande dat art. 53 EVRM aan de nationale wetgever de vrijheid laat om een verdergaande bescherming te bieden dan die het EVRM geeft, mag – gelet op art. 94 Gw – de Nederlandse rechter een onverenigbaarheid met het discriminatieverbod niet aannemen op basis van een uitleg van het begrip discriminatie die zou leiden tot een verdergaande bescherming ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.