WFR 2025/56
Belastingplan 2025 getoetst: de kabinetsdoelstellingen versus de realiteit
Dr. A.T.H. van der Linden, datum 17-02-2025
- Datum
17-02-2025
- Auteur
Dr. A.T.H. van der Linden1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS999372:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Heffingskorting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Fiscale wetsvoorstellen (V)
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Dr. A.T.H. van der Linden is als specialistisch adviseur Tax & Technology verbonden aan de Belastingdienst. Daarnaast is hij in deeltijd gedetacheerd naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vanwege het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM). Deze bijdrage is geschreven op persoonlijke titel.
Waar in het vervolg van deze bijdrage wordt gesproken van de schijftarieven, worden de samengestelde schijftarieven bedoeld, dat wil zeggen inclusief de premies volksverzekeringen.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 7. Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 5, p. 2.
CBS (2025), inflatie in december 4,1 procent bij snelle raming, online geraadpleegd via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/02/inflatie-in-december-4-1-procent-bij-snelle-raming. Het CPB verwacht in 2025 een inflatie van 3,2%. Zie CPB (2024), Macro Economische Verkenning 2025, online geraadpleegd via: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2024/09/17/macro-economische-verkenning-2025/Macro%20Economische%20Verkenning%202025.pdf, p. 3. Hierna CPB (2024).
Zie uitgebreider A.T.H. van der Linden & N.F.M. van Mol, ‘De verminderde inflatiecorrectie raakt niet alleen de hoogste inkomens’, WFR 2023/260, paragrafen 2.1 en 2.2.
De tegenhanger van statische koopkracht is dynamische koopkracht. Bij een dynamische koopkrachtmeting neemt men ook veranderingen in de persoonlijke omstandigheden mee. Het starten op de arbeidsmarkt, wisselen van baan of het krijgen van kinderen zijn factoren waar in de raming dan bijvoorbeeld wel rekening mee wordt gehouden. Zie CPB, Koopkracht, online geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/koopkracht.
CPB (2016), MIMOSI: Microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht, online geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-achtergronddocument-30mrt2016-mimosi-microsimulatiemodel-voor-belastingen-sociale-zekerheid-loon.pdf, p. 11, 15-16. Hierna CPB (2016).
CBS (2024), Cao-loonstijging 2024 hoogste in meer dan veertig jaar, online geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/01/cao-loonstijging-2024-hoogste-in-meer-dan-veertig-jaar.
1,066% / 1,033 ≈ 3,2%.
1,059% / 1,033 ≈ 2,5%.
1,043% / 1,032 ≈ 1,0%.
Hoewel deze conclusie is gericht op bijstandsgerechtigden, is deze verder te generaliseren naar andere uitkeringsgerechtigden. Zie Commissie sociaal minimum (2023), Een zeker bestaan II: Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum, online geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/a434ffdd-2aca-4a04-846e-127f3b62d525/file, p. 60-64.
A.T.H. van der Linden, ‘Marginale druk: op het randje’, WFR 2020/23. Vergelijk voor de marginale aftrektarieven: A.T.H. van der Linden, ‘Niet iedereen heeft een microsimulatiemodel (maar wel nodig)’, WFR 2022/220.
Tegen welk marginaal tarief aftrekposten in mindering komen, is een samenspel van de schijftarieven en de algemene heffingskorting. In de nieuwe eerste tariefschijf daalt het aftrektarief van 36,97% in 2024 naar 35,82% in 2025. In de nieuwe tweede en derde tariefschijf stijgt het aftrektarief (met tariefmaatregel) van 36,97% in 2024 naar 37,48% in 2025. De verhoging van het aangrijpingspunt van de afbouw van de algemene heffingskorting leidt tot een tijdelijk lager marginaal aftrektarief. Het hogere afbouwtarief van de algemene heffingskorting leidt daarentegen tot een tijdelijke verhoging van het marginale aftrektarief.
CPB (2016), p. 15.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 9 en 113.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 112-113. In het bedrag zit ook het effect op de grondslagverminderende posten besloten. Zie ook voetnoot 19.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 9 en 113.
Art. 8.10 Wet IB 2001. Zie ook Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 3, p. 68 en 71.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 7, 112-113.
Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 3, p. 68 en 71.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 112-113.
A.T.H. van der Linden, ‘Evaluatie ‘Heffingskortingen en Tariefstructuur’: interessant en teleurstellend’, MBB 2024/46, paragraaf 2.4.1.
A.T.H. van der Linden, ‘Evaluatie ‘Heffingskortingen en Tariefstructuur’: interessant en teleurstellend’, MBB 2024/46, paragraaf 2.4.2.
3362 (maximale hoogte) / 36,97% (schijftarief) ≈ € 9094 en 3068 (maximale hoogte) / 35,82% (schijftarief) ≈ € 8566. Afrondingen in het voordeel van de belastingplichtige.
€ 8566 / 1,033 ≈ € 8293. Afronding in het voordeel van de belastingplichtige.
A.T.H. van der Linden, ‘Evaluatie ‘Heffingskortingen en Tariefstructuur’: interessant en teleurstellend’, MBB 2024/46, paragraaf 2.4.2.
€ 11.052 / 1,033 ≈ € 10.6599. Afronding in het voordeel van de belastingplichtige.
De materiële belastingvrije voet daalt als de algemene heffingskorting wordt verlaagd. Zie ook voetnoot 35.
Het schijftarief bedroeg in 2024 36,97%.
A.T.H. van der Linden & N.F.M. van Mol, ‘De rol van de inkomstenbelasting in koopkrachtreparatie onderbelicht’, WFR 2022/143, paragraaf 4.3.3.
€ 24.812 * 1,033 ≈ € 25.630.
Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 3, p. 7. Het gaat hier om een interpretatie. Het kabinet zegt niet direct dat de marginale huurtoeslagdruk is verlaagd. Het kabinet geeft wel aan dat de aanpassing van de huurtoeslag werken lonender maakt. Dat kan wat mij betreft slechts op één manier en dat is via een verlaging van de marginale huurtoeslagdruk, want dan houd je meer over als het inkomen stijgt. Een verhoging van de hoogte van de huurtoeslag maakt werken immers niet lonender, maar juist minder lonend, want ergens in het inkomensgebouw wordt de verhoogde huurtoeslag ook weer afgebouwd.
Als je de arbeidskorting wegdenkt is de uitkomst gelijk aan de uitkomst van de uitkeringsgerechtigde. Het enige verschil tussen de effecten bij uitkeringsgerechtigden (tabel 1, paragraaf 3.3) en werkenden (tabel 2, paragraaf 3.4) wordt veroorzaakt door de arbeidskorting.
Vergelijk A.T.H. van der Linden, ‘Marginale druk: over het randje’, WFR 2020/23. Vergelijk ook Centerdata (2024), Evaluatie Heffingskortingen en Tariefstructuur, online geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/d2da3823-aa0c-4ae7-9ddb-b63380981371/file, p. 49-51.
A.T.H. van der Linden, ‘Evaluatie ‘Heffingskortingen en Tariefstructuur’: interessant en teleurstellend’, MBB 2024/46, paragraaf 2.4.2.
Paragraaf 3.4, tabel 2, rij 3, geldend voor belastbare inkomens tussen € 11.053 en € 12.168.
Een minimumloon, zonder vakantiegeld, bedraagt € 2191,80. Op jaarbasis dus € 2191,80 * 12 * 1,08 ≈ € 28.406. Afronding in het voordeel van de belastingplichtige.
Stel een loondervingsuitkering bedraagt 70% van het laatstgenoten loon. Dan moet het laatstgenoten loon € 40.000 / 0,7 ≈ € 57.143 hebben bedragen om op € 40.000 uit te komen.
A.T.H. van der Linden, Microsimulatiemodel inkomstenbelasting en toeslagen.
Bij een reëel belastbaar inkomen van € 26.185 vergelijk je een belastbaar inkomen van € 26.185 in 2024 met een belastbaar inkomen van € 26.185 * 1,033 ≈ € 27.050 in 2025. Zie ook paragraaf 2.1.
CPB (2024a), Kerngegevenstabel 2025, online geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/Kerngegevenstabel%20MEV%202025.pdf.
A.T.H. van der Linden, Microsimulatiemodel inkomstenbelasting en toeslagen.
Bij een reëel belastbaar inkomen van € 29.267 vergelijk je een belastbaar inkomen van € 29.267 in 2024 met een belastbaar inkomen van € 29.267 * 1,033 ≈ € 30.234 in 2025. Zie ook paragraaf 2.1.
De reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk stijgt weer bij een reëel belastbaar inkomen van € 202.004. Dat komt overeen met een belastbaar inkomen van € 202.004 * 1,033 ≈ € 195.551 in 2024.
Deze uitkomst is inclusief de veranderingen die van rechtswege plaatsvinden.
A.T.H. van der Linden, ‘De uitruil tussen arbeidsparticipatie en armoederisico voor uitkeringsgerechtigden in de IB’, WFR 2024/116, paragraaf 4.2.
De daadwerkelijke hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de draagkracht via het inkomen en het vermogen.
Mits het inkomen boven de materiële belastingvrije voet uitkomt.
CPB (2024), p. 3.
CPB (2024), p. 3. Vergelijk A.T.H. van der Linden, ‘De uitruil tussen arbeidsparticipatie en armoederisico voor uitkeringsgerechtigden in de IB’, WFR 2024/116, paragraaf 2.3.
CPB (2024b), Concept Macro Economische Verkenning, online geraadpleegd via: https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Raming-Concept-Macro-Economische-Verkenning-2025.pdf, p. 3. In CPB (2024), p. 3 wordt alleen opgemerkt dat de lastenverlichting is verminderd door de augustusbesluitvorming, niet dat de lasten kunnen stijgen.
Troonrede 2019, online geraadpleegd via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2019/09/17/troonrede-prinsjesdag-2019.
Zonder compensatie via inkomensondersteunende maatregelen zoals de huurtoeslag of het kindgebonden budget.
J. van Dijk & Y. van de Ven, Het einde van de toeslagen, Instituut voor Publieke Economie, online geraadpleegd via: https://static1.squarespace.com/static/62096977df64021ea6e3d494/t/64355da87ac5eb0ab16e4c6c/1681219004556/IPE-het-einde-van-detoeslagen-spread.pdf, p. 7 en 11.
Bij een bepaald huishoudentype en een bepaalde inkomensgroep.
Per 1 januari 2025 is de inkomstenbelasting ingrijpend gewijzigd. De inkomstenbelasting kent sindsdien opnieuw drie schijftarieven. Daarnaast is de algemene heffingskorting op drie punten aangepast: de grondslag verschuift van het belastbare inkomen naar het verzamelinkomen, de maximale hoogte is verlaagd en de afbouwgrens wordt gekoppeld aan de hoogte van het wettelijke minimumloon. Met voornamelijk de vorenbedoelde wijzigingen worden vier kabinetsdoelstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord nagestreefd: i) het belastingstelsel begrijpelijker maken, ii) de marginale druk verlagen, iii) werkende middeninkomens erop vooruit laten gaan en iv) armoede en kinderarmoede niet laten oplopen. In dit onderzoek is de uitwerking van het kabinetsbeleid op de kabinetsdoelstellingen zowel kwantitatief als kwalitatief onderzocht. Vervolgens blijkt dat slechts één kabinetsdoelstelling volledig wordt gerealiseerd door, of met, ongewenste nevenuitkomsten.
1. Inleiding
De tariefcomponenten van de inkomstenbelasting zijn met ingang van 1 januari 2025 gewijzigd. Hoewel kleine veranderingen gebruikelijk zijn, bijvoorbeeld vanwege jaarlijkse indexering, zijn de wijzigingen dit jaar relatief ingrijpend. Zo is er een extra verlaagd schijftarief bijgekomen, waardoor de inkomstenbelasting net als in 2019 weer drie (samengestelde)2 schijftarieven kent. De herinvoering van een derde schijftarief moet werken lonender maken.3 De vraag of werken daadwerkelijk lonender wordt, hangt desondanks mede af van de eveneens sterk gewijzigde algemene heffingskorting. Na de wijzigingen wordt de algemene heffingskorting onder meer later in het inkomensgebouw afgebouwd, maar daartegenover staat onder meer een substantiële verlaging van de maximale hoogte met € 335.4
Dat werken lonender moet worden, blijkt ook uit de toelichting van het kabinet bij het Belastingplan 2025. Het kabinet stelt met het koopkrachtpakket invulling te geven aan de doelen van het Hoofdlijnenakkoord. De beleidsdoelen van het kabinet zijn in willekeurige volgorde: i) de marginale druk verlagen, ii) het belastingstelsel begrijpelijker maken, iii) middelen inzetten om werkende middeninkomens erop vooruit te laten gaan en iv) armoede en kinderarmoede ten opzichte van 2024 niet laten oplopen.5 In deze bijdrage wordt kwantitatief en kwalitatief onderzocht of deze doelen worden bereikt.
2. Raamwerk van dit onderzoek
In dit onderdeel worden de opzet, methodiek, relevantie, afbakening en veronderstellingen, evenals de beperkingen van dit onderzoek beschreven.
2.1 Onderzoeksopzet en onderzoeksmethode
In onderdeel 3 van dit onderzoek wordt allereerst uiteengezet wat de wijzigingen in de inkomstenbelasting zijn, voor zover deze betrekking hebben op de tariefstructuur van uitkeringsgerechtigden en werknemers. Vervolgens worden de wijzigingen getoetst aan twee kabinetsdoelstellingen: maken ze het belastingstelsel daadwerkelijk begrijpelijker en verlagen ze de marginale druk? Bij de beleidsdoelstelling rondom de begrijpelijkheid wordt gekeken naar i) de invloed van het beleid op het aantal marginale inkomstenbelastingtarieven en ii) de mate waarin marginale tarieven in lijn zijn gebracht met het schijftarief. Hoe groter de afwijking tussen het schijftarief en het marginale inkomstenbelastingtarief, hoe moeilijker het voor mensen is om hun werkelijke marginale inkomstenbelastingtarief te begrijpen.
Vervolgens wordt in onderdeel 4 onderzocht welke gevolgen de wijzigingen hebben voor de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk van beide typen inkomstenbelastingplichtigen. De reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk is gelijk aan de verschuldigde inkomstenbelasting, gedeeld door het voor inflatie gecorrigeerde belastbare jaarinkomen (reëel bruto-inkomen).
Volgens voorlopige cijfers zijn de prijzen van goederen en diensten in 2024 gemiddeld met 3,3% gestegen (inflatie).6 Dit betekent dat een bruto-inkomen van € 10.000 in 2024 eenzelfde bruto-koopkracht oplevert als een bruto-inkomen van € 10.330 in 2025. Daarom is het reële bruto-inkomen van 2025 geen € 10.330, maar € 10.000. Als de gemiddelde inkomstenbelastingdruk over het reële bruto-inkomen gelijk blijft, blijft ook een even groot deel van het reële bruto-inkomen beschikbaar voor consumptie.7 Dat betekent een status-quo voor de belastingplichtige. Een toename van de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk betekent achteruitgang doordat een groter deel is gereserveerd voor de inkomstenbelasting en andersom.
De reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk fungeert als de belangrijkste indicator om te bepalen of het koopkrachtpakket de doelstellingen behaalt om i) werkende middeninkomens erop vooruit te laten gaan en ii) armoede en kinderarmoede niet te laten oplopen. Een andere indicator wordt gegeven door beleidswijzigingen in het toeslagenstelsel.
Tot slot wordt het onderzoek in onderdeel 5 afgesloten met een concluderende beschouwing waarin de bevindingen worden samengebracht.
2.2 Onderzoeksrelevantie
Dit onderzoek brengt de gevolgen van de wijzigingen in de inkomstenbelasting op de kabinetsdoelstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord helder in kaart. Het laat zien of en waarom deze doelstellingen worden behaald. Naast het evalueren van de resultaten biedt dit inzicht ook waardevolle lessen voor de toekomst als vergelijkbare tariefcomponenten weer worden gewijzigd.
Geen van de doelen uit het Hoofdlijnenakkoord is tot nu toe zowel kwalitatief als kwantitatief geëvalueerd. Ook binnen de koopkrachtramingen van het CPB is dit niet gebeurd; deze ramingen meten hoofdzakelijk de statische koopkracht.8 De door het CPB gemeten statische koopkracht bestaat uit i) de stijging van het bruto-inkomen, ii) de inflatie en iii) de lastenontwikkeling (hogere of lagere lastendruk).9 De overheid heeft directe invloed op de lastenontwikkeling en slechts indirecte invloed op de ontwikkeling van het reële bruto-inkomen, oftewel het voor inflatie gecorrigeerde bruto-inkomen.
Het afgelopen jaar steeg het gemiddelde reële inkomen van werkenden en uitkeringsgerechtigden behoorlijk. De cao-loonstijging bedroeg 6,6%. Dit vertegenwoordigt de grootste stijging sinds 1982. Met 6,6% overtreft de cao-loonstijging ruimschoots de eerdergenoemde inflatie van 3,3% en compenseert deze deels de gemiste loonstijging uit eerdere jaren.10 Ook het bruto-inkomen van uitkeringsgerechtigden steeg in vergelijkbare mate. Uitkeringen worden doorgaans geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het wettelijke minimumloon, dat weer is gekoppeld aan de geraamde ontwikkeling van de cao-lonen.11 In 2024 bedroeg de stijging van het wettelijke minimumloon 5,9%.12 Hierdoor stegen de reële inkomens van werkenden en uitkeringsgerechtigden het afgelopen jaar met respectievelijk ongeveer 3,2%13 en 2,5%.14 Voor 2025 gaat het CPB bij de koopkrachtraming opnieuw uit van een stijging van het reële bruto-inkomen, van omgerekend ongeveer 1,0%.15
Wanneer de reële bruto-inkomens stijgen, valt de invloed van beleidsveranderingen op de koopkracht doorgaans minder op. Een positief koopkrachtcijfer blijft immers een positief koopkrachtcijfer. Daarnaast delen uitkeringsgerechtigden door het inkomstenbelastingbeleid in de afgelopen decennia minder mee in de gemiddelde welvaart.16 Dit onderstreept het belang van onderzoek naar de invloed van de beleidswijzigingen.
2.3 Afbakening en veronderstellingen
Het marginale inkomstenbelastingtarief, waartegen de inkomens van uitkeringsgerechtigden en werkenden zijn belast, ontstaat door het samenspel van schijftarieven en heffingskortingen. In essentie is het marginale tarief gelijk aan het schijftarief, vermeerderd met de simultane verandering in de hoogte van de heffingskortingen die toepassing vinden. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de berekening van de marginale tarieven wordt verwezen naar een eerdere bijdrage.17
Omwille van de omvang richt dit onderzoek zich op de heffingskortingen die standaard toepassing vinden voor beide groepen. Dit betreft de algemene heffingskorting voor uitkeringsgerechtigden en de algemene heffingskorting plus de arbeidskorting voor werknemers. Dit zijn veruit de belangrijkste heffingskortingen binnen de inkomstenbelasting, ook budgettair gezien.18
In dit onderzoek worden bovendien enkele veronderstellingen gehanteerd, waardoor de analyse beperkt blijft tot specifieke groepen belastingplichtigen. Zo wordt aangenomen dat de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet is bereikt. AOW-gerechtigden betalen namelijk geen AOW-premie en dat beïnvloedt de tariefstructuur. Daarnaast wordt aangenomen dat de belastingplichtigen geen grondslagverminderende posten hebben en dat het inkomen uitsluitend bestaat uit loon (voor werknemers) of een of meerdere uitkeringen (voor uitkeringsgerechtigden). Hierdoor is het verzamelinkomen gelijk aan zowel het belastbare inkomen als het arbeidsinkomen, waardoor de grondslagen van de tariefcomponenten uniform zijn.
De termen ‘uitkeringsgerechtigde’ en ‘werknemer in loondienst’ verwijzen in deze bijdrage uitsluitend naar belastingplichtigen die aan de vorenstaande veronderstellingen voldoen.
2.4 Beperkingen van het onderzoek
Doordat het onderzoek is afgebakend tot specifieke groepen inkomstenbelastingplichtigen, zijn de resultaten niet zonder meer te generaliseren naar belastingplichtigen in andere situaties, zoals AOW-gerechtigden of belastingplichtigen met aanvullende heffingskortingen of aftrekposten.19
Daarnaast is de inflatie gebaseerd op de gemiddelde consumentenprijsstijging van een standaardmandje aan goederen en diensten. In dit onderzoek wordt uitsluitend rekening gehouden met de gemiddelde inflatie, die evenredig zal worden toegerekend aan de nominale bruto-inkomens om tot het reële bruto-inkomen te komen. Het CPB past dezelfde methode toe bij de koopkrachtramingen.20 In de praktijk varieert het werkelijke inflatiepercentage per huishouden, afhankelijk van het consumptiepatroon van het huishouden, waardoor ook de reële stijging van het bruto-inkomen situatieafhankelijk is.
3. Beleidswijzigingen per 1 januari 2025
In dit onderdeel zijn de beleidswijzigingen in de inkomstenbelasting wat betreft de tariefcomponenten beschreven. Vervolgens vindt toetsing aan de doelstellingen vereenvoudiging en verlaging van de marginale druk plaats.
3.1 Beleidswijzigingen schijftarieven
Met ingang van het belastingjaar 2025 heeft de inkomstenbelasting opnieuw drie samengestelde tariefschijven. Het eerste schijftarief bedraagt 35,82% en geldt tot en met een belastbaar inkomen van € 38.441. Het tweede schijftarief bedraagt 37,48% en geldt voor belastbare inkomens tussen € 38.441 en € 76.816.21 Materieel gezien is het eerste schijftarief ten opzichte van het belastingjaar 2024 opgeknipt in twee tariefschijven. Het hoogste schijftarief blijft 49,50% en geldt voor belastbare inkomens die € 76.816 overstijgen. Het aanvangspunt van het toptarief is beleidsmatig met € 557 verlaagd, waardoor het hoogste schijftarief eerder in het inkomensgebouw van toepassing is.22
De wijzigingen in de eerste twee tariefschijven resulteren in een budgettaire derving van € 4,45 miljard in 2025 en € 4,983 miljard structureel.23 Daarentegen levert de verlaging van het aanvangspunt van het toptarief een structurele budgettaire opbrengst op van € 212 miljoen.24 Macro-economisch bezien is per saldo dus sprake van een lastenverlichting via de schijftarieven.
De mate waarin burgers daadwerkelijk een lastenverlichting ervaren, hangt echter af van de hoogte van hun belastbare inkomen. Het nieuwe eerste schijftarief is lager en het nieuwe tweede schijftarief is hoger dan vorig jaar (tarief was toen 36,97%).25 Het hoogste schijftarief is onveranderd gebleven, met dien verstande dat de tariefprogressie eerder in het inkomensgebouw optreedt.
3.2 Beleidswijzigingen heffingskortingen
De arbeidskorting is in belastingjaar 2025 niet beleidsmatig gewijzigd, maar wel regulier geïndexeerd.26 De algemene heffingskorting is daarentegen wel op drie punten beleidsmatig aangepast. Allereerst treedt een eerder genomen maatregel in werking, waarbij de grondslag voor de algemene heffingskorting wijzigt van het belastbare inkomen naar het verzamelinkomen.27 Ten tweede is de maximale hoogte van de algemene heffingskorting met € 335 verlaagd naar € 3068.28 Ten derde is het startpunt van de afbouw van de algemene heffingskorting gekoppeld aan het wettelijke minimumloon, inclusief vakantiegeld. Voorheen begon de afbouw al bij een lager inkomen.29
Het veranderen van de grondslag genereert een structurele budgettaire opbrengst van € 352 miljoen.30 Ook het verlagen van de maximale hoogte van de algemene heffingskorting levert de schatkist een budgettaire opbrengst op, namelijk € 2,796 miljard in 2025, oplopend naar € 2,933 miljard structureel. De verhoging van de afbouwgrens kost de schatkist € 1,7 miljard in 2025 en uiteindelijk € 2,036 miljard structureel.31 Macro-economisch bezien is dit een lastenverzwaring van per saldo ruim € 1,2 miljard. Dit betekent dat de verlaging van de schijftarieven direct of indirect wordt gefinancierd via de versoberde algemene heffingskorting.32
De mate waarin burgers deze lastenverzwaring ervaren, hangt af van de hoogte van het belastbare inkomen, naast het inkomen in box 2 en box 3. Belastingplichtigen met een box 2- of een box 3-inkomen zien hun grondslag toenemen en krijgen mogelijk te maken met een hogere afbouw van de algemene heffingskorting. Daarnaast is de algemene heffingskorting per saldo verlaagd bij de laagste inkomens, wat bij een hoger inkomen gedeeltelijk gecompenseerd wordt via een verhoging van de afbouwgrens.
3.3 Uitkeringsgerechtigde: gevolgen voor de marginale tariefstructuur van de inkomstenbelasting
Het uiteindelijke marginale inkomstenbelastingtarief van een uitkeringsgerechtigde is gelijk aan het schijftarief plus de simultane verandering van de algemene heffingskorting. In 2024 was het inkomen van een uitkeringsgerechtigde belast tegen een viertal verschillende marginale inkomstenbelastingtarieven.33 In 2025 zijn dat er vijf. In tabel 1 zijn die vijf marginale inkomstenbelastingtarieven opgenomen.
Tabel 1: Marginale inkomstenbelastingtarieven uitkeringsgerechtigde in 2025
Ondergrens
Bovengrens
Schijftarief
Marginale verandering AHK
Marginaal tarief
€ 0
€ 8566
35,82%
35,82%
0%
€ 8567
€ 28.405
35,82%
0%
35,82%
€ 28.406
€ 38.440
35,82%
-6,337%
42,157%
€ 38.441
€ 76.816
37,48%
-6,337%
43,817%
€ 76.817
N.v.t.
49,50%
0%
49,50%
3.4 Werknemer: gevolgen voor de marginale tariefstructuur van de inkomstenbelasting
Het uiteindelijke marginale inkomstenbelastingtarief van de werknemer is gelijk aan het schijftarief plus de simultane veranderingen van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. In 2024 was het inkomen van een werknemer belast tegen een zevental verschillende marginale inkomstenbelastingtarieven.34 In 2025 zijn dat er negen. In tabel 2 zijn die negen marginale inkomstenbelastingtarieven opgenomen.
Tabel 2: Marginale inkomstenbelastingtarieven werknemer in 2025
Ondergrens
Bovengrens
Schijftarief
Marginale verandering AHK
Marginale verandering AK
Marginaal tarief
€ 0
€ 8566
35,82%
35,82%
0%
0%
€ 8567
€ 11.052
35,82%
0%
35,82%
0%
€ 11.053
€ 12.168
35,82%
0%
8,053%
27,767%
€ 12.169
€ 26.287
35,82%
0%
30,030%
5,790%
€ 26.288
€ 28.405
35,82%
0%
2,258%
33,562%
€ 28.406
€ 38.440
35,82%
-6,337%
2,258%
39,899%
€ 38.441
€ 43.070
37,48%
-6,337%
2,258%
41,559%
€ 43.071
€ 76.816
37,48%
-6,337%
-6,510%
50,327%
€ 76.817
€ 129.075
49,50%
0%
-6,510%
56,010%
€ 129.076
N.v.t.
49,50%
0%
0%
49,50%
3.5 Doelstelling: marginale druk verlagen
De materiële belastingvrije voet van uitkeringsgerechtigden eindigde in 2024 bij € 9094.35 In 2025 eindigt die bij nominaal € 8566 (tabel 1, paragraaf 3.3), wat in reële termen neerkomt op € 8293.36 De materiële belastingvrije voet van werkenden eindigde in 2024 bij € 13.005.37 In 2025 eindigt die nominaal bij € 11.052 (tabel 2, paragraaf 3.4), wat in reële termen neerkomt op € 10.699.38 Daarom gaan uitkeringsgerechtigden en werkenden met een laag inkomen aan de onderkant van het inkomensgebouw een hoger marginaal inkomstenbelastingtarief betalen. De stijging is tevens fors, van 0% naar 35,82%, wat het nieuwe eerste schijftarief weerspiegelt. Dat komt door de verlaging van de algemene heffingskorting.39
Het marginale inkomstenbelastingtarief van uitkeringsgerechtigden daalt boven hun voormalige materiële belastingvrije voet heel licht. De oorzaak is de verlaging van het eerste schijftarief met 1,15%.40 Later in het inkomensgebouw, tussen de voormalige afbouwgrens en de nieuwe afbouwgrens van de algemene heffingskorting, daalt het tarief verder. De verlaging van het marginale inkomstenbelastingtarief houdt aan tot een belastbaar inkomen van € 38.441. Daarboven stijgt het marginale inkomstenbelastingtarief tot het aangrijpingspunt van de hoogste tariefschijf door i) een verhoging van het schijftarief in de nieuwe tweede tariefschijf en ii) een hoger afbouwpercentage van de algemene heffingskorting.
Waar het marginale inkomstenbelastingtarief van uitkeringsgerechtigden daalt boven hun voormalige materiële belastingvrije voet, daar is dat voor werkenden nog niet het geval. Sterker nog, ook daarboven stijgt dat tarief voor werkenden. Dat komt doordat de daling van het opbouwtarief van de arbeidskorting de verlaging van het eerste schijftarief voor bepaalde inkomens overtreft. Dit is het gevolg van de indexatiemethodiek van de arbeidskorting, die is uitgewerkt in een eerdere bijdrage met Van Mol.41 In essentie komt het erop neer dat het opbouwtarief van de arbeidskorting daalt als de tabelcorrectiefactor (die de inflatie weerspiegelt) lager is dan de procentuele stijging van het wettelijke minimumloon. Dit is voor het belastingjaar 2025 het geval. Tegelijkertijd neutraliseert het nadeel van het lagere opbouwpercentage naarmate het inkomen stijgt. Tegenover het lagere opbouwpercentage staat namelijk – een over het inkomen bezien – langer recht op het opbouwpercentage. Dus betreft het een ‘minder snelle, maar langere opbouw’. Per saldo beginnen de marginale inkomstenbelastingtarieven van werkenden over het algemeen te dalen vanaf een reëel belastbaar inkomen van € 25.630.42 Bij dat reële bruto-inkomen zou de afbouw van de algemene heffingskorting in 2025 aanvangen zonder beleidsmatige verhoging van de afbouwgrens.
Het is overigens niet alleen de inkomstenbelasting die bijdraagt aan de marginale druk. Ook de afbouwpaden van toeslagen dragen bij. De afbouw van kinderopvangtoeslag vangt later in het inkomensgebouw aan. In 2024 begon de afbouw van de kinderopvangtoeslag namelijk bij € 28.298, in 2025 nominaal pas bij € 47.404 (reëel € 45.890).43 Dat verlaagt de marginale druk. Daarnaast geeft het kabinet – volgens mijn interpretatie – aan dat de herziening van de huurtoeslag de marginale druk verder verlaagt, maar dat is niet verder getoetst.44
Kortom, de beleidsdoelstelling om de marginale druk te verlagen wordt zowel wel als niet gehaald. De marginale druk van lage (midden)inkomens stijgt en daarboven daalt die voor veel inkomens. Men zou kunnen betogen dat het reguliere indexeringseffect daarbij geen actief kabinetsbeleid is, maar passief kabinetsbeleid door het in stand te houden. Wat er ook van zij, de uitkomst verandert niet als je de indexering van de arbeidskorting wegdenkt.45
3.6 Het belastingstelsel begrijpelijker maken
In paragraaf 2.1 zijn twee criteria opgesteld voor een begrijpelijker belastingstelsel. Volgens het eerste criterium is het noodzakelijk om de inkomensafhankelijke kortingen meer in het schijftarief onder te brengen.46 Het wordt dan duidelijker welke marginale inkomstenbelastingtarieven toepassing vinden. De maatregelen van het kabinet bewerkstelligen dat niet. Het marginale tarief van werkenden is alleen gelijk aan het schijftarief als het inkomen meer bedraagt dan € 129.075(!). De tweede indicator is het aantal marginale inkomstenbelastingtarieven. De uitkeringsgerechtigde heeft er ten opzichte van 2024 één marginaal inkomstenbelastingtarief bijgekregen, de werknemer in loondienst twee. De invoering van een extra schijftarief veroorzaakt in beide gevallen één extra marginaal tarief. Dat de werknemer er nóg een extra marginaal tarief bijkrijgt, hangt samen met de uitwerking van het kabinetsbeleid op de hoogte van de materiële belastingvrije voet. Het eerste opbouwtarief van de arbeidskorting viel in 2024 weg in de materiële belastingvrije voet,47 in 2025 is dat door de verlaging van de algemene heffingskorting niet meer zo.48
Kortom, de maatregelen maken het belastingstelsel niet begrijpelijker, maar juist onbegrijpelijker. Daarbij kan men zich bovendien afvragen of het onder aan de streep wel écht een kabinetsdoelstelling was om het belastingstelsel begrijpelijker te maken. Het kabinet koos namelijk voor de invoering van een verlaagd eerste tarief, omdat een lastenverlichting via een lager schijftarief zichtbaarder is dan een verhoging van een heffingskorting.49 Het kabinet wilde dus (wat mij betreft alleen) de lastenverlichting begrijpelijk maken. Dat wijzigingen in de heffingskortingen onbegrijpelijker zijn, heeft het kabinet vervolgens bewust of onbewust benut door de verlaging van de heffingskortingen direct of indirect te financieren met een per saldo versobering van de algemene heffingskorting.
4. Gevolgen van de beleidswijzigingen voor de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk
In dit onderdeel wordt de invloed van de in paragraaf 3 besproken wijzigingen op de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk geanalyseerd. Vervolgens vindt toetsing aan de volgende kabinetsdoelstellingen plaats: middelen inzetten om werkende middeninkomens erop vooruit te laten gaan en de (kinder)armoede mag niet oplopen ten opzichte van 2024.
4.1 Uitkeringsgerechtigde: gevolgen voor de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk
In figuur 1 is de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk van een uitkeringsgerechtigde in 2024 (roze lijn) en 2025 (groene lijn) opgenomen. Het reële belastbare inkomen op de horizontale as is gelimiteerd op € 40.000, omdat naar mijn verwachting een hoger belastbaar inkomen al snel minder gebruikelijk is. Dat komt doordat uitkeringen vaak gekoppeld zijn aan een percentage van het wettelijke minimumloon (in 2025: € 28.406)50 of het laatstgenoten loon.51
Figuur 1: Reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk uitkeringsgerechtigde: 2025 versus 202452
Het reële belastbare inkomen is, zoals besproken in paragraaf 2.1, een inflatiegecorrigeerd bedrag waarmee in 2024 en 2025 een vergelijkbaar consumptieniveau kan worden bereikt. Als de groene lijn boven de roze lijn ligt, betekent dit dat de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk is gestegen en dat de gewijzigde inkomstenbelasting negatief uitpakt op de reële consumptiekracht. De gemiddelde inkomstenbelastingdruk stijgt voor uitkeringsgerechtigden met een reëel belastbaar inkomen tot ongeveer € 26.185 (dit komt neer op zo’n € 27.050 in 2025, na correctie voor inflatie).53 Dat komt hoofdzakelijk door de verlaging van de maximale hoogte van de algemene heffingskorting.
Voor uitkeringsgerechtigden met een reëel belastbaar inkomen boven € 26.185 ligt de groene lijn juist onder de roze lijn. Die mensen gaan in 2025 naar verhouding dus minder inkomstenbelasting betalen, waardoor de gewijzigde inkomstenbelasting juist positief uitpakt op de reële consumptiekracht. Voor deze inkomensgroep weegt de invoering van een verlaagd eerste schijftarief en een hogere inkomensgrens voor de afbouw van de algemene heffingskorting dus zwaarder dan de verlaging van de maximale hoogte van de algemene heffingskorting.
4.2 Werknemer: gevolgen voor de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk
In figuur 2 is de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk van een werknemer in 2025 vergeleken met die van 2024. Het enige verschil met figuur 1 is dat de x-as nu stopt bij € 100.000, omdat hogere belastbare inkomens nu gebruikelijker zijn. Het CPB schat een modaal inkomen voor 2025 bijvoorbeeld op € 46.500.54 Een modaal inkomen staat voor de middelste observatie in het inkomensgebouw.
Figuur 2: Reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk werknemer: 2025 versus 202455
Uit figuur 2 blijkt dat de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk is gestegen tot een reëel belastbaar inkomen van € 29.267 (dit komt neer op € 30.234 in 2025, na correctie voor inflatie).56 Ook in dit geval komt dat voornamelijk door de verlaging van de maximale hoogte van de algemene heffingskorting. Daarnaast hebben deze inkomens relatief veel last van de in paragraaf 3.5 besproken indexatie van de arbeidskorting.
Voor vrijwel57 alle werknemers met een reëel belastbaar inkomen boven € 29.267 daalt de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk. Voor deze inkomens weegt een verlaagd eerste schijftarief en een hogere inkomensgrens voor de afbouw van de algemene heffingskorting zwaarder dan de verlaging van de maximale hoogte van de algemene heffingskorting en het hogere nieuwe tweede schijftarief.
4.3 Beleidsdoelstelling: middelen inzetten om werkende middeninkomens erop vooruit te laten gaan
De vorige paragraaf maakt duidelijk dat de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk van werkenden stijgt tot een reëel belastbaar inkomen van € 29.267. Niet alle middeninkomens gaan er daarom op vooruit. Het kabinet realiseert deze beleidsdoelstelling dus slechts gedeeltelijk.58
Bij het vorenstaande is nog geen rekening gehouden met de wijzigingen bij de toeslagen, maar dat hoeft primair ook niet. De gerechtigdheid tot toeslagen en de hoogte daarvan zijn primair afhankelijk van het inkomen, niet van de arbeidsstatus. Daarom kunnen toeslagen niet worden ingezet om specifiek werken lonender te maken. Dat is alleen anders voor de kinderopvangtoeslag waarvoor een arbeidseis geldt.59 Zoals besproken in paragraaf 3.5 daalt de marginale kinderopvangtoeslagdruk en daardoor gaan werkenden er verder op vooruit. Voor de lage (midden)inkomens doet die verandering niets, het komt niet tegemoet aan een verhoging van hun reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk, want daar werd de kinderopvangtoeslag sowieso nog niet afgebouwd.
4.4 Beleidsdoelstelling: (kinder)armoede niet op laten lopen ten opzichte van 2024
In de paragrafen 4.1 en 4.2 is gebleken dat uitkeringsgerechtigden en werkenden met in beide gevallen een laag (midden)inkomen hun reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk in 2025 zien stijgen. Hierdoor blijft aan de onderkant van het inkomensgebouw minder over voor consumptie, wat averechts werkt op de beleidsdoelstelling om (kinder)armoede in Nederland te bestrijden. Zoals ik in een eerdere bijdrage heb geconcludeerd, treft het inkomstenbelastingbeleid uitkeringsgerechtigden regelmatig onevenredig hard; een groep waar de armoede procentueel bezien hoog is.60 Het huidige kabinetsbeleid versterkt dit effect.
Toch gaan de vorenbedoelde mensen met een laag inkomen er per saldo – vanuit de lastenontwikkeling bezien – niet allemaal op achteruit. Sommigen profiteren namelijk van beleidsmatige verhogingen van de toeslagen, zoals via het kindgebonden budget en de huurtoeslag.61 Voor veel ouders compenseert de verhoging van het kindgebonden budget voor een (eventuele) verhoging van de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk, omdat de meeste ouders met minderjarige kinderen gerechtigd zijn tot het verhoogde kindgebonden budget.62 Voor huishoudens zonder kinderen is het echter maar de vraag of de verhoging van de huurtoeslag ook voor een hogere reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk kan compenseren, aangezien het recht op huurtoeslag afhankelijk is van de woonsituatie. Zo profiteren huishoudens in een koopwoning, of mensen met een te hoge rekenhuur,63 niet van een verhoging van de huurtoeslag.64
Desalniettemin realiseert het kabinet deze doelstelling wel. Volgens het CPB stijgt de (kinder)armoede namelijk niet ten opzichte van 2024.65 Hierbij plaats ik drie kanttekeningen. De eerste kanttekening is dat de reële bruto-inkomens gemiddeld bezien stijgen, ook in 2025, wat positief uitwerkt op de bestedingskracht van mensen en dus op de armoede in Nederland. De tweede kanttekening is dat het kabinet accepteert dat er individuele huishoudens zijn die onder de armoedegrens uitkomen door een verhoging van de reële gemiddelde inkomstenbelastingdruk, zolang er evenveel huishoudens boven de armoedegrens uitkomen door verhogingen van situatieafhankelijke toeslagen. De derde en afsluitende kanttekening is dat het CPB waarschuwt dat huishoudens hierdoor nog afhankelijker van toeslagen worden, wat toekomstige herzieningen van het stelsel van inkomensondersteuning verder bemoeilijkt.66
5. Concluderende beschouwing
Volgens het CPB is in 2025 sprake van een duidelijke stijging van de koopkracht door de lastenverlichting uit het Hoofdlijnenakkoord.67 Deze conclusie laat echter onverlet dat, zoals de koning in 2019 bij de Troonrede al opmerkte, “geen enkel leven zich voegt naar de mediaan van een statistisch model”.68 De sterke (politieke) focus op de mediaan, oftewel de middelste observatie, gaat eraan voorbij dat de laagste inkomens69 – blijkens dit onderzoek – juist te maken kunnen krijgen met een lastenverzwaring.
Een eenzijdige focus op de koopkrachtplaatjes – hoe nuttig ze ook kunnen zijn – heeft bovendien vervelende bijwerkingen op de complexiteit en de mogelijkheden om het stelsel te herzien. Volgens het Instituut voor Publieke Economie is de complexiteit van het stelsel het resultaat van jarenlang intensief doorvoeren van stelselaanpassingen om ‘perfecte koopkrachtplaatjes’ te presenteren.70 De lastenverzwaring voor de laagste inkomens in de inkomstenbelasting, die gedeeltelijk wordt gecompenseerd via hogere toeslagen, is daar een goed voorbeeld van. Hoewel het CPB aan de hand van die wijzigingen tot de politiek gewenste conclusie komt dat zij via een lastenverlichting duidelijk bijdragen aan de koopkracht, wordt het stelsel niet alleen onbegrijpelijker, maar wordt het ook moeilijker om ooit tot een begrijpelijker stelsel te komen.
Door de maatregelen niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief te onderzoeken, komt beter vast te staan of het kabinet de vier kabinetsdoelstellingen daadwerkelijk behaalt. Dan blijkt dat één kabinetsdoelstelling daadwerkelijk wordt gerealiseerd ((kinder)armoede niet laten oplopen ten opzichte van 2024), twee gedeeltelijk (marginale druk verlagen en middelen inzetten om werkende middeninkomens erop vooruit te laten gaan), en één doelstelling helemaal niet (het belastingstelsel begrijpelijker maken). Bij het beleid rondom de enige behaalde doelstelling, het armoedebeleid, zijn bovendien forse kanttekeningen te plaatsen.
Dit onderzoek maakt ook duidelijk waarom de kabinetsdoelstellingen wel of niet worden behaald. Het laat zien hoe individuele maatregelen uitpakken en in een samenspel averechts op elkaar kunnen inwerken. Zo weegt de verlaging van de algemene heffingskorting voor de laagste inkomens zwaarder dan een verhoging van diens afbouwgrens en een verlaging van het eerste schijftarief. De laatste twee maatregelen waren juist ook bedoeld om tegemoet te komen aan de laagste inkomens.
Al met al laat dit onderzoek zien hoe lastig het is om een evenwicht te vinden tussen de focus op koopkrachtplaatjes, de wens om het belastingstelsel te vereenvoudigen, en de andere politieke doelstellingen, zoals een verlaging van de marginale druk. Om kabinetsdoelstellingen beter te kunnen realiseren, is een randvoorwaarde dat het politieke en het maatschappelijke debat verschuift. De nadruk ligt nu te veel op de koopkracht die is uitgedrukt in één getal voor één Nederlander,71 als zijnde de mediaan, terwijl de nadruk veel meer moet komen te liggen op wat beleidswijzigingen doen met het belastingstelsel en betekenen voor burgers. Als de politiek het stelsel echt wil versimpelen, dan wordt het hoog tijd om de daad bij het woord te voegen.