Oorspronkelijke taal: Frans.
HvJ EU, 15-10-2026, nr. C-568/25
ECLI:EU:C:2026:871
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-10-2026
- Zaaknummer
C-568/25
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Universal Versand
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:871, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑10‑2026
Conclusie 15‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van persoonsgegevens — Verkoop op afstand aan consumenten — Betaling op afbetaling of op rekening (‘onveilige betaling’) — Beoordeling van de kans op wanbetaling — Profilering — Geautomatiseerd besluitvormingsproces — Menselijke tussenkomst
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-568/25 1.
Verein für Konsumenteninformation
tegen
Universal Versand GmbH
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
De onderhavige conclusie heeft betrekking op een verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 22 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: ‘AVG’). Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Verein für Konsumenteninformation, een Oostenrijkse vereniging die representatieve vorderingen aanhangig maakt (hierna: ‘Verein’), en Universal Versand GmbH, een postorderbedrijf. Het geding ziet in feite op een handelspraktijk van Universal Versand waarbij klanten op grond van een uitsluitend geautomatiseerde beoordeling van hun kans op wanbetaling de mogelijkheid wordt ontzegd om bepaalde zogenaamd onveilige betaalmethoden te kiezen, te weten ‘op afbetaling’ en ‘op rekening’.
2.
In deze tijd van digitalisering van de economie en de samenleving verwijst deze zaak in bredere zin naar de problemen die de toenemende automatisering van besluitvorming binnen de interne markt met zich meebrengt. De gevaren van een dergelijke automatisering zijn al lang bekend. Stanley Kubrick koos bijvoorbeeld de allegorie van de apocalypsmachine om deze gevaren aan de kaak te stellen (Dr. Strangelove, 1964). De wetgever van de Europese Unie heeft een meer pragmatische benadering gevolgd bij de aanpak van dit fundamentele onderwerp. Zo is op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens de AVG erop gericht om de betrokkenen te beschermen tegen de risico's die inherent zijn aan uitsluitend geautomatiseerde verwerking en die met name verband houden met de mogelijk geringe betrouwbaarheid van de verwerkte gegevens en met de ondoorzichtigheid van de verwerking ervan. Deze risico's kunnen met name leiden tot discriminatie of besluiten die soms moeilijk te begrijpen en aan te vechten zijn.2.
3.
In casu zal het Hof in de context van het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende zakelijke verkeer moeten verduidelijken wat de voorwaarden zijn voor de toepassing van het in artikel 22, lid 1, AVG opgenomen recht om niet te worden onderworpen aan uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde individuele besluitvorming en wat de omvang van die bescherming is in het licht van een van de uitzonderingen op dat recht in lid 2 van dat artikel, namelijk die welke is gebaseerd op de noodzakelijkheid van het besluit voor de totstandkoming of de uitvoering van de overeenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
4.
Overweging 71 AVG luidt:
‘De betrokkene dient het recht te hebben niet te worden onderworpen aan een louter op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit, dat een maatregel kan behelzen — over persoonlijke hem betreffende aspecten, waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem op vergelijkbare wijze aanmerkelijk treft, zoals de automatische weigering van een online ingediende kredietaanvraag […] zonder menselijke tussenkomst. Een verwerking van die aard omvat ‘profilering’, wat bestaat in de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ter beoordeling van persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon, met name om kenmerken betreffende […] economische situatie, […] betrouwbaarheid of gedrag[…] van de betrokkene te analyseren of te voorspellen, wanneer daaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem op vergelijkbare wijze aanmerkelijk treft. Besluitvorming op basis van een dergelijke verwerking, met inbegrip van profilering, dient echter wel mogelijk te zijn wanneer deze […] noodzakelijk [is] voor de sluiting of uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke, of wanneer de betrokkene zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven. In ieder geval moeten voor dergelijke verwerking passende waarborgen worden geboden, waaronder specifieke informatie aan de betrokkene en het recht op menselijke tussenkomst, om zijn standpunt kenbaar te maken, om uitleg over de na een dergelijke beoordeling genomen besluit te krijgen en om het besluit aan te vechten. […]’
5.
In artikel 4 AVG (‘Definities’) wordt bepaald:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 4)
‘profilering’: elke vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn […] economische situatie, […] betrouwbaarheid, gedrag[…] te analyseren of te voorspellen;
[…]’
6.
Artikel 5 AVG (‘Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens’) bepaalt:
- ‘1.
Persoonsgegevens moeten:
- a)
worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);
[…]
- c)
toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‘minimale gegevensverwerking’);
[…]
- 2.
De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (‘verantwoordingsplicht’).’
7.
Artikel 6 AVG (‘Rechtmatigheid van de verwerking’) bepaalt in de lid 1 ervan:
- ‘1.
De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
[…]
- b)
de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
[…]’
8.
Artikel 22 AVG (‘Geautomatiseerde individuele besluitvorming, waaronder profilering’) bepaalt:
- ‘1.
De betrokkene heeft het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, gebaseerd besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft.
- 2.
Lid 1 geldt niet indien het besluit:
- a)
noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke;
[…]
- c)
berust op de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.
- 3.
In de in lid 2, punten a) en c), bedoelde gevallen treft de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene, waaronder ten minste het recht op menselijke tussenkomst van de verwerkingsverantwoordelijke, het recht om zijn standpunt kenbaar te maken en het recht om het besluit aan te vechten.
[…]’
Oostenrijks recht
9.
§ 28a van het Konsumentenschutzgesetz (Oostenrijkse wet inzake consumentenbescherming) van 30 maart 1979 (BGBl., 140/1979) luidt in de toepasselijke versie ervan (BGBl. I, 50/2017):
‘Degene die in het zakelijk verkeer met consumenten in verband met […] consumentenkredietovereenkomsten […] een wettelijk voorschrift of verbod schendt […] en daardoor de algemene belangen van de consumenten schaadt, kan […] worden gedagvaard tot staking van een inbreuk.’
Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
Universal Versand oefent zijn werkzaamheden als postorderbedrijf uit op de Oostenrijkse markt, waar bij hem meerdere tienduizenden bestellingen per maand binnenkomen. Bij ongeveer 90 % ervan wordt een ‘onveilige’ betaalmethode gebruikt. Alvorens een klant een dergelijke betaalmethode mag gebruiken, onderzoekt Universal Versand diens kredietwaardigheid door middel van een geautomatiseerd proces. Zo kan die betaalmethode worden geweigerd op basis van een intern beoordelingsproces voor de kans op wanbetaling, en wordt er voor nieuwe klanten bij een extern bedrijf een kredietwaardigheidscontrole aangevraagd. Is de betrokken klant niet bekend bij dat bedrijf, mag hij die onveilige betaalmethode niet gebruiken. Is de klant wel bekend bij dat bedrijf, dan zijn er drie mogelijke scenario's, die elk worden aangeduid met een eigen kleur. Is de kleur rood, dan wordt de ‘onveilige’ betaalmethode automatisch geweigerd; bij geel doet een medewerker van Universal Versand een check in een databank. Bij een automatische weigering kan de klant vragen om het geautomatiseerde besluit handmatig te controleren en kan hij dat besluit aanvechten.
11.
Het voorwerp van het hoofdgeding is een door de Verein ingestelde collectieve vordering. Volgens haar is de in het vorige punt van de onderhavige conclusie omschreven praktijk systematisch in strijd met artikel 22 AVG. Universal Versand stelt daarentegen dat artikel 22 van die verordening niet van toepassing is omdat aan een besluit tot weigering van het gebruik van een onveilige betaalmethode geen rechtsgevolgen voor de betrokken klanten zijn verbonden en een dergelijk besluit hen evenmin anderszins in aanmerkelijke mate treft. Hoe dan ook is een dergelijk besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening noodzakelijk voor de totstandkoming of de uitvoering van de overeenkomst.
12.
Het Landesgericht Salzburg (rechter in eerste aanleg voor civiele zaken Salzburg, Oostenrijk) heeft de vordering van de Verein afgewezen. Ook het door de Verein bij het Oberlandesgericht Linz (hoogste rechter van de deelstaat Oberösterreich, Linz, Oostenrijk) ingestelde hoger beroep is verworpen. Het Oberste Gerichtshof, de verwijzende rechter, heeft in het kader van het door de Verein bij hem aanhangig gemaakt beroep in Revision vragen over de uitlegging van artikel 22 van die verordening.
13.
In de eerste plaats heeft de verwijzende rechter vragen bij de toepassing van artikel 22, lid 1, AVG en, meer in het bijzonder, bij de uitlegging van de in die bepaling gestelde derde voorwaarde, namelijk dat aan een op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit voor de betrokkene rechtsgevolgen moeten zijn verbonden of dat dit besluit hem anderszins in aanmerkelijke mate moet treffen. Hij merkt op dat een dergelijk besluit in omstandigheden als die van het hoofdgeding kan worden geacht geen gevolgen te hebben voor de rechtspositie van de betrokken klant en niet bepalend te zijn voor de totstandkoming van een rechtsverhouding met hem. Er kan evenwel ook worden aangevoerd dat dit besluit bepalend is voor de vraag of en hoe een overeenkomst tot stand kan worden gebracht of gewijzigd, en daarnaast dat de keuze van bepaalde betaalmethoden de economische of persoonlijke belangen van de klanten kan raken in de zin van het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring).
14.
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat, indien artikel 22, lid 1, van die verordening van toepassing is, moet worden nagegaan of de in lid 2, onder a), van dat artikel opgenomen uitzondering kan worden toegepast. Hij vraagt zich af of het voor het noodzakelijke karakter van besluiten als die in het hoofdgeding vereist is dat er een objectief verband bestaat tussen de geautomatiseerde kredietwaardigheidscontrole van de betrokken klant en het specifieke doel van de koopovereenkomst.
15.
In de derde plaats is artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening volgens de verwijzende rechter onduidelijk geformuleerd. Hij vraagt zich af of die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoering van de betrokken overeenkomst dient af te hangen van ‘geautomatiseerde besluitvorming’, dan wel gewoon van besluitvorming, om de niet-toepassing van lid 1 van dat artikel te rechtvaardigen.
16.
In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 22, lid 1, [AVG] aldus worden uitgelegd dat aan het besluit van een postorderbedrijf om de door de klant bij diens bestelling gewenste betaalmethode ‘op afbetaling’ of ‘op rekening’ te weigeren, maar zich tegenover de klant bereid te verklaren om de overeenkomst met de betaalmethode ‘creditcard’ of ‘PayPal’ te sluiten, waarbij ten behoeve van dit besluit de kans op wanbetaling door een klant uitsluitend automatisch wordt beoordeeld en dat oordeel eruit voortvloeit dat ofwel na een automatische aanvraag bij een kredietinformatiebureau door dit bureau wordt gemeld dat de klant daar niet bekend is ofwel — in het geval van een bekende klant — een interne kredietwaardigheidsrating tot de conclusie leidt dat de klant onvoldoende kredietwaardig is, voor de klant ‘rechtsgevolgen’ zijn verbonden of dat dit besluit hem ‘anderszins in aanmerkelijke mate treft’, voor zover dit besluit niet leidt tot de weigering van de bestelling zelf, maar de klant slechts wordt beperkt tot de door het postorderbedrijf aangewezen betaalmethoden?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
- 2)
- a)
Moet artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus worden uitgelegd dat, opdat een besluit van een postorderbedrijf dat is gebaseerd op een geautomatiseerde beoordeling van de kans op wanbetaling door de potentiële klant zoals omschreven in de eerste vraag, ‘noodzakelijk’ is voor de totstandkoming van een overeenkomst tussen de klant en het postorderbedrijf, er een rechtstreeks objectief verband moet bestaan tussen het doel van de met de klant te sluiten overeenkomst en de beoordeling van de kans op wanbetaling door de klant?
- b)
Moeten voor de vaststelling van de noodzaak bedoeld in artikel 22, lid 2, onder a), AVG de verzamelde categorieën gegevens ofwel op zich ofwel als combinatie objectief geschikt zijn om de kans op wanbetaling te beoordelen?
Moet het postorderbedrijf of juist de klant aanvoeren en bewijzen welke categorieën gegevens concreet zijn verzameld om de kans op wanbetaling te beoordelen alsook aanvoeren en bewijzen dat deze categorieën gegevens, op zich of in combinatie met elkaar, objectief geschikt zijn om de kans op wanbetaling te beoordelen?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
- 3)
Moet artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus worden uitgelegd dat juist geautomatiseerde besluitvorming door de verwerkingsverantwoordelijke noodzakelijk is voor het tot stand komen of uitvoeren van de overeenkomst?
Indien [deze] vraag bevestigend wordt beantwoord:
- a)
Moet artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus worden uitgelegd dat het voor het antwoord op de vraag of een besluit van een postorderbedrijf zoals bedoeld in de eerste vraag noodzakelijk is voor de totstandkoming van een overeenkomst, van beslissend belang is of de geautomatiseerde besluitvorming betreffende het accepteren of weigeren van de gewenste betaalmethode met redelijke inspanningen ook door mensen kan plaatsvinden? Welke betekenis hebben daarvoor het aantal bij het postorderbedrijf binnenkomende bestellingen en de typische verwachting van de klant om in de onlinebestelprocedure onmiddellijk te worden geïnformeerd of de door hem gewenste betaalmethode al dan niet door het postorderbedrijf wordt geaccepteerd?’
Beoordeling
17.
Artikel 22 AVG voorziet in een principieel verbod, dat is neergelegd in lid 1 van dat artikel, volgens hetwelk een betrokkene het recht heeft niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft. Op dat verbod bestaan er uitzonderingen, die zijn opgenomen in lid 2 van dat artikel en van toepassing zijn binnen de grenzen van de leden 3 en 4 ervan. Ofschoon de voornaamste doelstellingen van artikel 22 van die verordening gemakkelijk te begrijpen zijn, is het minder voor de hand liggend hoe dat artikel, gelet op het feit dat een aantal daarin genoemde begrippen niet zijn omschreven, concreet moet worden toegepast.3.
18.
De vragen van de verwijzende rechter hebben zowel betrekking op de voorwaarden voor de toepassing van het verbod van artikel 22, lid 1, AVG (eerste vraag) als op een van de uitzonderingen op dat verbod, namelijk het geval waarin een besluit noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst, zoals opgenomen in artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening (tweede en derde vraag).
Toepassing van het verbod van artikel 22, lid 1, AVG (eerste vraag)
19.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 22, lid 1, AVG in het kader van postorderverkoop aldus moet worden uitgelegd dat er voor een klant rechtsgevolgen zijn verbonden aan een besluit waarbij hem de mogelijkheid wordt ontzegd om bepaalde betaalmethoden te kiezen en dat uitsluitend is gebaseerd op een geautomatiseerde beoordeling van zijn kans op wanbetaling, of dat een dergelijk besluit hem anderszins in aanmerkelijke mate treft.
20.
Zoals ik reeds heb aangegeven in punt 17 van de onderhavige conclusie, blijkt uit de bewoordingen van artikel 22, lid 1, AVG dat de betrokkene het recht heeft niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, gebaseerd besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft. Ter rechtvaardiging van de toepassing van het in die bepaling opgenomen verbod moet er derhalve voldaan zijn aan drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste moet de betrokkene onderworpen zijn aan een ‘besluit’. Ten tweede moet dat besluit ‘uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, gebaseerd’ zijn en, ten derde, moeten aan dat besluit ‘voor [de betrokkene] rechtsgevolgen’ zijn verbonden of moet het hem ‘anderszins in aanmerkelijke mate’ treffen.
21.
De vragen van de verwijzende rechter hebben uitsluitend betrekking op de derde voorwaarde, zodat moet worden nagegaan in welke omstandigheden aan een besluit als dat in het hoofdgeding voor de betrokkene rechtsgevolgen kunnen zijn verbonden of in welke omstandigheden een dergelijk besluit hem anderszins in aanmerkelijke mate kan treffen. Bij gebreke van een verwijzing naar het nationale recht van de lidstaten is dit begrip mijns inziens een autonoom Unierechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie, in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de betrokken bewoordingen en met inachtneming van de context van dat begrip en de door die bepaling beoogde doelstellingen.4.
22.
Wat ten eerste de gebruikelijke betekenis van de gehanteerde bewoordingen betreft, stel ik vast dat de derde voorwaarde van artikel 22, lid 1, AVG verwijst naar twee op zichzelf staande situaties, die worden onderscheiden door het voegwoord ‘of’. Aldus zijn besluiten bedoeld waaraan voor een persoon ‘rechtsgevolgen’ kunnen zijn verbonden of die, bij wijze van alternatief, hem ‘anderszins in aanmerkelijke mate’ kunnen treffen. Voor de toepassing van het verbod volstaat het dat een van die twee situaties aan de orde is.
23.
Met de eerste situatie, te weten die waarin aan een besluit ‘rechtsgevolgen’ zijn verbonden, wordt mijns inziens het vermogen van dat besluit bedoeld om rechten of verplichtingen van een persoon inhoudelijk te wijzigen, dan wel wat de uitoefening van die rechten respectievelijk de uitvoering van die verplichtingen betreft.
24.
In de tweede situatie gaat het er allereerst om dat de betrokkene door het betrokken besluit wordt getroffen, hetgeen inhoudt dat dit besluit voor de situatie van die persoon concrete en niet louter abstracte gevolgen heeft. Vervolgens moet worden overwogen of die gevolgen buiten de juridische sfeer ‘aanmerkelijk’ zijn. De betekenis van die term in het Frans (‘significative’) is weliswaar dubbelzinnig, maar wel duidelijk in de andere taalversies van de AVG, bijvoorbeeld in de Engelse (‘significantly’), de Spaanse (‘significativamente’) of de Letse (‘ievērojami’) taalversie, waarin die term verwijst naar de belangrijkheid van het begrip dat erdoor wordt gekwalificeerd.5. De gevolgen van het betrokken besluit moeten derhalve een bepaalde omvang hebben om recht te geven op bescherming van artikel 22, lid 1, van die verordening, waardoor louter bijkomstige of marginale gevolgen zijn uitgesloten. Ten slotte bevat de gekozen formulering naast dat kwantitatieve aspect de specificatie dat de betrokkene ‘anderszins’ moet zijn getroffen, waardoor er een aspect van vergelijkbaarheid met het criterium van de ‘rechtsgevolgen’ is opgenomen wat de gevolgen van een dergelijk besluit voor de situatie van de betrokkene betreft. De gevolgen van dat besluit moeten derhalve minstens vergelijkbaar zijn met de gevolgen van de wijziging of afschaffing van een recht of een verplichting.6.
25.
Wat ten tweede de context betreft, bevat overweging 71 van die verordening concrete voorbeelden van situaties waarin moet worden aangenomen dat aan een besluit voor een persoon rechtsgevolgen zijn verbonden of dat dit besluit hem in aanmerkelijke mate treft, zonder dat er evenwel een onderscheid wordt gemaakt tussen die twee soorten gevolgen. De twee situaties die worden genoemd, zijn de automatische weigering van een online ingediende kredietaanvraag of de verwerking van sollicitaties via internet zonder menselijke tussenkomst.
26.
Wat ten derde en ten slotte de nagestreefde doelstellingen betreft, heeft die verordening met name tot doel een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en grondrechten van natuurlijke personen te waarborgen, in het bijzonder van hun recht op bescherming van persoonsgegevens, dat is neergelegd in artikel 16 VWEU en als grondrecht wordt gewaarborgd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.7. In overweging 1 van de AVG wordt daarnaar verwezen.
27.
In het licht van een en ander moet worden nagegaan of omstandigheden als omschreven door de verwijzende rechter — te weten het ontzeggen aan een klant, na een geautomatiseerde controle van zijn kredietwaardigheid, van de mogelijkheid om bepaalde betaalmethoden te gebruiken — de rechten en de verplichtingen van die klant rechtstreeks kunnen wijzigen of zodanig concrete en belangrijke gevolgen voor zijn situatie kunnen hebben dat die gevolgen vergelijkbaar zijn met een dergelijke wijziging. In dat verband heeft het Hof bij het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring) reeds verklaard dat een individu op zijn minst in aanmerkelijke mate gevolgen ondervindt die vergelijkbaar zijn met rechtsgevolgen, wanneer de automatische vaststelling van een op de analyse van zijn persoonsgegevens gebaseerde waarschijnlijkheidswaarde er bijna stelselmatig toe leidt dat de bank weigert om hem een krediet te verlenen.8.
28.
In die context is de vraag aan de orde of in casu de weigering aan een klant om bepaalde betaalmethoden te gebruiken, voor die klant gevolgen heeft die analoog zijn aan of vergelijkbaar zijn met de gevolgen van de weigering om een krediet te verlenen. Ofschoon de verwijzende rechter de concrete gevolgen van een dergelijke weigering moet beoordelen in de juridische en feitelijke context van het bij hem aanhangige geding, staat het aan het Hof om de verwijzende rechter alle aanwijzingen te geven die noodzakelijk zijn om hem bij die beoordeling te begeleiden.9.
29.
Bijgevolg rijst met name de vraag of de juridische omstandigheden van de onderhavige zaak vergelijkbaar zijn met die welke hebben geleid tot het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring), hetgeen zou rechtvaardigen om de lering die eruit kan worden getrokken toe te passen op overeenkomsten als die waarop het hoofdgeding betrekking heeft. Wat dat betreft, heeft richtlijn 2008/48/EG10. in de Unie specifiek betrekking op kredietovereenkomsten voor consumenten. Krachtens artikel 2, lid 2, onder f)11., van die richtlijn en, gelet op de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, zouden overeenkomsten als die aan de orde in het hoofdgeding evenwel kunnen zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan, waardoor er geen rechtstreekse analogie zou kunnen worden getrokken tussen de betrokken overeenkomsten en kredietovereenkomsten voor consumenten die vergelijkbaar zijn met de overeenkomsten waarvan sprake is in het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring).
30.
Niettemin moet er nog op worden gewezen dat in overweging 15 van richtlijn (EU) 2023/222512., die rationae temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding13., wordt verklaard dat een aantal lidstaten er onder de gelding van richtlijn 2008/48 voor hebben gekozen om die richtlijn toe te passen op gebieden die niet binnen de werkingssfeer ervan vallen, teneinde het niveau van consumentenbescherming te verbeteren. Het stond de Republiek Oostenrijk derhalve vrij om in de relevante periode overeenkomsten als die in het hoofdgeding te beschouwen als overeenkomsten die vallen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 en vergelijkbaar zijn met kredietovereenkomsten als die welke aan de orde waren in het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring). Hoe dan ook weerhield niets de Republiek Oostenrijk ervan om overeenkomsten die onveilige betalingen inhouden, als kredietovereenkomsten aan te merken. De lering uit het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring) is daarom mutatis mutandis van toepassing.
31.
Zelfs als dat niet het geval zou zijn, kan het feit dat potentiële klanten bepaalde betaalmethoden niet kunnen gebruiken als gevolg van een besluit dat is gebaseerd op een volledig geautomatiseerde beoordeling van hun kredietwaardigheid, hen de mogelijkheid ontnemen om een koopovereenkomst te sluiten wanneer zij de koopprijs niet onmiddellijk bij het sluiten van de overeenkomst kunnen betalen met behulp van de betaalmethoden die hun de facto worden opgelegd. In een dergelijk geval zouden die klanten zich in een vergelijkbare situatie bevinden als degenen in de zaak die heeft geleid tot het arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring) aangezien die situatie veel weg heeft van de weigering van een kredietaanvraag en potentieel tot gevolg heeft dat er geen overeenkomst kan worden gesloten.
32.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 22, lid 1, AVG in het kader van postorderverkoop aldus moet worden uitgelegd dat er voor een klant rechtsgevolgen zijn verbonden aan een besluit waarbij hem de mogelijkheid wordt ontzegd om bepaalde betaalmethoden te kiezen en dat uitsluitend is gebaseerd op een geautomatiseerde beoordeling van zijn kans op wanbetaling, of dat een dergelijk besluit hem minstens anderszins in aanmerkelijke mate treft, wanneer dat besluit eraan in de weg kan staan dat de betrokken koopovereenkomst tot stand komt.
Toepassing van de uitzondering van artikel 22, lid 2, onder a), AVG (tweede en derde vraag)
33.
De tweede en de derde vraag zien op de voorwaarden waaronder krachtens de uitzondering van artikel 22, lid 2, onder a), AVG, die te maken heeft met de noodzakelijkheid van de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst, individuele besluitvorming mogelijk is die uitsluitend is gebaseerd op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Meer in het bijzonder is de tweede vraag hoe de ‘noodzakelijkheid’ van dergelijke besluitvorming moet worden beoordeeld en de derde vraag of die ‘noodzakelijkheid’ dient te worden onderzocht in het licht van besluitvorming als zodanig, dan wel uitsluitend van besluitvorming die is gebaseerd op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens.
34.
In de eerste plaats is het goed om vooraf de achtergrond van die vragen in herinnering te brengen. Het verbod van artikel 22, lid 1, van die verordening draagt bij tot de verwezenlijking van de met die verordening nagestreefde algemene doelstelling van bescherming van de persoonsgegevens van particulieren, waarnaar ik reeds in punt 26 van de onderhavige conclusie heb verwezen. De uit artikel 22, lid 2, van die verordening voortvloeiende mogelijkheid tot dergelijke besluitvorming vormt in wezen een uitzondering op dat verbod en moet dus, zoals elke uitzondering, strikt worden uitgelegd.14.
35.
In de tweede plaats stelt Universal Versand dat in casu het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming in eerste instantie ten goede komt aan de klanten, die aldus vrijwel onmiddellijk te weten komen welke betaalmethoden zij kunnen gebruiken, waaronder eventueel onveilige betaalmethoden. Ik zie echter weliswaar het voordeel bij een positief besluit, maar dat voordeel is minder duidelijk bij een negatief besluit. In de onderhavige zaak rijst derhalve de vraag of de zakelijke belangen van de bedrijven, en zelfs die van bepaalde klanten, verenigbaar zijn met de bescherming van persoonsgegevens.
Tweede vraag
36.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus moet worden uitgelegd dat er bij het sluiten van een overeenkomst met een klant door een postorderbedrijf sprake dient te zijn van een objectief verband tussen het doel van die overeenkomst en de geautomatiseerde beoordeling van de kans op wanbetaling van de klant teneinde te kunnen besluiten dat een dergelijke geautomatiseerde beoordeling noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst, en dat het daarnaast vereist is dat de verzamelde gegevens objectief geschikt zijn om die beoordeling uit te voeren en dat er wordt verduidelijkt om welke gegevens het gaat alsook waarom zij zijn verzameld. In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af of de bewijslast rust op het postorderbedrijf dan wel op de klant.
— geautomatiseerde gegevensverwerking die ‘noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst’
37.
Artikel 22, lid 2, onder a), AVG bevat een van de uitzonderingen op de toepassing van lid 1 van dat artikel op grond waarvan individuele besluitvorming mogelijk is die uitsluitend is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Die uitzondering wordt verantwoord door de noodzakelijkheid van het besluit voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst en de verwijzende rechter vraagt zich af of de beoordeling van die noodzakelijkheid afhangt van het bestaan van een objectief verband tussen dat besluit en het doel van de betrokken overeenkomst.
38.
Voor de omschrijving van het begrip ‘noodzakelijk zijn voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst’ van geautomatiseerde besluitvorming wordt in die verordening niet verwezen naar het nationale recht van de lidstaten. Bijgevolg moet dit begrip krachtens de in punt 21 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak worden aangemerkt als een autonoom Unierechtelijk begrip en moet voorts de betekenis ervan aan de hand van de daarin vastgestelde methode worden vastgesteld.
39.
Wat ten eerste de gebruikelijke betekenis van dat begrip betreft, heeft het Hof reeds verklaard dat het bijvoeglijk naamwoord ‘nodig’ verwijst naar wat vereist of noodzakelijk is om een bepaald doel te bereiken.15.
40.
Wat ten tweede de context betreft, voorziet hoofdstuk II (‘Beginselen’) van de AVG in verplichtingen waaraan alle adressaten van die verordening dienen te voldoen. Artikel 6 van dat hoofdstuk, met als opschrift ‘Rechtmatigheid van de verwerking’, bepaalt in lid 1, onder b), ervan dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is indien zij ‘noodzakelijk [is] voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is’. Het Hof heeft geoordeeld dat aan die voorwaarde is voldaan wanneer de verwerking van de betrokken gegevens objectief onontbeerlijk is om een doel te bereiken dat een integrerend deel uitmaakt van de aan de betrokkene te leveren contractuele prestatie, hetgeen betekent dat de verwerkingsverantwoordelijke moet kunnen aantonen in welk opzicht het hoofddoel van de overeenkomst zonder die verwerking niet zou kunnen worden bereikt. Het Hof heeft verklaard dat de verwerking van persoonsgegevens essentieel moet zijn voor de correcte uitvoering van de overeenkomst en dat er dus geen bruikbare, minder ingrijpende alternatieven bestaan.16.
41.
De toepasselijke juridische toets om vast te stellen of gegevensverwerking noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst is dus of die gegevensverwerking onontbeerlijk is om het hoofddoel van de contractuele prestatie te verwezenlijken, in die zin dat de vastgestelde verplichtingen anders niet kunnen worden uitgevoerd. Bijgevolg moet worden nagegaan of er geen bruikbare, voor de bescherming van de gegevens minder ingrijpende alternatieven bestaan waarmee dat doel kan worden verwezenlijkt.
42.
Die overwegingen gelden mijns inziens ook voor de uitlegging van artikel 22, lid 2, onder a), AVG, aangezien de nagenoeg identieke formulering van deze bepaling en artikel 6, lid 1, onder b), van die verordening rechtvaardigt dat het in beide bepalingen opgenomen begrip ‘noodzakelijkheid voor de uitvoering van de overeenkomst’ op dezelfde manier wordt uitgelegd. Het zou namelijk in strijd zijn met de opzet van die verordening om, zonder dat die verordening enige aanwijzing in die zin bevat, begrippen die daarin op dezelfde manier zijn geformuleerd, verschillend uit te leggen.17. Bovendien wordt die uitlegging versterkt door de logica van die verordening, aangezien er voor de toetsing van het criterium van de ‘noodzakelijkheid voor de uitvoering van de overeenkomst’ geen verschillende standaard mag worden gehanteerd naargelang het dient als rechtvaardigingsgrond voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens [artikel 6, lid 1, onder b), AVG], dan wel voor geautomatiseerde individuele besluitvorming [artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening], terwijl het probleem van dergelijke besluitvorming vanuit het oogpunt van die verordening juist is gelegen in het feit dat zij uitsluitend is gebaseerd op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens18..
43.
Ten derde kan voor die uitlegging, aan de hand waarvan de mogelijkheid tot afwijking van het in artikel 22, lid 1, AVG opgenomen verbod van geautomatiseerde individuele besluitvorming strikt kan worden afgebakend, steun worden gevonden in de reeds in punt 26 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte doelstellingen van die verordening.
44.
Gelet op de overwegingen in de punten 38 tot en met 43 van de onderhavige conclusie kan uitsluitend op geautomatiseerde gegevensverwerking gebaseerde individuele besluitvorming uit hoofde van artikel 22, lid 2, onder a), AVG slechts worden gerechtvaardigd indien zij voldoet aan een soortgelijke juridische toets als omschreven in punt 41 hierboven. Als eerste onderdeel van die toets wordt er nagegaan of dergelijke besluitvorming objectief onontbeerlijk is om het hoofddoel van de betrokken overeenkomst te verwezenlijken. In die fase wordt er dus specifiek onderzocht of er een verband van noodzakelijkheid bestaat tussen die besluitvorming en de verwezenlijking van het doel van die overeenkomst. Bijgevolg is het bewijs van een rechtstreeks objectief verband tussen het doel van de te sluiten overeenkomst en geautomatiseerde individuele besluitvorming een absolute voorwaarde om tot de slotsom te kunnen komen dat die besluitvorming noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van die overeenkomst. Deze absolute voorwaarde volstaat evenwel niet aangezien ook nog moet worden voldaan aan het tweede onderdeel van de desbetreffende toets, in het kader waarvan moet worden vastgesteld dat er geen minder ingrijpend alternatief bestaat om hetzelfde resultaat te bereiken.
45.
In casu blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat het doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten bestaat in de overdracht door een postorderbedrijf van de eigendom over consumptiegoederen aan klanten tegen betaling van de prijs van de betrokken goederen. Het gebruik van uitsluitend op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens gebaseerde besluitvorming is bedoeld om de kredietwaardigheid van die klanten te controleren, teneinde hen een geschikte betaalmethode aan te bieden.
46.
Gelet op een en ander zou ervan uit kunnen worden gegaan dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens gebaseerde besluitvorming erop gericht is om het doel van overeenkomsten als die in het hoofdgeding te verwezenlijken. Om dat te bevestigen, zal evenwel moeten worden vastgesteld dat de aanbieding van een geschikte betaalmethode is bedoeld om te verzekeren dat die contractuele prestatie naar behoren wordt uitgevoerd19. en dat het voor de beoordeling van de geschiktheid ervan wel degelijk vereist is om over te gaan tot een geautomatiseerde controle van de kredietwaardigheid van de betrokken klant, waarvoor er geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is. Hieruit zou dan namelijk voortvloeien dat de totstandkoming of de uitvoering van een dergelijke overeenkomst, en dus de verwezenlijking van het doel ervan, daadwerkelijk afhangt van die geautomatiseerde kredietwaardigheidscontrole. Het is evenwel aan de verwijzende rechter om, ten eerste, na te gaan dat dit wel degelijk het geval is en, ten tweede, dat die geautomatiseerde verwerking een geschikt middel is om dat doel te verwezenlijken. Die rechter zal zijn beoordeling met name moeten baseren op elementen die het voorwerp uitmaken van het tweede deel van de tweede prejudiciële vraag.
— Aard van de verzamelde gegevens en verdeling van de bewijslast
47.
De verwijzende rechter wenst in essentie te vernemen of bij uitsluitend op geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens gebaseerde besluitvorming uit hoofde van artikel 22, lid 2, onder a), AVG, die verwerking moet worden beperkt tot gegevens die objectief geschikt zijn om het doel van de overeenkomst te kunnen verwezenlijken, en of de bewijslast met betrekking tot die geschiktheid rust op de verwerkingsverantwoordelijke dan wel op de betrokkene.
48.
Wat in de eerste plaats de geschiktheid van de gegevens betreft die worden geselecteerd om automatisch te worden verwerkt met het oog op de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst, kan de door de verwijzende rechter voorgelegde vraag in het licht van de achterliggende overwegingen mijns inziens op twee manieren worden uitgelegd. Enerzijds lijkt die rechter zich af te vragen wat de kwantitatieve omvang van de gegevens is die op die manier kunnen worden verwerkt. Anderzijds kunnen de vragen van die rechter ook meer wezenlijk in die zin worden begrepen dat zij betrekking hebben op de geschiktheid van die gegevens om de met die verwerking nagestreefde doelstelling te verwezenlijken.
49.
Wat ten eerste de kwantitatieve omvang van de gegevens betreft waarmee rekening kan worden gehouden bij geautomatiseerde besluitvorming als die in het hoofdgeding, moet erop worden gewezen dat die besluitvorming moet voldoen aan de in artikel 5 AVG opgenomen beginselen voor de verwerking van persoonsgegevens, die cumulatief van toepassing zijn. Een van die beginselen is het zogenaamde beginsel van minimale gegevensverwerking, waaruit het vereiste voortvloeit dat de persoonsgegevens ‘toereikend en ter zake dienend zijn en beperkt blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt’.20. Zo mag ‘de verwerkingsverantwoordelijke niet op algemene en ongedifferentieerde wijze persoonsgegevens […] verzamelen en [dient hij] zich […] te onthouden van het verzamelen van gegevens die niet strikt noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking’. Voorts volgt uit artikel 25 van die verordening dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen moet treffen om ervoor te zorgen dat in beginsel alleen gegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking.21.
50.
Uit de rechtspraak van het Hof kan dus worden afgeleid dat alleen gegevens die objectief geschikt en strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de met de verwerking van persoonsgegevens nagestreefde doelstelling mogen worden verzameld en gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke. Derhalve zal de verwijzende rechter in het hoofdgeding dienen na te gaan dat de verzamelde en verwerkte gegevens allemaal noodzakelijk zijn om de kredietwaardigheid van de betrokken klanten te beoordelen.
51.
Wat ten tweede de geschiktheid van de automatisch verwerkte gegevens betreft om het met die verwerking nagestreefde doel te verwezenlijken, kan de vraag rijzen of het weglaten van bepaalde gegevens of het gebruik van bepaalde gegevens veeleer dan andere een beslissende en, in voorkomend geval, potentieel problematische invloed kan uitoefenen op een beoordeling die op een dergelijke verwerking is gebaseerd. Het antwoord op die vraag vloeit eveneens voort uit de uitlegging van het beginsel van de ‘minimale gegevensverwerking’, in die zin dat dit beginsel een kwalitatieve dimensie heeft doordat de verwerkte gegevens toereikend en ter zake dienend moeten zijn, dat wil juist zeggen dat zij geschikt moeten zijn om de doeleinden te verwezenlijken waarvoor zij zijn verwerkt.
52.
Naast deze algemene overwegingen wens ik evenwel op te merken dat de AVG geen aanwijzingen bevat over de criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of gegevens ‘toereikend’ en ‘ter zake dienend’ zijn. In dat verband heeft het Hof enkel verklaard dat gegevens die aan deze twee vereisten voldoen, geschikt zijn om de doeleinden van de betrokken verwerking te verwezenlijken en a fortiori de doelstelling van die verwerking te bereiken.22. Mijns inziens valt dat logisch te verklaren door de erg grote verscheidenheid aan situaties die worden beoogd en de nodige speelruimte die de lidstaten moeten krijgen om die beginselen toe te passen. Bovendien is die verordening weliswaar bedoeld om kwesties te regelen die rechtstreeks verband houden met gegevensverwerking, maar dienen voor de toetsing van het vereiste dat de gegevens toereikend en ter zake dienend zijn voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, andere sectorale regelingen te worden onderzocht die kunnen verduidelijken of preciseren welk verband er moet bestaan tussen de verwerkte gegevens en de met de verwerking beoogde doeleinden.
53.
Zo zou, in een situatie als die van het hoofdgeding, de kwestie van de kredietwaardigheidscontrole van klanten en de elementen waarmee voor de vaststelling van die kredietwaardigheid al dan niet rekening moet worden gehouden, bijvoorbeeld kunnen vallen onder de Unieregeling inzake kredietovereenkomsten voor consumenten of het nationale recht, terwijl, voor de algemene beoordeling van de vraag of die doelstelling rechtmatig is, uit hoofde van genoemde verordening een evenredigheidstoetsing zou moeten worden verricht met inachtneming van de specifieke relevante regelingen.23. In casu is het aan de verwijzende rechter om in het licht van de feiten van het hoofdgeding te onderzoeken of de automatisch gecontroleerde gegevens wel degelijk passend en geschikt waren om de kredietwaardigheid van de betrokken klanten vast te stellen24. en om daartoe de op de betrokken overeenkomsten en consumentenbescherming toepasselijke nationale regeling te onderzoeken.
54.
Wat in de tweede plaats de bewijslast betreft, volgt uit de heel duidelijke bewoordingen van artikel 5, lid 2, van die verordening dat de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk is voor de naleving van de beginselen die zijn opgenomen in lid 1 van dat artikel onder de vorm van verplichtingen, en dat hij de naleving van die beginselen moet kunnen aantonen. Bovendien heeft het Hof in de context van de toepassing van artikel 6, lid 1, onder b), AVG, waarvan ik in punt 42 van de onderhavige conclusie de gelijkenis met artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening heb vastgesteld, reeds geoordeeld dat het de verwerkingsverantwoordelijke is die moet kunnen aantonen in welk opzicht het hoofddoel van de betrokken overeenkomst zonder de litigieuze verwerking van persoonsgegevens niet zou kunnen worden bereikt.25.
55.
Het is dus aan de verwerkingsverantwoordelijke om aan te geven welke gegevens zijn verzameld en verwerkt, en om aan te tonen dat zij noodzakelijk zijn om de met de litigieuze verwerking nagestreefde doeleinden te bereiken.
56.
In het licht hiervan geef ik het Hof in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus moet worden uitgelegd dat er bij het sluiten van een overeenkomst met een klant door een postorderbedrijf sprake dient te zijn van een objectief verband tussen het doel van die overeenkomst en de geautomatiseerde beoordeling van de kans op wanbetaling van de klant teneinde te kunnen besluiten dat een dergelijke geautomatiseerde beoordeling noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst, en dat het daarnaast vereist is dat de daartoe verzamelde gegevens objectief geschikt zijn om die beoordeling uit te voeren en dat er wordt verduidelijkt om welke gegevens het gaat alsook waarom zij zijn verzameld. Dienaangaande rust de bewijslast op het postorderbedrijf.
Derde vraag
57.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de toepassing van de in artikel 22, lid 2, onder a), AVG opgenomen uitzondering op het verbod van uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluitvorming vereist dat een ‘besluit’ dan wel een ‘geautomatiseerd besluit’ noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke, en daarnaast of factoren zoals tijdwinst voor klanten en besparingen voor bedrijven die van dat soort geautomatiseerde verwerking gebruikmaken, alsook de mogelijkheid om die verwerking met redelijke inspanningen door mensen te laten plaatsvinden, relevant zijn om de noodzakelijkheid ervan te beoordelen.
58.
In de eerste plaats hebben de vragen van de verwijzende rechter voornamelijk te maken met de bewoordingen van die bepaling, die uitsluitend verwijzen naar een ‘besluit’ dat noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst. Om soortgelijke redenen als reeds uiteengezet in de punten 21 en 38 van de onderhavige conclusie moet de gebruikelijke betekenis van dat begrip worden geanalyseerd met inachtneming van de context ervan en de door genoemde bepaling beoogde doelstellingen.
59.
Ten eerste verwijzen de bewoordingen van artikel 22, lid 2, onder a), uitsluitend naar het begrip ‘besluit’, zonder te preciseren dat het om een geautomatiseerd besluit moet gaan, hetgeen zou kunnen suggereren dat dit niet vereist is. Dat begrip wordt evenwel voorafgegaan door het bepaald lidwoord ‘het’ veeleer dan door het onbepaald lidwoord ‘een’, hetgeen impliceert dat het besluit waarvan sprake is in die bepaling, reeds is bepaald. Bijgevolg kan de woordgroep ‘het besluit’ hier alleen maar verwijzen naar het ‘uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, gebaseerd besluit’ waarvan sprake is in lid 1 van dat artikel. Uit de bewoordingen van artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening vloeit dus voort dat die bepaling doelt op geautomatiseerde besluitvorming.26.
60.
Ten tweede vindt die uitlegging steun in de context van die bepaling. Volgens de bewoordingen van overweging 71 van die verordening, aan de hand waarvan de uitlegging van artikel 22 AVG in wezen kan worden verduidelijkt27., is het namelijk wel degelijk ‘[b]esluitvorming op basis van een dergelijke verwerking, met inbegrip van profilering’ die ‘dient […] mogelijk te zijn wanneer deze […] noodzakelijk [is] voor de sluiting of uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke’28..
61.
Wat ten derde de doelstellingen betreft die met de AVG worden nagestreefd en die reeds in herinnering zijn gebracht in de punten 26 en 43 van de onderhavige conclusie, wijs ik erop dat de door mij voorgestelde uitlegging van het begrip ‘besluit’ in de context van de uitlegging van artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening de draagwijdte van de daarin opgenomen uitzondering op het verbod van geautomatiseerde individuele besluitvorming beperkt. In het tegenovergestelde geval zou het volstaan dat besluitvorming (al dan niet geautomatiseerd) noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst opdat deze zou kunnen worden gebaseerd op geautomatiseerde gegevensverwerking. De voorgaande overwegingen zijn mijns inziens nog relevanter in de in punt 34 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte context, waaruit voortvloeit dat de uitzondering van artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening enkel strikt mag worden uitgelegd.
62.
Voorts verklaart de Europese Commissie dat zij bij het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie met name een voorstel heeft ingediend voor een verordening tot wijziging van de AVG29., waarmee elke twijfel over de uitlegging van het begrip ‘besluit’ in de zin van artikel 22, lid 2, onder a), van die verordening zou kunnen worden weggenomen omdat daaruit uitdrukkelijk zou blijken dat het voor het aanvoeren van de daarin opgenomen uitzondering niet vereist is dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluitvorming mogelijk is. Aangezien dat voorstel niet in werking is getreden en zelfs niet als zodanig is goedgekeurd door het Parlement en de Raad, is het evenwel volstrekt irrelevant voor de uitlegging van het betrokken begrip.
63.
Wat in de tweede plaats de informatie betreft die in aanmerking moet worden genomen om te beoordelen of het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming noodzakelijk is — en in casu met name het aantal bestellingen die bedrijven als Universal Versand moeten afhandelen en de snelle dienstverlening die klanten verwachten —, zal de verwijzende rechter aan de hand van de in punt 41 hierboven omschreven juridische toets en de in de punten 49 tot en met 55 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte overwegingen moeten nagaan of dergelijke feitelijke informatie van dien aard is dat daaruit de noodzakelijkheid van geautomatiseerde besluitvorming blijkt, in die zin, ten eerste, dat de geautomatiseerde kredietwaardigheidscontrole van klanten noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de betrokken overeenkomsten naar behoren worden uitgevoerd en, ten tweede, dat zij niet kan worden vervangen door een menselijke tussenkomst die een minder ingrijpend alternatief zou vormen in de zin van het tweede onderdeel van die toets en overeenkomstig met name overweging 39 van genoemde verordening.
64.
Mijns inziens wordt er in de richtsnoeren van 3 oktober 2017 inzake geautomatiseerde individuele besluitvorming en profilering voor de toepassing van verordening (EU) 2016/679 terecht aangegeven dat een nationale rechter bijvoorbeeld tot een dergelijke conclusie zou kunnen komen wanneer hij vaststelt dat een menselijke tussenkomst, gelet op de hoeveelheid verwerkte gegevens, praktisch niet haalbaar of onmogelijk is. Dat zou betekenen dat geautomatiseerde besluitvorming onontbeerlijk is, in de zin dat voldaan is aan het tweede onderdeel van de in punt 41 van de onderhavige conclusie omschreven juridische toets. Het betrokken bedrijf dient dat evenwel aan te tonen. Het volstaat ter zake niet dat een dergelijke verwerking louter nuttig is voor de uitvoering van de betrokken overeenkomst.30.
65.
Wat ten eerste specifiek het aantal verwerkte bestellingen betreft, alsook de snelheid waarmee klanten worden geïnformeerd over de betaalmethode die zij kunnen gebruiken, moet aan de hand van objectief bewijsmateriaal31. worden aangetoond waarom het aantal bestellingen leidt tot een zodanige hoeveelheid te verwerken gegevens dat deze niet op een minder ingrijpende, niet-geautomatiseerde wijze kunnen worden verwerkt. Daarnaast moet worden aangetoond dat onmiddellijke feedback over de betaalmethode een bepalende factor is bij de beslissing van de klant om de betrokken overeenkomst met het betrokken bedrijf te sluiten.
66.
Ten tweede wens ik er ook op te wijzen dat indien de verwijzende rechter zou oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betaalmethoden volgens de Oostenrijkse regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 vallen, de kredietwaardigheid van de klanten dan krachtens artikel 8 van die richtlijn dient te worden beoordeeld vóór het sluiten van de litigieuze overeenkomsten. Net zoals met betrekking tot de in het vorige punt van de onderhavige conclusie genoemde kwesties, zal het betrokken bedrijf dan aan de hand van objectief bewijsmateriaal moeten aantonen waarom er in plaats van geautomatiseerde verwerking geen bruikbaar minder ingrijpend alternatief kan worden gekozen om aan die verplichting te voldoen.
67.
Gelet op een en ander dient mijns inziens op de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 22, lid 2, onder a), AVG aldus moet worden uitgelegd dat de toepassing van de in die bepaling opgenomen uitzondering op het verbod van uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluitvorming vereist dat een geautomatiseerd besluit noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke, in die zin dat er met name geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is, en daarnaast dat factoren zoals tijdwinst voor klanten en besparingen voor bedrijven die van dat soort geautomatiseerde verwerking gebruikmaken, relevant kunnen zijn om de noodzakelijkheid ervan te beoordelen, indien die factoren in de specifieke omstandigheden van het concrete geval een objectief bewijs vormen voor die noodzakelijkheid, met name in die zin dat er geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is.
Conclusie
68.
Gelet op de analyse in de onderhavige conclusie geef ik het Hof in overweging om op de prejudiciële vragen van het Oberste Gerichtshof te antwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 22, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
moet aldus worden uitgelegd dat
er in het kader van postorderverkoop voor een klant rechtsgevolgen zijn verbonden aan een besluit waarbij hem de mogelijkheid wordt ontzegd om bepaalde betaalmethoden te kiezen en dat uitsluitend is gebaseerd op een geautomatiseerde beoordeling van zijn kans op wanbetaling, of dat een dergelijk besluit hem minstens anderszins in aanmerkelijke mate treft, wanneer dat besluit eraan in de weg kan staan dat de betrokken koopovereenkomst tot stand komt.
- 2)
Artikel 22, lid 2, onder a), van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
er bij het sluiten van een overeenkomst met een klant door een postorderbedrijf sprake dient te zijn van een objectief verband tussen het doel van die overeenkomst en de geautomatiseerde beoordeling van de kans op wanbetaling van de klant teneinde te kunnen besluiten dat een dergelijke geautomatiseerde beoordeling noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst, en dat het daarnaast vereist is dat de daartoe verzamelde gegevens objectief geschikt zijn om die beoordeling uit te voeren en dat er wordt verduidelijkt om welke gegevens het gaat alsook waarom zij zijn verzameld. Dienaangaande rust de bewijslast op het postorderbedrijf.
- 3)
Artikel 22, lid 2, onder a), van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
de toepassing van de in die bepaling opgenomen uitzondering op het verbod van uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluitvorming vereist dat een geautomatiseerd besluit noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke, in die zin dat er met name geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is, en daarnaast dat factoren zoals tijdwinst voor klanten en besparingen voor bedrijven die van dat soort geautomatiseerde verwerking gebruikmaken, relevant kunnen zijn om de noodzakelijkheid ervan te beoordelen, indien die factoren in de specifieke omstandigheden van het concrete geval een objectief bewijs vormen voor die noodzakelijkheid, met name in die zin dat er geen minder ingrijpend alternatief voorhanden is.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2026
Zie in dat verband arrest van 7 december 2023, SCHUFA Holding e.a. (Scoring) [C-634/21, EU:C:2023:957, punten 57-59; hierna: ‘arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring)’]
Zie in dat verband Poullet, Y., ‘Cinq ans après: le RGPD et les défis du profilage à l'heure de l'intelligence artificielle’, Revue des affaires européennes, 2021/I, blz. 97 en 98.
Zie arrest van 14 april 2026, Pelham (Begrip ‘pastiche’) (C-590/23, EU:C:2026:290, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Anders dan de overwegingen die de bij artikel 29 van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31) ingestelde werkgroep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens heeft uiteengezet in de op 6 februari 2018 herziene en vastgestelde versie van de richtsnoeren van 3 oktober 2017 inzake geautomatiseerde individuele besluitvorming en profilering voor de toepassing van verordening (EU) 2016/679 (zie blz. 23), brengen deze overwegingen mijns inziens evenwel niet noodzakelijkerwijze met zich mee dat de gevolgen van het betrokken besluit van een zekere ernst dienen te zijn. De gevolgen van een besluit kunnen worden geacht aanmerkelijk te zijn, in die zin dat zij van enig belang zijn voor de persoon die er het voorwerp van uitmaakt (economisch, sociaal, beroepsmatig, enz.), zonder evenwel ‘ernstig’ te zijn, waarbij deze laatste term een typische negatieve connotatie heeft en nadelige gevolgen of een vorm van aantasting (schade, risico, enz.) suggereert.
Zie arrest van 27 februari 2025, Dun & Bradstreet Austria e.a. (C-203/22, EU:C:2025:117, punt 51).
Zie in die zin arrest SCHUFA Holding e.a. (Scoring) (punten 48 en 49).
Zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Perle (C-14/23, EU:C:2024:647, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46)
‘Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende: […] kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend.’
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 2008/48/EG (PB L, 2023/2225).
Die richtlijn bevat bepalingen die een aanzienlijke invloed kunnen uitoefenen op het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming, die zij specifiek in het kader van de verplichte beoordeling van de kredietwaardigheid van consumenten regelt in artikel 18 ervan, en met name in lid 8 ervan. Uit artikel 2, lid 2, onder h), ervan blijkt evenwel dat die richtlijn mogelijk niet van toepassing is op overeenkomsten als die in het hoofdgeding.
Zie in die zin en, in de context van de bescherming van persoonsgegevens en de daarop van toepassing zijnde uitzonderingen binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke, arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 210 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 4 juli 2023, Meta Platforms e.a. (Algemene gebruiksvoorwaarden van een online sociaal netwerk) (C-252/21, EU:C:2023:537, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China) (C-61/16 P, EU:C:2017:968, punt 47). Het Hof heeft bij dat arrest in essentie geoordeeld dat alleen de gegevens zonder welke het antidumpingonderzoek niet kan worden uitgevoerd, kunnen worden beschouwd als ‘nodig’ in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22).
Arrest van 4 juli 2023, Meta Platforms e.a. (Algemene gebruiksvoorwaarden van een online sociaal netwerk) (C-252/21, EU:C:2023:537, punten 98 en 99).
Begrippen die worden gebruikt in handelingen ter zake van eenzelfde materie moeten, gelet op de vereisten van eenheid en samenhang van de rechtsorde van de Unie, dezelfde betekenis hebben, voor zover de Uniewetgever geen andere wil kenbaar heeft gemaakt [zie naar analogie arrest van 17 maart 2021, Wellcome Trust (C-459/19, EU:C:2021:209, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Zodat ervan wordt uitgegaan dat deze besluitvorming die gegevensverwerking omvat.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld de redenering die is gevolgd in de punten 39 tot en met 42 van het arrest van 9 januari 2025, Mousse (C-394/23, EU:C:2025:2), waarin het Hof in wezen heeft geoordeeld dat gepersonaliseerde commerciële communicatie op basis van het gender van de betrokken klant niet noodzakelijk was om die klant een spoorvervoersdienst aan te bieden, aangezien de betrokken onderneming in haar communicatie bijvoorbeeld kon kiezen voor generieke beleefdheidsformules. In het onderhavige geval daarentegen kan het vermogen van de klant tot uitvoering van de betalingen, die integrerend deel uitmaken van de betrokken contractuele prestatie, rechtstreeks van invloed zijn op de goede uitvoering ervan.
Arrest van 4 oktober 2024, Schrems ((Mededeling van gegevens aan het grote publiek) (C-446/21, EU:C:2024:834, punten 47–49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 4 oktober 2024, Schrems (Mededeling van gegevens aan het grote publiek) (C-446/21, EU:C:2024:834, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 18 juni 2026, NTH Haustechnik (C-484/24, EU:C:2026:496, punt 97).
Zie naar analogie arrest van 7 december 2023, SCHUFA Holding (Kwijtschelding van restschulden) (C-26/22 en C-64/22, EU:C:2023: 958, punten 82–86).
Voor die beoordeling is het met name dienstig om na te gaan of de betrokken gegevens een rechtstreeks en objectief verband vertonen met de kredietwaardigheidscontrole van de betrokken klant en of zij — op zich of in combinatie met andere gegevens — noodzakelijk zijn voor die controle, rekening houdend met de risico's ervan voor de betrokkene.
Arrest van 4 juli 2023, Meta Platforms e.a. (Algemene gebruiksvoorwaarden van een online sociaal netwerk) (C-252/21, EU:C:2023:537, punt 98).
Die uitlegging wordt overigens gesterkt door andere taalversies van die bepaling. Zo verwijst de Duitse versie naar ‘die Entscheidung’ en de Engelse taalversie naar ‘the decision’.
Zie naar analogie arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C-755/21 P, EU:C:2024:202, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Eigen cursivering.
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordeningen (EU) 2016/679, (EU) 2018/1724, (EU) 2018/1725 en (EU) 2023/2854 en richtlijnen 2002/58/EG, (EU) 2022/2555 en (EU) 2022/2557 wat betreft de vereenvoudiging van het digitale wetgevingskader en tot intrekking van de verordeningen (EU) 2018/1807, (EU) 2019/1150, (EU) 2022/868 en richtlijn (EU) 2019/1024 (digitale omnibus) [COM(2025) 837 final].
Zie naar analogie arrest van 4 juli 2023, Meta Platforms e.a. (Algemene gebruiksvoorwaarden van een online sociaal netwerk) (C-252/21, EU:C:2023:537, punt 99).
Ik denk met name aan met cijfers onderbouwde studies van de kosten en baten, aan de financiële gevolgen van de verschillende mogelijke maatregelen voor het betrokken bedrijf en bijvoorbeeld aan statistische analysen.