Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.4.3
3.4.3 De positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948066:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3.2.5 en paragraaf 4.5 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.5 van hoofdstuk 4.
Zie paragraaf 3.3.2.5 van hoofdstuk 4 en paragraaf 2 van hoofdstuk 6, onder verwijzing naar artikel IV lid 2 (overgangsbepaling) Wet beperking gemeenschap van goederen (Stb. 2017, 177).
Zie paragraaf 3.4.1 hiervóór.
Vgl. hetgeen geldt voor de derde categorie van fideï-commissaire schulden bij de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde. Zie daarover paragraaf 3.4.2 hiervóór, randnummer 548.
Zie paragraaf 4.3.1, randnummer 543, hiervóór.
Zie Asser/Perrick 4 2021/202a; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 30-31; Stollenwerck, Het fideicommis de residuo (AN nr. 34) 1986, p. 91; R.E. Brinkman, ‘Reactie op: ’Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WNPR 2021/7335’, WPNR 2022/7371, p. 408-409 en A.H.N. Stollenwerck, ‘Over het graf heen: fideï-commissaire making of tweetrapsmaking’, FTV 2007/24.
549. In de vorige paragraaf is de (schulden)positie van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde aan de orde gekomen. In deze paragraaf komt de (schulden)positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter aan de orde. Ook hier zijn weer bepalend de drie eerder genoemde categorieën van schulden die tot het tweetrapsvermogen kunnen behoren, i.e. (i) schulden die bij het overlijden van erflater direct onder algemene titel op zowel de bezwaarde als de verwachter overgaan, (ii) de overige schulden van artikel 4:7 lid 1 BW, alsmede alle schulden die niet in dat artikel zijn genoemd maar die wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeren, en (iii) schulden die niet in artikel 4:7 lid 1 BW zijn genoemd, en ook niet kwalificeren als een schuld die tot de nalatenschap behoort, maar die op grond van de verkeersopvatting wel tot het fideï-commissaire vermogen gerekend moeten worden. Voor de positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter is daarbij vooraleerst van belang dat in paragraaf 3.4.1 reeds uiteengezet is dat alléén de eerste categorie van schulden daadwerkelijk op de verwachter overgaat. Dat zijn dus de schulden die niet met de dood van erflater teniet zijn gegaan (artikel 4:7 lid 1 sub a BW). Deze schulden gaan reeds bij het overlijden van erflater van rechtswege over op de verwachter, en dus niet pas bij het intreden van de voorwaarde waaronder de erfstelling is geschied. De verwachter wordt dus direct bij het overlijden van erflater aansprakelijk voor deze schulden. Dit betreft dan wel een aansprakelijkheid onder opschortende voorwaarde. In zijn positie van schuldenaar werkt deze voorwaardelijkheid voor de verwachter dan zo uit dat hij door het overlijden van erflater weliswaar aansprakelijk wordt voor de schulden die met de dood van erflater niet teniet zijn gegaan, maar dat het verhaal voor die schulden hangende de voorwaarde jegens de verwachter is beperkt tot de goederen die tot het tweetrapsvermogen behoren. De schuldeiser kan zich hangende de voorwaarde dus niet op het overige vermogen van de verwachter verhalen, ook niet wanneer hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Deze voorwaardelijkheid werkt vervolgens óók door voor de huwelijksgemeenschap waarin de verwachter is gehuwd, zowel wanneer de goederen van het tweetrapsvermogen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, als wanneer zij daar buiten zijn gebleven. Normaal gesproken geldt voor schulden van echtgenoten die in de wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd dat op grond van artikel 1:96 lid 1 BW de goederen van de huwelijksgemeenschap kunnen worden uitgewonnen. Dat geldt ongeacht of die schuld in de huwelijksgemeenschap is gevallen, of dat het een privéschuld van een van de echtgenoten betreft.1 Gaat het echter om een fideï-commissaire schuld waar de verwachter aansprakelijk voor is geworden, dan wordt hangende de voorwaarde óók de werking van artikel 1:96 lid 1 BW doorkruist. Dat heeft tot gevolg dat schuldeisers van dergelijke schulden hangende de voorwaarde ook niet de overige goederen van de huwelijksgemeenschap van de verwachter kunnen uitwinnen, óók niet als verwachter de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en de betreffende schuld krachtens boedelmenging tot diens huwelijksgemeenschap is gaan behoren. De verwachter is dus wel aansprakelijk voor de betreffende schuld, maar door de voorwaarde die aan de erfstelling is verbonden kunnen de schuldeisers zich (ook) niet op de (overige) goederen van de huwelijksgemeenschap van verwachter verhalen. Dit verandert als de voorwaarde intreedt waaronder de erfstelling is geschied. Vanaf dat moment heeft artikel 1:96 lid 1 BW wél volop werking, en kunnen de schuldeisers van schulden die niet met de dood van erflater teniet zijn gegaan zich ook op de (overige) goederen van de huwelijksgemeenschap van de verwachter verhalen. Betreft het een beperkte wettelijke gemeenschap van goederen en zijn de tweetrapsgoederen buiten de huwelijksgemeenschap gevallen, dan geldt daarbij wel de beperking van artikel 1:96 lid 3 BW. In dat geval zijn immers ook de schulden die niet met de dood van erflater teniet zijn gegaan op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a of artikel 1:94 lid 7 sub b BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap gevallen. Daardoor kunnen de schuldeisers na het intreden van de voorwaarde weliswaar de goederen van de huwelijksgemeenschap van de verwachter uitwinnen, maar is hun verhaal op die goederen op grond van artikel 1:96 lid 3 BW beperkt tot de helft van de opbrengst daarvan. De andere helft komt toe aan de echtgenoot van de verwachter, en gaat tot diens privévermogen behoren.2 Betreft het een algehele wettelijke gemeenschap van goederen en zijn de goederen van het tweetrapsvermogen door de werking van een uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap van de verwachter gevallen, dan geldt dat de schulden van erflater die niet met zijn overlijden teniet zijn gegaan op grond van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW dan wel bijzondere verknochtheid, buiten diezelfde wettelijke gemeenschap van goederen van de verwachter vallen. De verhaalsbeperking van artikel 1:96 lid 3 BW geldt niet voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen.3 Dat betekent dat de schuldeisers van deze schulden zich onbeperkt op de goederen van de huwelijksgemeenschap van de verwachter kunnen verhalen. Dat neemt niet weg dat deze schulden wel door het privévermogen van de verwachter gedragen dienen te worden; nemen de schuldeisers na het intreden van de voorwaarde op grond van artikel 1:96 lid 1 BW verhaal op de goederen van de huwelijksgemeenschap, dan zal de huwelijksgemeenschap van de verwachter op grond van artikel 1:96 lid 5 BW een vergoedingsrecht op de verwachter in privé verkrijgen.
550. Gaat het om de tweede categorie van schulden van het tweetrapsvermogen – i.e. de overige schulden van artikel 4:7 lid 1 BW, alsmede alle schulden die niet in dat artikel zijn genoemd, maar die wel als ‘een schuld die tot de nalatenschap behoort’ kwalificeren – dan staat voorop dat deze nimmer op de verwachter zullen overgaan, óók niet wanneer de voorwaarde intreedt waaronder de making is geschied. Deze schulden zijn immers na het overlijden van erflater ontstaan en kunnen dus niet onder de rechtsopvolging onder algemene titel worden begrepen die ook bij de verwachter reeds bij het overlijden van erflater plaatsvindt.4 Voor deze schulden geldt echter wel dat zij op grond van artikel 4:184 lid 1 BW verhaalbaar zijn op de goederen van het tweetrapsvermogen, welke verhaalsmogelijkheid na het intreden van de voorwaarde waaronder de erfstelling is geschied in stand blijft. De goederen van het tweetrapsvermogen kunnen na het intreden van de voorwaarde dus onverminderd door de schuldeisers van deze ‘tweede-categorie-schulden’ uitgewonnen worden, ook al is de verwachter niet aansprakelijk voor deze schulden (geworden), en zijn de tweetrapsgoederen door het intreden van de voorwaarde zijn enig eigendom geworden. Voor de huwelijksgemeenschap waarin de verwachter is gehuwd betekent dit dat wanneer de tweetrapsgoederen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, de schuldeisers hun vorderingen in dat opzicht dus ook ‘ten laste van’ de huwelijksgemeenschap kunnen verhalen. Het verhaal is daarbij dan wel beperkt tot de goederen van het tweetrapsvermogen. Overige verhaalsmogelijkheden hebben de schuldeisers niet, althans niet jegens verwachter. Omdat de verwachter niet aansprakelijk is geworden voor deze schulden, wordt immers óók de werking van artikel 1:96 lid 1 BW ‘doorkruist’. Dat betekent dat de schuldeisers niet alleen geen verhaal kunnen nemen op de (overige) goederen van het privévermogen van de verwachter, maar ook niet op de (overige) goederen van de huwelijksgemeenschap waarin hij is gehuwd. Dit alles neemt niet weg dat de schulden die in deze tweede categorie vallen wel door het tweetrapsvermogen gedragen dienen te worden, óók na het intreden van de voorwaarde waaronder de erfstelling is geschied. Gegeven deze draagplicht kan de verwachter na het intreden van de voorwaarde ervoor kiezen om de fideï-commissaire schuld vrijwillig te voldoen. Als hij dat doet, is voor de positie van zijn huwelijksgemeenschap relevant of het fideï-commissaire vermogen in of buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen, en ten laste van welk vermogen hij de schuld heeft voldaan. Behoort het fideï-commissaire vermogen tot zijn privévermogen, maar voldoet hij de schuld met middelen van de huwelijksgemeenschap, dan ontstaat een vergoedingsrecht van de huwelijksgemeenschap op hem in privé (zie artikel 1:96 lid 5 BW). In de omgekeerde situatie ontstaat een vergoedingsrecht van de verwachter in privé op de huwelijksgemeenschap (zie artikel 1:96 lid 4 BW). Aan dit alles doet niet af dat de verwachter niet aansprakelijk is geworden voor de betreffende schuld, en de schuld in die zin niet tot zijn vermogen of tot het vermogen van diens huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Een vergoedingsrecht kan volgens mij óók ontstaan wanneer een echtgenoot niet aansprakelijk is geworden voor een schuld (en deze in die zin dus niet tot zijn vermogen of dat van de huwelijksgemeenschap is gaan behoren), maar hij deze op grond van een bepaalde rechtsverhouding met een ander wel dient te dragen. Wordt de schuld na het intreden van de voorwaarde niet (vrijwillig) door de verwachter, maar alsnog door (de erfgenamen van) de bezwaarde voldaan, dan verkrijgen zij een regresvordering op de verwachter. De schuld had immers door het tweetrapsvermogen gedragen moeten worden, dat na het intreden van de voorwaarde in enig eigendom aan de verwachter is gaan toebehoren (zie paragraaf 3.4.1, randnummer 542, hiervóór). Daarbij valt de schuld die uit hoofde van deze regresvordering ontstaat in beginsel in de huwelijksgemeenschap waarin de verwachter is gehuwd, óók wanneer de goederen van het tweetrapsvermogen buiten diens huwelijksgemeenschap zijn gevallen. Een dergelijke schuld kwalificeert immers niet als een ‘schuld die behoort tot de nalatenschap’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub b BW, en valt ook niet onder de (beperkte) reikwijdte van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW/artikel 1:94 lid 7 sub a BW. Ook in dit geval dient echter aangenomen te worden dat de schuld uit hoofde van de regresvordering een bijzonder verknochte schuld is.5 De schuld uit hoofde van de regresvordering is zodanig nauw aan het fideï-commissaire vermogen verbonden, dat wanneer de fideï-commissaire goederen buiten de huwelijksgemeenschap van de verwachter zijn gevallen hetzelfde dient te worden aangenomen voor de schuld uit hoofde van de regresvordering die (de erfgenamen van) de bezwaarde op de verwachter kunnen verkrijgen. Bij gebreke van een andere wettelijke grondslag zal daartoe dan een beroep op artikel 1:94 lid 5 BW/artikel 1:94 lid 3 oud BW moeten worden gedaan.
551. De derde categorie van fideï-commissaire schulden betreft schulden die niet als ‘een schuld die behoort tot de nalatenschap’ kwalificeren, maar die wél als ‘een schuld die tot het fideï-commissaire vermogen behoort’ kunnen worden bestempeld. Bij deze schulden staat voorop dat de verwachter nimmer voor deze schulden aansprakelijk wordt, en dat deze schulden na het intreden van de voorwaarde ook niet (meer) op de goederen van het tweetrapsvermogen kunnen worden verhaald. Voor deze derde categorie van schulden geldt de verlengde verhaalsmogelijkheid van artikel 4:184 lid 1 BW dus niet. Dat neemt niet weg dat ook deze schulden na het intreden van de voorwaarde door het tweetrapsvermogen gedragen dienen te worden, net zoals alle andere schulden die tot het tweetrapsvermogen behoren (zie paragraaf 3.4.1, randnummer 543, hiervóór). Ook voor deze schulden geldt dus dat de verwachter ervoor kan kiezen om deze na het intreden van de voorwaarde vrijwillig te voldoen. In dat geval gelden voor de huwelijksgemeenschap van de verwachter dezelfde gevolgen als die hiervóór voor de tweede categorie van fideï-commissaire schulden zijn beschreven (zie randnummer 550 hiervóór); behoort het fideï-commissaire vermogen tot het privévermogen van de verwachter maar voldoet hij de schuld met middelen van de huwelijksgemeenschap, dan ontstaat een vergoedingsrecht van de huwelijksgemeenschap op hem in privé (zie artikel 1:96 lid 5 BW); in de omgekeerde situatie ontstaat een vergoedingsrecht van de verwachter in privé op zijn huwelijksgemeenschap (zie artikel 1:96 lid 4 BW). En wordt de schuld na het intreden van de voorwaarde alsnog door de (erfgenamen van de) bezwaarde voldaan, dan ontstaat ook hier een regresvordering van (de erfgenamen van de) bezwaarde op de verwachter. Daarbij zal ook deze regresvordering op grond van bijzondere verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap vallen, uiteraard alleen indien en voor zover de goederen van het fideï-commissaire vermogen daar ook buiten zijn gevallen (vgl. randnummer 550, laatste passages, hiervóór). Bij dit alles zij nogmaals opgemerkt dat onder deze derde categorie van fideï-commissaire schulden óók schulden vallen die de bezwaarde in verband met de verwerving van een goed is aangegaan, welk goed op grond van analoge toepassing van artikel 3:213 jo. 1:95 lid 1 BW tot het fideï-commissaire vermogen is gaan behoren.6 In dat geval wordt dat goed op grond van zaaksvervanging voorwaardelijk door de verwachter verkregen, waarna dit bij het intreden van de voorwaarde onvoorwaardelijk aan hem zal gaan toebehoren. De schuld die de bezwaarde voor de verwerving van dit goed is aangegaan, gaat echter niet mee over op de verwachter. Evenmin kan deze schuld na het intreden van de voorwaarde nog op de goederen van het tweetrapsvermogen worden verhaald. Ook voor deze schuld geldt echter dat deze wel door het fideï-commissaire vermogen gedragen dient te worden. Is de verwachter in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zal voor dergelijke schulden dus hetzelfde gelden als hetgeen hiervóór voor alle andere ‘categorie 3-schulden’ is beschreven.
552. In dit verband kan tot slot nog het volgende worden opgemerkt. Als men aanneemt dat de nalatenschap bij het intreden van de voorwaarde voor de tweede keer ‘openvalt’ en de verwachter (pas) op dat moment in de positie van erflater intreedt, is met name de positie van verwachter en zijn huwelijksgemeenschap veel gemakkelijker. In dat geval kwalificeren alle schulden die op dat moment tot het fideï-commissaire vermogen behoren als ‘schulden die tot de nalatenschap behoren’, waardoor deze op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a en/of sub b BW zonder meer buiten de huwelijksgemeenschap zullen vallen wanneer de verwachter in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd (tenzij aan de nalatenschap een insluitingsclausule was verbonden). Bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zal dit dan gelden op grond van artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW, dan wel de bijzondere verknochtheid van die schulden, doch uitsluitend indien en voor zover aan de nalatenschap een uitsluitingsclausule is verbonden. In dat geval hoeft er voor de positie van de bezwaarde dus geen onderscheid gemaakt te worden tussen verschillende categorieën van fideï-commissaire schulden, en is voor die positie ook het onderscheid tussen aansprakelijkheid, verhaal, en draagplicht niet relevant. Doordat bij het intreden van de voorwaarde alle schulden van het fideï-commissaire vermogen die op dat moment bestaan van rechtswege op de verwachter overgaan, wordt verwachter bij het intreden van de voorwaarde voor al deze schulden aansprakelijk.7 Als hij in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd betekent dit dat deze schulden vanaf dat moment op grond van artikel 1:96 lid 1 BW ook op de goederen van die huwelijksgemeenschap verhaald kunnen worden, ongeacht of het een beperkte of een algehele wettelijke gemeenschap van goederen betreft. Daarvóór kon dat dan niet omdat verwachter nog niet aansprakelijk voor deze schulden was. Bij dit alles geldt dan wel dat wanneer de verwachter in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, en het tweetrapsvermogen buiten diens huwelijksgemeenschap is gevallen, schuldeisers van fideï-commissaire schulden op grond van artikel 1:96 lid 1 BW weliswaar de goederen van de huwelijksgemeenschap kunnen uitwinnen, maar dat hun verhaal op de opbrengst van die goederen op grond van artikel 1:96 lid 3 BW is beperkt tot de helft daarvan (vgl. randnummer 549 hiervóór). Hoewel in dit geval de positie van (met name) de verwachter en diens huwelijksgemeenschap overzichtelijker is, meen ik dat deze opvatting toch niet gevolgd moet worden. Zij doet immers geen recht aan het karakter van de tweetrapserfstelling als vorm van voorwaardelijk eigendom van goederen, waarbij zowel de bezwaarde als verwachter de erflater reeds bij zijn overlijdenin zijn dan bestaande rechtspositie opvolgen (zie paragraaf 2.2 en 3.3 hiervóór). Gaat men daarvan uit, dan ontkomt men er vervolgens ook niet aan om een duidelijk onderscheid te maken tussen de verschillende soorten fideï-commissaire schulden die kunnen ontstaan en dus ook in de aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht voor deze schulden.