Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.7.1
8.5.4.7.1 Imofloresmira-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291458:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, FED 2018/103, m.nt. Gomes Vale Viga (Imofloresmira).
M. van der Wulp, ‘Voorgenomen gebruik en gebruik voor een voornemen’, BtwBrief 2018/36, p. 6. In gelijke zin: Bijl, noot bij HR 13 juni 2014, nr. 13/00282, BNB 2014/197, Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, V-N 2018/16.17 (Imofloresmira) en E. van den Elsen, ‘Imofloresmira’, BTW-bulletin 2018/72. Anders: Gomes Vale Viga, noot bij HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, FED 2018/103 (Imofloresmira).
HR 13 juni 2014, nr. 13/00282, BNB 2014/197, m.nt. Bijl.
In het Imofloresmira-arrest heeft het Hof van Justitie duidelijk gemaakt dat het voor een wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn niet volstaat dat een onroerend goed wegens omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige leegstaat.1 In deze zaak ging het om bepaalde delen die belast verhuurd geweest waren, maar daarna gedurende meer dan twee jaar leegstonden. Het Hof oordeelde dat indien aannemelijk is dat de belastingplichtige nog steeds het voornemen heeft om het onroerend goed te gebruiken voor belaste verhuur en daartoe al het nodige heeft gedaan, geen sprake is van een wijziging van het recht op aftrek in de zin van art. 185 lid 1 Btw-richtlijn. Het Hof achtte in deze zaak het aannemelijke voorgenomen gebruik gedurende de tussentijdse leegstand in de herzieningsperiode derhalve beslissend voor de vraag of de toegepaste aftrek herzien moet worden.
Ik zie niet in waarom bij tussentijdse leegstand van een onroerend investeringsgoed dat aanvankelijk vrijgesteld is verhuurd een ander criterium zou gelden.2 De Hoge Raad heeft naar mijn mening daarom terecht geoordeeld dat sprake is van een wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn indien een belastingplichtige gedurende de periode van tussentijdse leegstand het aannemelijke voornemen heeft om een onroerend investeringsgoed belast te gaan verhuren indien dit goed voor die leegstand vrijgesteld is verhuurd.3 Het moge duidelijk zijn dat in de spiegelbeeldige situatie – (aannemelijk) voorgenomen gebruik voor vrijgestelde verhuur in periode van tussentijdse leegstand na daadwerkelijk gebruik voor belaste verhuur – op grond van voormelde jurisprudentie eveneens sprake is van een wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn.