Hof 's-Hertogenbosch, 15-12-2020, nr. 200.226.239, 01
ECLI:NL:GHSHE:2020:3886
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
15-12-2020
- Zaaknummer
200.226.239_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2020:3886, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 15‑12‑2020; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHSHE:2019:2955, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 06‑08‑2019; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
WR 2019/126 met annotatie van C.L.J.M. de Waal
Uitspraak 15‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenarresten van 6 augustus en 29 oktober 2019. Lekkage in berging gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW. Huurders niet geslaagd in bewijs omvang aanwezige zaken in berging ten tijde van lekkage. Enige schade als gevolg van lekkage wel aannemelijk. Schatting schade op de voet van artikel 6:97 BW. Verhuurder gehouden tot vergoeding helft daarvan vanwege eigen schuld huurders (6:101 BW).
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.226.239
arrest van 15 december 2020
in de zaak van
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. S.A. den Engelsen te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tezamen: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 december 2017, 6 augustus 2019 en 29 oktober 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 5573210 16-13526 gewezen vonnis van 20 juli 2017.
13. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 29 oktober 2019;
- -
de akte opgave getuigen, tevens akte overlegging producties van [geïntimeerden] met twee producties;
- -
het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerden] op 20 februari 2020;
- -
de memorie na getuigenverhoor van [geïntimeerden] ;
- -
de antwoordmemorie na getuigenverhoor van [appellante] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
14. De verdere beoordeling
14.1.
Bij genoemd tussenarrest van 29 oktober 2019 heeft het hof [geïntimeerden] toegelaten tot het leveren van bewijs van hun stelling dat zich in januari 2016 ten tijde van het ontstaan van de lekkage 50 meter behang, 27 meter gordijnen, 50 stuks prints, twee lampen, 15 hangstalen, 15 stofboeken, een receiver, een CD wisselaar en een amplifier in de berging bevonden. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
14.2.
Ter uitvoering van de bewijsopdracht aan [geïntimeerden] heeft op 20 februari 2020 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Hierbij zijn als getuigen gehoord:
- [geïntimeerde 1] ;
- [geïntimeerde 2] ;
- [getuige 1] , schade expert in dienst van Achmea;
- [getuige 2] , zakelijke/vriendschappelijke relatie van [geïntimeerde 2] .
[appellante] heeft afgezien van contra-enquête.
14.3.
Aan het hof ligt de vraag voor of [geïntimeerden] zijn geslaagd bewijs te leveren van hun stelling dat zich in januari 2016 ten tijde van het ontstaan van de lekkage 50 meter behang, 27 meter gordijnen, 50 stuks prints, twee lampen, 15 hangstalen, 15 stofboeken, een receiver, een CD-wisselaar en een amplifier in de berging bevonden.
14.4.
[geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat zij zelf heeft gezien dat de spullen zoals opgegeven in deze procedure en genoemd op het lijstje, genummerd A tot en met G, tijdens het ontstaan van de lekkage in de berging lagen.
Zij heeft verder verklaard dat zij niet meer precies weet wanneer zij en [geïntimeerde 2] de schade aan de spullen hebben geconstateerd, maar dat zij vermoedt dat dit halverwege januari 2016 zal zijn geweest. Ten aanzien van de foto’s, overgelegd bij akte na tussenarrest van 20 augustus 2019, heeft zij verklaard dat deze zijn gemaakt op de data die bij de foto’s zijn genoemd. Zij denkt dat er niet eerder foto’s zijn gemaakt dan februari 2016.
Na constatering van de wateroverlast in de berging in januari 2016 hebben zij en [geïntimeerde 2] de spullen daar laten staan, volgens haar in opdracht van [appellante] en in afwachting van de komst van [getuige 1] van Interpolis.
Ten aanzien van de linker foto op productie A, heeft [geïntimeerden] verklaard dat daarop een doos te zien is met daarin behang en dat zij en [geïntimeerde 2] op de factuur hebben kunnen nagaan dat dat om 50 meter behang ging. Op de rechter foto op productie A is volgens [geïntimeerde 1] [geïntimeerde 2] te zien met een rol behang in zijn handen. Op de foto op productie B zijn volgens [geïntimeerde 1] de 27 meter gordijnen, zoals opgegeven, te zien. Op de foto op productie C staat, zoals opgegeven, de prints ten behoeve van klanten, op de foto op productie E staan de hangstalen en op de foto op productie F zijn de stofboeken te zien, aldus [geïntimeerden]
Nadat de foto’s op productie G aan [geïntimeerde 1] zijn getoond en haar is voorgehouden dat op de bovenste twee foto’s op die productie [naam] staat vermeld, terwijl bij de andere foto’s [plaats] staat vermeld, heeft [geïntimeerde 1] verklaard dat alle foto’s op dezelfde plek zijn gemaakt, maar dat zij niet weet wat de telefoon daarvan maakt.
14.5.
Op de vraag om het beeld op te roepen dat hij had toen hij de berging inkwam na de wateroverlast, heeft [geïntimeerde 2] geantwoord dat hij zag dat er heel veel water stond, dat het heel erg nat was en dat wat op de grond stond drijfnat was. [geïntimeerde 2] heeft daarnaast verklaard dat in zijn herinnering [geïntimeerde 1] heeft gebeld met [appellante] en de verzekeringsagent, dat het wel even duurde voordat de verzekeringsagent kwam, maar dat hij niet meer precies weet hoeveel tijd er is verstreken tussen het moment waarop [geïntimeerden] de schade in de berging aantroffen en het bezoek van de verzekeringsagent. Volgens [geïntimeerde 2] hebben hij en [geïntimeerde 1] in de tussentijd de spullen in de berging laten staan en hebben zij een aantal spullen wat hoger gezet, dit omdat hij dacht dat hij het beter aan de verzekeringsagent kon laten zien zoals het er stond.
[geïntimeerde 2] heeft verklaard dat de spullen, zoals gespecificeerd in de bewijsopdracht, ten tijde van het ontstaan van de lekkage in de berging stonden, dat hij de lekkage heeft geconstateerd in 2016, dat hij denkt dat hij toen direct met zijn telefoon foto’s heeft gemaakt en dat hij het niet zeker weet, maar denkt dat hij eerder dan februari 2016 foto’s heeft gemaakt.
[geïntimeerde 2] heeft over de foto die is gedateerd op 12 april 2016 verklaard dat daarop te zien is dat de staal nog steeds nat was. Daarop heeft hij verklaard dat de spullen er inderdaad heel lang hebben gestaan, omdat hij dacht dat [appellante] misschien nog wilde komen kijken.
Ten aanzien van de foto’s, overgelegd bij akte na tussenarrest van 20 augustus 2019, heeft [geïntimeerde 2] het volgende verklaard. Op de linker foto op productie A is een doos te zien met daarin 50 meter behang en op de rechter foto op productie A staat [geïntimeerde 2] met een rol stof in zijn handen.
Op productie B is een deel van de 27 meter gordijnstof te zien. Op productie C is gordijnstof met prints te zien, op grond waarvan de klant een keuze maakt. Deze prints stonden in een tas op de grond. Op foto D zijn elektra en een dure lamp te zien.
[geïntimeerde 2] heeft ten slotte over de foto’s op productie G verklaard dat hij alleen maar kan zeggen dat deze en de overige foto’s allemaal op dezelfde plaats in [plaats] zijn gemaakt.
14.6.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij vier jaar geleden in 2016 in opdracht van de verzekeringsmaatschappij naar de berging van [geïntimeerden] is gegaan en dat hij ter plekke zag dat er behoorlijke waterschade was, dat er allerlei producten in de berging stonden en dat het water inmiddels was weggetrokken. [getuige 1] heeft verklaard dat hij denkt dat hij kort na de waterschade ter plekke was, dat dat geen weken daarna zal zijn geweest. De precieze datum van zijn bezoek moet hij nakijken. [getuige 1] heeft van wat hij aantrof een verslag en foto’s gemaakt.
Desgevraagd heeft [getuige 1] verklaard dat hij de spullen, zoals gespecificeerd in de bewijsopdracht, in de berging heeft zien staan. Hij baseert de herinnering aan die spullen op de informatie uit zijn dossier. Desgevraagd heeft [getuige 1] de spullen genoemd die hij in de berging heeft gezien: apparatuur, stalen, stoffen, een computer, het soort zaken dat verder in een berging worden bewaard.
Over de foto’s op productie A bij de akte van 20 augustus 2019 heeft [getuige 1] het volgende verklaard. [getuige 1] heeft geen idee wat er in de doos op de linker foto zat. Hij denkt dat [geïntimeerde 2] op de rechter foto een rol behang in zijn hand heeft.
[getuige 1] heeft verder verklaard dat hij hangstalen en stofboeken heeft gezien, maar dat hij niet meer weet hoeveel stofboeken hij in de berging heeft aangetroffen; deze lagen deels op een los rek en [getuige 1] neemt aan dat er ook wat op de grond lag.
[getuige 1] heeft ten slotte verklaard in de berging ook een natte stereo installatie te hebben aangetroffen, maar niet meer te weten waar die stond.
14.7.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij denkt dat de waterschade in de berging van [geïntimeerden] een jaar of vier geleden heeft plaatsgevonden. Hij heeft verder verklaard dat [geïntimeerde 2] tegen hem zei dat hij eens moest komen kijken hoeveel waterschade in de berging was, dat hij toen met [geïntimeerde 2] is meegelopen naar de berging en dat het behoorlijk smerig was wat hij daar aantrof. In zijn herinnering stonden er in de berging vrij veel spullen, waaronder gordijnrollen, stoffen, audioapparatuur, behang, een volle stellingkast, een bureaulamp en een dressoirkastje of iets dergelijks, en stond er nog een hoop water. [getuige 2] heeft verklaard niet te durven zeggen hoeveel tijd er zat tussen zijn bezoek aan de berging en het moment dat [geïntimeerde 2] de waterschade in de berging heeft aangetroffen.
Op de vraag of [getuige 2] de spullen, zoals genoemd in de bewijsopdracht, heeft gezien, heeft hij geantwoord dat hij behang heeft gezien maar dat hij niet weet of dat 50 meter was, dat hij gordijnen heeft gezien maar niet weet of dat 27 meter was, en dat hij stofstalen, hangstalen, twee lampen en audioapparatuur heeft gezien.
Na vertoning van de foto’s bij akte van 20 augustus 2019 heeft [getuige 2] verklaard de apparatuur op foto G bij de akte van 20 augustus 2019 te hebben gezien, dat productie E de stofstalen betreffen, dat op de foto’s op productie A de rollen zijn te zien. Hem staat bij dat hij een rol behang en een rol stof heeft gezien. [getuige 2] heeft verder verklaard dat op productie B volgens hem de rol met stof staat afgebeeld, dat hij niet meer weet of hij de spullen, afgebeeld op foto C, heeft gezien en dat hij de lamp op productie D herkent.
[getuige 2] heeft ten slotte verklaard geen idee te hebben hoe een rol behang van 50 meter eruit ziet, dat hij niet meer weet of in de doos op de linker foto op productie A een rol behang en een rol stof lag en dat hij niet meer weet of hij de doos zo heeft aangetroffen.
14.8.
Ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerden] geslaagd zijn in het aan hen opgedragen bewijs overweegt het hof het volgende.
14.8.1.
Weliswaar verklaart zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] dat de zaken, zoals genoemd in de bewijsopdracht, zich ten tijde van het ontstaan van de lekkage in januari 2016 in de berging bevonden, maar zij zijn partijgetuigen. Op grond van artikel 164 lid 1 Rv worden verklaringen van partijgetuigen als bewijsmiddel toegelaten en hebben deze verklaringen vrije bewijskracht, maar artikel 164 lid 2 Rv brengt daarop een beperking aan die in deze van toepassing is omdat zij als één partij, als huurder uit de huurovereenkomst met [appellante] , hun vordering tot schadevergoeding tegen deze verhuurder hebben ingesteld. Deze beperking houdt in dat ten aanzien van feiten die bewezen moeten worden door de partij die de verklaring heeft afgelegd, de verklaring van die partij slechts bewijs ten voordele van die partij kan opleveren, als er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. Met andere woorden: het hof mag het oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] baseren. De vraag is dan of er aanvullend bewijs is in voornoemde zin. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord.
14.8.2.
In de eerste plaats kan uit de foto’s die [geïntimeerden] bij akte van 20 augustus 2019 in het geding hebben gebracht, nog steeds niet worden opgemaakt dat de in de bewijsopdracht genoemde zaken daadwerkelijk in de berging aanwezig waren ten tijde van de lekkage in januari 2016. Op de foto’s zijn onder meer vaag te zien enkele rollen (niet zichtbaar is wat er op deze rollen staat laat staan hoeveel meter), enkele prints en een enkele staal. Het hof mist hierbij een verklaring van [geïntimeerden] , die naar eigen zeggen foto’s zijn gaan maken om de schade aan de zaken in de berging vast te leggen, dat zij met deze foto’s hebben volstaan terwijl het volgens hen om meerdere individuele roerende zaken ging die op een eenvoudige manier konden worden vastgelegd. Dit geldt niet alleen voor de zaken waarvan in eerste aanleg de schadevergoeding is afgewezen maar ook voor de zaken die in hoger beroep onderwerp van debat zijn geworden. Bovendien blijkt uit de datumaanduiding bij de foto’s dat deze zijn gemaakt op 18 februari 2016, 9 maart 2016 en 12 april 2016. Het hof kan niet inzien hoe daaruit, zonder overtuigende toelichting, die ontbreekt, kan worden afgeleid dat zij de situatie van de berging in januari 2016 weergeven, toen zich ter plekke de wateroverlast voordeed. Dat geldt nog temeer nu ook de plaatsaanduiding bij de foto’s verschilt: bij een aantal foto’s wordt [plaats] genoemd, terwijl bij andere foto’s [naam] staat vermeld. Vast staat dat de kelder van het huurappartement in [plaats] is gelegen.
14.8.3.
De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn te vaag om daaraan voldoende overtuigende aanknopingspunten te ontlenen voor het aan [geïntimeerden] opgedragen bewijs.
[getuige 1] , die als schade-expert een bezoek aan de berging heeft gebracht om de door de lekkage ontstane schade op te nemen, heeft verklaard de precieze datum van zijn bezoek niet meer te weten maar te denken dat dat bezoek kort na de waterschade is geweest. [geïntimeerden] stellen echter in punt 7 van hun memorie na getuigenverhoor dat [getuige 1] op 9 maart 2016 ter plekke is geweest. Waar [getuige 1] het niet weet en [geïntimeerden] met deze datum komen, gaat het hof uit van 9 maart 2016. Dit betekent dat [getuige 1] , die tijdens zijn verhoor heeft verklaard apparatuur, stalen, stoffen, een computer en het soort zaken dat verder in een berging worden bewaard te hebben gezien, niets heeft kunnen verklaren over de aanwezigheid van deze, in de bewijsopdracht genoemde, zaken in de berging ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis in januari 2016. Daar komt nog bij dat uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat hij zich de aantallen/hoeveelheden van de zaken die tijdens zijn bezoek in de berging aanwezig waren niet kan herinneren.
[getuige 2] heeft verklaard vier jaar geleden, dus in 2016, een bezoek te hebben gebracht aan de berging om de waterschade te zien, maar hij weet niet meer wanneer. [getuige 2] heeft verder verklaard tijdens dat bezoek behang, stofstalen, hangstalen, twee lampen en audioapparatuur te hebben gezien, maar evenmin als [getuige 1] heeft hij iets kunnen verklaren over het aantal meters behang/gordijn en aantallen stofstalen en hangstalen die hij toen in de berging heeft aangetroffen.
14.8.4.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen niet is komen vast te staan dat zich in januari 2016 ten tijde van het ontstaan van de lekkage in de berging de door [geïntimeerden] genoemde zaken in de door hen gestelde omvang in de berging bevonden. Evenmin acht het hof voldoende bewezen dat de destijds in de berging aanwezige hoeveelheden exact corresponderen met de volgens de overgelegde aankoopbonnen gekochte hoeveelheden. Aan de andere kant betwist [appellante] weliswaar het bestaan en de omvang van de door [geïntimeerde 1] gestelde schadeposten, maar betwist zij niet, althans onvoldoende dat er ten tijde van het ontstaan van de lekkage zaken in de berging aanwezig waren en dat [geïntimeerden] destijds spullen (behang, gordijnen, prints, behangstalen en stofboeken), bestemd voor hun bedrijf [geïntimeerde 2] Projects, in de berging opsloegen. Aldus is voldoende aannemelijk te achten dat [geïntimeerden] als gevolg van de lekkage in de berging enige schade hebben geleden die [appellante] op grond van artikel 7:208 BW gehouden is te vergoeden. Nu de omvang van de schade echter moeilijk is vast te stellen, zal het hof deze op grond van artikel 6:97 BW schatten op € 1.500,00. Hierin is een bedrag begrepen van € 437,92 ter zake van de onweersproken schadepost met betrekking tot het MacBook (vgl. rov. 8.4 en 8.4.2 van het tussenarrest van 6 augustus 2019).
14.8.5.
Zoals al overwogen in rov. 8.4.4 van het tussenarrest van 6 augustus 2019 is het hof van oordeel dat de vergoedingsplicht van [appellante] dient te worden beperkt tot 50 % van de schade van [geïntimeerden] vanwege eigen schuld van [geïntimeerden] als bedoeld in artikel 6:101 BW. [geïntimeerden] hebben er immers voor gekozen zaken die gevoelig zijn voor vocht in de berging hebben gestald. Bovendien staat in hoger beroep als onvoldoende weersproken vast dat al langere tijd sprake was van vocht- en wateroverlast bij de bergingen/parkeerplaatsen.
Het voorgaande betekent dat [appellante] ten aanzien van de door de lekkage geleden schade een bedrag van € 750,00 aan [geïntimeerden] dient te vergoeden. Dit bedrag zal dus worden toegewezen. De schadevordering van [geïntimeerden] zal dus voor het overige alsnog afgewezen. In zoverre slagen grieven 5 tot en met 15.
14.9.
Grief 16 van [appellante] is ten slotte gericht tegen de proceskostencompensatie in eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie). Het hof overweegt hierover het volgende. In eerste aanleg is [appellante] in conventie grotendeels in het gelijk gesteld en [geïntimeerden] in het ongelijk (de huurvordering van [appellante] is toegewezen), maar in reconventie is [appellante] in het ongelijk gesteld (de schadevordering van [geïntimeerden] is deels toegewezen).
In hoger beroep dient met het slagen van de grieven 5 tot en met 15 de schadevordering van [geïntimeerden] grotendeels te worden afgewezen met uitzondering van een bedrag van € 750,00, zodat [geïntimeerden] ook in reconventie alsnog grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de proceskostencompensatie in eerste aanleg niet in stand kan blijven en dat [geïntimeerden] alsnog dienen te worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Grief 16 slaagt dus eveneens.
14.10.
Het bestreden vonnis van 20 juli 2017 moet wat de conventie betreft worden vernietigd maar uitsluitend waar het de beslissing betreft over de proceskosten. Ten aanzien van de beslissingen in de reconventie moet het vonnis van 20 juli 2017 geheel worden vernietigd. [geïntimeerden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep. De proceskosten worden in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] begroot op € 470,00 aan griffierecht en op € 500,00 aan salaris gemachtigde volgens het liquidatietarief in kantonzaken (2 punten [dagvaarding eerste aanleg 1, comparitie van partijen 1] maal
€ 250,00). In hoger beroep begroot het hof de proceskosten aan de zijde van [appellante] op
€ 716,00 aan griffierecht en op € 2.148,00 aan salaris advocaat volgens het liquidatietarief hoven (2 punten [memorie van grieven 1, getuigenverhoor wederpartij 0,5 en antwoordmemorie na getuigenverhoor 0,5] maal tarief II).
15. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 20 juli 2017, in conventie uitsluitend ten aanzien van de proceskostencompensatie en in reconventie in zijn geheel;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 750,00;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten en begroot deze aan de zijde van [appellante] tot op heden in eerste aanleg op € 470,00 aan griffierecht en op € 500,00 aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 716,00 aan griffierecht en op € 2.148,00 aan salaris advocaat;
verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beslissing in eerste aanleg in conventie voor het overige;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, P.P.M. Rousseau en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 december 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 06‑08‑2019
Inhoudsindicatie
Lekkage in berging geen feitelijke stoornis door derde, maar gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Huurder toegelaten tot bewijs van aanwezigheid van zaken in berging ten tijde van ontstaan van lekkage. Indien huurder hierin slaagt, dan sprake van eigen schuld ex artikel 6:101 BW met als gevolg dat vergoedingsplicht verhuurder beperkt wordt tot 50 %.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.226.239/01
arrest van 6 augustus 2019
in de zaak van
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. S.A. den Engelsen te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] c.s.,
advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 december 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven , onder zaaknummer 5573210 en rolnummer 16-13526 gewezen vonnis van 20 juli 2017.
5. Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 12 december 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 24 januari 2018;
- -
de memorie van grieven met producties;
- -
de memorie van antwoord met producties;
- -
de akte overlegging procesdossier eerste aanleg van [geïntimeerde 1] c.s.
Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd en het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
6. De vaststaande feiten
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning met berging aan de [adres] te [plaats] en de parkeerplaatsen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] aan de [straat] . De door [geïntimeerde 1] c.s. te betalen huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.722,75 voor de woning en voor de garages/parkeerplaatsen respectievelijk € 67,20, € 123,10 en
€ 67,30 per maand. De woning betreft een appartement in de zogenaamde [complex] waarop van toepassing is het reglement van splitsing van 17 januari 2006.
6.1.2.
In januari 2016 is er een lekkage ontstaan in de berging die [geïntimeerde 1] c.s. huurden van [appellante] .
6.1.3.
De huurovereenkomst is per 5 augustus 2016 geëindigd.
6.1.4.
Ten tijde van de procedure in eerste aanleg hadden [geïntimeerde 1] c.s. een huurachterstand van € 8.053,27.
7. De procedure in eerste aanleg
7.2.1. [appellante] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.973,01, bestaande uit een bedrag van
€ 8.053,27 aan huurachterstand, een bedrag van € 868,55 inclusief btw voor buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 51,19 als wettelijke rente, te vermeerderen met wettelijke rente over het bedrag van € 8.053,27 vanaf 29 november 2016 tot de dag van algehele voldoening.
7.2.2. [geïntimeerde 1] c.s. hebben in reconventie gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 22.000,00 aan schadevergoeding. Aan deze vordering hebben zij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij vanaf januari tot mei 2016 lekkages hebben gehad in de berging, dat deze lekkages het gevolg zijn van de ondeugdelijke bouwkundige constructie van het gebouw waarvoor [appellante] verantwoordelijk is en dat [appellante] de schade die [geïntimeerde 1] c.s. als gevolg hiervan lijden, dient te vergoeden.
7.2.3. In het eindvonnis van 20 juli 2017 heeft de kantonrechter in conventie de door [appellante] gevorderde betaling van huurachterstand en wettelijke rente toegewezen, nu [geïntimeerde 1] c,s. deze niet hebben weersproken. De door [appellante] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen, omdat [appellante] naar het oordeel van de kantonrechter niet dan wel onvoldoende heeft gesteld op welke datum de aanmaning in de zin van artikel 6: 96 lid 6 BW door [geïntimeerde 1] is ontvangen dan wel op welke datum [appellante] deze aanmaning aan [geïntimeerde 1] c.s. heeft verzonden.
In reconventie heeft de kantonrechter geoordeeld dat partijen het erover eens zijn dat de lekkage in de berging een gebrek is in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW en dat [appellante] op grond van artikel 7:208 BW verplicht is de als gevolg daarvan geleden schade aan [geïntimeerde 1] c.s. te vergoeden. Vervolgens is [appellante] in reconventie veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde 1] c.s. van een bedrag van € 12.637,51 aan schadevergoeding.
De kantonrechter heeft zowel in conventie als in reconventie de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
8. De beoordeling in hoger beroep
8.1.
Het hof stelt vast dat tegen de toewijzing van de door [appellante] in conventie gevorderde huurachterstand en de wettelijke rente daarover, door [geïntimeerde 1] c.s. niet (incidenteel) is geappelleerd, zodat de verschuldigdheid daarvan is gegeven. [appellante] voert in hoger beroep 16 grieven aan en vordert vernietiging van het eindvonnis van 20 juli 2017 en, opnieuw recht doende, alsnog volledige toewijzing van haar vordering in conventie en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van beide instanties.
8.2.
De eerste grief van [appellante] is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [appellante] stelt dat haar brief aan [geïntimeerde 1] c.s. van 20 juli 2016 aangemerkt kan worden als de veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6: 96 lid 6 BW. [appellante] voert in dat verband aan dat de brief is gestuurd naar het adres waar [geïntimeerde 1] c.s. op dat moment woonden, [adres] te [plaats] , dat ervan kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde 1] c.s. de brief op zijn laatst op 22 juli 2016 hebben ontvangen en dat, gelet op de in de brief gegeven termijn van 16 dagen na dagtekening, [geïntimeerde 1] c.s. veertien dagen de tijd hebben gehad om de hoofdsom zonder kosten te voldoen. Dit kan [appellante] echter niet baten. In de aanmaning van 20 juli 2016 is geen correcte betalingstermijn vermeld van 14 dagen, ingaande de dag na ontvangst daarvan, terwijl artikel 6: 96 lid 6 BW dit wel vereist. Weliswaar staat in de aanmaning een betalingstermijn van 16 dagen vermeld, maar deze termijn is niet gekoppeld aan de ontvangst van de aanmaning, maar aan de dagtekening van de aanmaning. Met de door [appellante] gehanteerde formulering is naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijk dat voor [geïntimeerde 1] c.s. de volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking stond. Dit betekent dat de door [appellante] gestuurde aanmaning niet aan de wettelijke eisen voldoet en dat het daaraan verbonden rechtsgevolg dat [geïntimeerde 1] c.s. buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden, niet intreedt (zie: Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704 rov. 3.4, 3.6.1. - 3.6.2.). De eerste grief faalt.
8.3.1.
Gelet op hun onderlinge samenhang zal het hof de grieven twee tot en met vier gezamenlijk behandelen. Met deze grieven wordt aan het hof de vraag voorgelegd of de lekkage in de berging een gebrek oplevert als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Het antwoord op die vraag is van belang, omdat een gebrek op grond van artikel 7:206 BW voor rekening van [appellante] komt en [appellante] op grond van artikel 7:208 BW verplicht is tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade. In artikel 7:204 lid 2 BW wordt een gebrek, kort gezegd, omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor het gehuurde aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat hij bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten.
8.3.2.
Tussen partijen staat als onweersproken vast dat als gevolg van de lekkage in de berging het water tot wel tien centimeter hoog is komen te staan en dat [geïntimeerde 1] c.s. daardoor de berging niet meer konden gebruiken voor het doel waarvoor de berging bestemd was, namelijk de opslag van spullen, en dus werden gestoord in hun huurgenot. Uit het rapport van [onderneming] van 5 februari 2016, opgesteld in opdracht van de Vereniging van Eigenaren [complex] (hierna: de VvE), kan worden opgemaakt dat (onder meer) de lekkage in de berging is veroorzaakt door een constructiefout in het gebouw, te weten gebreken aanwezig bij de aansluiting van het dek boven de parkeergarage met het opgaand werk. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de constructie van het gebouw de oorzaak van de lekkage in de berging is en dus een aanpassing van de constructie nodig is.
8.3.3.
[appellante] stelt zich evenwel op het standpunt dat de lekkage in de berging geen gebrek als hiervoor bedoeld oplevert en dus niet voor haar rekening komt, omdat sprake is van een feitelijke stoornis door derden zonder bewering van recht (artikel 7:204 lid 3 BW). [appellante] voert in dat verband aan dat de constructie van het gebouw te gelden heeft als een gemeenschappelijk deel van het complex en dat op basis van het toepasselijke (onder)splitsingsreglement (hierna: het reglement) niet [appellante] , maar de VvE verantwoordelijk is voor het onderhoud en herstel daarvan. [geïntimeerde 1] c.s. betwisten dat sprake is van een feitelijke stoornis door een derde.
8.3.4.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Een huurder kan een feitelijke stoornis in zijn huurgenot ondervinden door toedoen van anderen dan zijn verhuurder. In zulke gevallen is uitgangspunt dat de huurder zelf tegen die anderen zal moeten optreden, omdat een feitelijke stoornis door een derde, gelet op het bepaalde in artikel 7:204 lid 3 BW, niet kan worden aangemerkt als een gebrek dat voor rekening van de verhuurder komt. In dit geval is volgens [appellante] de ‘derde’ de VvE, omdat de VvE op grond van artikel 16 lid 1 van het reglement het beheer voert over de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw en de zorg voor het onderhoud daarvan draagt en de constructie van het gebouw op grond van artikel 17 lid 1 aanhef en onder a van het reglement heeft te gelden als een gemeenschappelijk gedeelte. Echter, indien de verhuurder in andere hoedanigheid dan als verhuurder invloed kan uitoefenen op de veroorzaker van de stoornis - hier de VvE die kennelijk niet of niet adequaat actie onderneemt om de oorzaak van de lekkage te laten verhelpen -, kan onder omstandigheden eveneens van hem worden gevergd dat hij zich inspant om aan de stoornis een einde te maken. Naar het oordeel van het hof is die situatie hier aan de orde. Als eigenares van meerdere appartementen in de [complex] , waaronder het door [geïntimeerde 1] c.s. gehuurde appartement, is [appellante] lid van de VvE en heeft zij in de vergadering van eigenaars stemrecht. Aan [appellante] kan worden toegegeven dat zij voor het (doen) verrichten van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden om de lekkage te verhelpen afhankelijk is van de medewerking van de vergadering (de andere appartementseigenaren) en/of het bestuur van de VvE. Op grond van artikel 23 van de reglementen mogen de eigenaars en gebruikers van de appartementen zonder toestemming van de vergadering van eigenaren geen verandering in het gebouw aanbrengen, waardoor de constructie ervan gewijzigd zou worden. Maar daar staat tegenover dat bij weigering van medewerking van de vergadering [appellante] op grond van artikel 5:121 BW de kantonrechter een vervangende machtiging kan vragen voor het (laten) verrichten van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Gesteld noch gebleken is echter dat [appellante] als lid van de VvE überhaupt toestemming heeft gevraagd aan de VvE voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden en/of het bestuur heeft gevraagd deze werkzaamheden te laten verrichten. Zij stelt slechts dat zij de lekkage in de bergingen en parkeergarage in 2013 kenbaar heeft gemaakt aan de VvE. De VvE heeft daarop onderzoeken laten verrichten naar de oorzaak van de lekkages, maar daarbij is het kennelijk gebleven. Gelet op haar verplichting als verhuurder om aan [geïntimeerde 1] c.s. het ongestoord huurgenot van de berging te verschaffen, had het op de weg van [appellante] gelegen om vervolgens op bovengenoemde wijze verdere actie te ondernemen, maar dat zij dat heeft gedaan is gesteld noch gebleken.
8.3.5.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat [appellante] zich onvoldoende heeft ingespannen om een einde te maken aan de stoornis in het huurgenot, terwijl dit gezien het voorgaande wel van haar mocht worden verwacht. Zij heeft hierdoor dan ook mede bijgedragen tot de stoornis in het huurgenot. Dit geldt naar het oordeel van het hof temeer, nu [appellante] volgens haar eigen stellingen al sinds 2013 op de hoogte was van lekkages in bergingen.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de stoornis in het huurgenot van de berging als gevolg van de lekkage, anders dan [appellante] meent, als een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW is aan te merken dat op grond van artikel 7:206 BW voor rekening van [appellante] als verhuurder komt. Op grond van artikel 7:208 BW is [appellante] dan ook aansprakelijk voor de door [geïntimeerde 1] c.s. als gevolg daarvan geleden schade. De stelling van [appellante] dat het gebrek bij de aanvang van de overeenkomst nog niet aanwezig was en/of zij het gebrek dus toen nog niet kende of behoorde te kennen, maakt dit niet anders. De verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 7:208 BW bestaat immers ook, indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat in dit geval van het laatste in ieder geval sprake is.
Grieven 2 tot en met 4 falen dus ook.
8.4.
De grieven 5 tot en met 15 hebben betrekking op de door [geïntimeerde 1] c.s. gevorderde vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de lekkage in de berging. [geïntimeerde 1] c.s. hebben ten aanzien hiervan in eerste aanleg een bedrag van € 22.000,00 gevorderd. Daarvan heeft de kantonrechter een bedrag van
€ 12.647,51 toegewezen. [geïntimeerde 1] c.s. hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld, zodat het hof in hoger beroep in elk geval niet meer dan het laatstgenoemde bedrag aan schadevergoeding kan toewijzen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Cesaro behang (50 rollen) en gordijnen (27 rollen) € 3.085,50
MacBook € 437,92
Cesaro prints voor hotel op stof (50 stuks) € 2.722,50
Leeslamp Archimon en lamp Romeo Moon € 1.128,00
Cesaro hangstalen (15 stuks) en stofboeken (15 stuks) € 2.273,59
Pioneer receiver, Onkyo CD wisselaar, Marantz Ampliflier € 3.000,00
€12.647,51
8.4.1.
[appellante] voert hiertegen in hoger beroep gemotiveerd verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat [geïntimeerde 1] c.s. geen vergoeding kunnen vorderen van de door haar gestelde schade met betrekking tot de Cesaro behang en gordijnen, Cesaro prints en Cesaro hangstalen en stofboeken, omdat deze schade zou zijn geleden door [v.o.f.] , de v.o.f. van [geïntimeerde 1] c.s., en niet door [geïntimeerde 1] c.s. in privé. Dit verweer kan niet slagen. Een v.o.f. is een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Zoals de kantonrechter daarom terecht oordeelde, is de schade die de vennoten in hun hoedanigheid van vennoten van de vof lijden gelijk aan de schade die zij in hun privé vermogen lijden.
8.4.2.
[appellante] betwist ook het bestaan en de omvang van voornoemde schadeposten met uitzondering van het MacBook. [geïntimeerde 1] c.s. dienen derhalve het bestaan van de door hen gestelde schadeposten aan te tonen. Ter onderbouwing hiervan hebben [geïntimeerde 1] c.s. aankoopfacturen/prijsopgaven en foto’s van de berging overgelegd. Aan [appellante] kan worden toegegeven dat de aankoopfacturen/prijsopgaven op zichzelf weinig zeggen over de daadwerkelijke aanwezigheid van de betreffende zaken in de berging ten tijde van de lekkage. Dit kan evenmin aanstonds met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid uit de foto’s. Op de foto’s zijn slechts (vaag) enkele rollen en stofboeken zichtbaar. De Cesaro prints, lampen en stereoapparatuur zijn niet terug te vinden op de foto’s. Weliswaar kan er uit de prijsopgaven/prijsoffertes met betrekking tot de lampen en stereoapparatuur worden afgeleid dat ten aanzien daarvan sprake was van waterschade, maar het hof acht dit, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [appellante] , vooralsnog onvoldoende om aan te nemen dat deze spullen zich ten tijde van de lekkage in de berging bevonden en dat de waterschade aan deze spullen als gevolg daarvan is ontstaan. De e-mail van de verzekeringsdeskundige van Achmea van 15 december 2016 waarin deze verklaart de beschadigde zaken conform de bijlage te hebben gezien, levert naar het oordeel van het hof vooralsnog evenmin voldoende bewijs.
Het hof zal [geïntimeerde 1] c.s. in de gelegenheid stellen aan te tonen dat er zich in januari 2016 ten tijde van het ontstaan van de lekkage 50 rollen behang, 27 rollen gordijnen, 50 stuks prints, twee lampen, 15 hangstalen, 15 stofboeken, een receiver, een CD wisselaar en een ampliflier in de berging bevonden. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. waarin zij zich kunnen uitlaten over de vraag of, en zo ja op welke wijze, zij tot de bewijslevering wensen te worden toegelaten.
8.4.3.
[appellante] is voorts van mening dat geen plaats is voor een door [appellante] te betalen schadevergoeding, omdat [geïntimeerde 1] c.s. de berging (mede) hebben gebruikt als bedrijfsopslag en daarmee in strijd hebben gehandeld met de woonbestemming van het gehuurde. Naar het oordeel van het hof brengt het enkele feit dat [geïntimeerde 1] c.s. spullen, bestemd voor hun bedrijf, hebben opgeslagen in de berging nog niet mee dat [geïntimeerde 1] c.s. de berging niet conform de woonbestemming hebben gebruikt. Dit kan anders zijn, indien de omvang en de aard van de opgeslagen zaken zodanig waren dat de opslag een overwegend bedrijfsmatig karakter heeft gekregen, maar gelet op de aard en omvang van de volgens [geïntimeerde 1] c.s. als gevolg van de lekkages beschadigde spullen kan het hof die conclusie niet trekken.
8.4.4.
Indien [geïntimeerde 1] c.s. erin slagen aan te tonen dat de desbetreffende zaken zich ten tijde van lekkage in de berging bevonden, dan wordt toegekomen aan het beroep van [appellante] op eigen schuld van [geïntimeerde 1] c.s. in de zin van artikel 6:101 BW. Daarbij gaat het erom dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Aan de zijde van [appellante] geldt dat sprake is van een stoornis in het huurgenot ten gevolge van lekkage. Indien zij zich meer zou hebben ingespannen zoals van haar als verhuurder had mogen worden verwacht, dan zou de stoornis voorkomen hebben kunnen worden. Aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. geldt dat zij zaken die gevoelig zijn voor vocht in de berging hebben gestald. Hadden zij dat niet gedaan, dan had de beschadiging van die zaken niet plaatsgevonden. Hiermee is de schade, indien bewezen, mede een gevolg van een omstandigheid die aan [geïntimeerde 1] c.s. kan worden toegerekend. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de aan ieder toe te rekenen omstandigheden voor 50% aan de schade hebben bijgedragen, zodat het percentage eigen schuld aan de kant van [geïntimeerde 1] c.s. is te stellen op 50 %. [geïntimeerde 1] c.s. hebben geen (gemotiveerd) beroep gedaan op de billijkheidscorrectie in art. 6:101 lid 1 BW ("met dien verstande"), zodat de vergoedingsplicht van [appellante] is beperkt tot 50% van de eventuele schade van [geïntimeerde 1] c.s. Het hof ziet voor toepassing van de billijkscorrectie overigens evenmin een grond.
8.4.5.
[appellante] stelt daarnaast dat [geïntimeerde 1] c.s. niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht, omdat zij hebben nagelaten de spullen direct te verwijderen uit de berging en de berging pas in augustus 2016 hebben leeggehaald. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] echter onvoldoende onderbouwd in hoeverre dit tot extra schade aan de spullen zou hebben geleid, aangezien de aard van vrijwel alle spullen meebrengt dat zij niet meer bruikbaar zijn zodra zij in aanraking komen met water/vocht. Haar beroep op de schadebeperkingsplicht van [geïntimeerde 1] c.s. kan dus niet tot (verdere) vermindering van haar schadevergoedingsverplichting leiden.
8.4.6.
Het hof geeft partijen bij deze stand van zaken in overweging te trachten een minnelijke regeling te bereiken.
8.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
9. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 20 augustus 2019 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. met het hiervoor onder rov. 8.4.2 omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, P.P.M. Rousseau en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 augustus 2019.
griffier rolraadsheer